
Alle berichten
Alle berichten van deze website staan hieronder, in oplopende chronologische volgorde — alsof het een doorlopend verhaal is. Als je mijn zoektocht wilt volgen kun je van boven naar beneden gaan. Ik sla wel eens een zijweg in, maar de berichten zijn in elke volgorde te openen en te sluiten. Je kunt een bericht inklappen tot de titel, of uitklappen tot de volledige inhoud. In deze weergave zijn reacties niet zichtbaar.
Er wordt gezegd dat de huidige opkomst van AI en alles wat er mee samenhangt vergelijkbaar is met de introductie van internet, of zelfs met de industriële revolutie. Maar dan in een hoger tempo. Het is vooral de ogenschijnlijke magie van het moeiteloos in alle talen correct converseren van ChatGPT en familieleden die de aandacht en publiciteit heeft overweldigd. Zelf heb ik in het verleden zowel professioneel als uit persoonlijke interesse de ontwikkelingen, met name rond deep learning en taalmodellen, wel redelijk goed gevolgd maar ik heb me er niet grondig genoeg in verdiept om te begrijpen hoe er nu opeens zo’n kantelpunt kon ontstaan.
Dat ga ik nu inhalen. Ik ga niet alleen wat studeren maar ook op deze site verslag doen van mijn verkenning van het gebied van natuurlijke taal verwerking (NLP), large language models (LLM) en kunstmatige intelligentie (AI) toepassingen die ermee samenhangen, zoals genoemde ChatGPT.
Hoewel ik een goede basiskennis heb is er veel onbekend terrein — dat maakt het voor mij persoonlijk interessant genoeg om het verslag bij te houden. Wie mee wil lezen is van harte welkom.
De inhoud van de site is tweeledig: tijdgebonden en wellicht vluchtige notities over wat ik tegenkom door zelf te zoeken en te studeren en over wat de actualiteit biedt resp. artikelen die interessant genoeg zijn om te bewaren en terug te vinden (onder de keuze Rubrieken). Soms zal het wellicht wat technisch en wiskundig worden, maar ik zal mijn best doen om het goed uit te leggen — vooral aan mezelf.
Alle teksten, behalve citaten, maak ik zelf. In de geest van het onderwerp laat ik mij schaamteloos bijstaan door Perplexity.ai, een zoekomgeving die ChatGPT gebruikt. Perplexity maakt samenvattingen van zoekresultaten die je werkelijk, nou ja, perplex doen staan. Die zal ik gebruiken en er keurig melding van maken — dat is onderdeel van de zoektocht zelf.
De ondertitel van de site — Op pad in AI — verwijst met een knipoog naar de reisblogs die Marianne en ik al vele jaren maken. Daar staan foto’s van echte landschappen en steden waar we geweest zijn. De afbeelding bovenaan deze site is van een niet bestaand landschap, letterlijk onbekend terrein. Het fotorealistische beeld is op mijn aanwijzing gemaakt door Dall-E, ook zo’n spraakmakende toepassing van AI.
Ik ga op pad om te begrijpen welke kantelpunten in de ontwikkeling van AI de wereld recent in rep en roer hebben gebracht, maar ik sta nog aan het begin.
Sommige rep of roer moet je misschien met een korrel zout nemen, zoals de oproep tot een moratorium voor doorontwikkelen of de in manifest verwoorde vrees voor het einde van de mensheid. Op dit terrein is er trouwens genoeg dystopische concurrentie.
Er is wel is iets serieus gaande.
Je ziet het aan de sterk toegenomen omvang van de publiciteit in de media. Juist ook in de traditionele kanalen — en in de verschuiving van de redactionele focus van klein bericht in de techniekrubriek naar groot artikel in primaire nieuwskaternen en hoofdredactioneel commentaar. De kennis daar over het onderwerp lijkt vooralsnog niet heel groot te zijn, er wordt veel van elkaar geciteerd of geparafraseerd. Nogal kritiekloos, zodat de hype snel aangezwengeld raakt.
Je merkt het ook aan de snelle verschuiving van succes en falen tussen de grote partijen in Tech en de opkomst van nieuwe spelers. Zonder disruptie geen verandering en innovatie zoals men zegt. Zo zou bijvoorbeeld het business model van de zoekmachine van Google wel eens dramatisch kunnen instorten als ze niet snel een alternatief vinden voor hun inkomsten uit gesponsorde zoekresultaten, microtargeting en allerlei andere manieren om met de persoonlijke data van hun gebruikers geld te verdienen. Daar kom ik later nog op terug want Google heeft met zekerheid de technologie om inhoudelijk een grote rol te kunnen spelen. Maar ja, dat verdienmodel…
Er is bij niemand twijfel over de impact van taalmodellen zoals Chat GPT en andere AI-modellen die met natuurlijke taal van hun gebruikers uit de voeten kunnen en ook in natuurlijke taal zinnige antwoorden op hun vragen kunnen geven. In tientallen talen zelfs. Voor de wanhopige gebruiker van Siri of Alexa, van chatbots van webwinkels, of van tekortschietende vertaalapps kwam dat als een godswonder uit de lucht vallen. Laten we daarom aan de kant van de taal en de taalmodellen beginnen.
De vloeiende en grammaticaal correcte resultaten van een conversatie met ChatGPT worden letterlijk per woord opgebouwd — je ziet een antwoord woord voor woord op je beeldscherm verschijnen en dat is niet een trucje voor de vormgeving. Soms worden woorden of hele zinnen weer gewist en opnieuw opgebouwd, kennelijk omdat de AI vindt dat de zin dreigt vast te lopen of een kant op gaat die het niet wil (of mag).
Ik weet inmiddels dat het volgende woord gekozen wordt als meest waarschijnlijke voortgang op basis van de woorden die er al staan en de context waarin de conversatie verloopt. Dit fascineert. Ik wil het niet al te antropomorf maken, maar de manier waarop mensen taal leren is misschien niet heel anders. De crux is natuurlijk het bepalen van wat “meest waarschijnlijk” is. Wordt vervolgd.
Zie bijvoorbeeld het artikel What Is ChatGPT Doing … and Why Does It Work? (Stephen Wolfram).
Plug & Pray is een documentaire film uit 2010 over “the promise, problems and ethics of artificial intelligence and robotics“. Perplexity heeft voor mij een samenvatting van de documentaire gemaakt, althans van de inhoud.
De regisseur van Plug & Pray, Jens Schanze, neemt een neutraal en open-minded perspectief in op de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie en robotica. De documentaire bevat interviews met computerexperts van over de hele wereld, waaronder futurist Raymond Kurzweil en voormalig MIT-professor Joseph Weizenbaum, die hun visies en zorgen delen over de ontwikkeling van intelligente machines. Schanze neemt geen standpunt in in de debatten rondom het onderwerp, maar presenteert eerder een verfrissend open en niet-veroordelend onderzoek naar wetenschappers aan het werk en in debat. De documentaire onderzoekt de belofte, problemen en ethiek van kunstmatige intelligentie en robotica en gaat in op de eeuwenoude droom om intelligente machines te creëren die gelijk zijn aan hun menselijke makers.
Jozeph Weizenbaum is de maker van het fameuze ELIZA programma uit midden jaren 60.
Eind mei 2023 publiceerde een grote groep internationale prominenten en experts een waarschuwende, om niet te zeggen alarmerende, verklaring.
Mitigating the risk of extinction from AI should be a global priority alongside other societal-scale risks such as pandemics and nuclear war.
Intrigerend vind ik dat in de groep ondertekenaars vrijwel alle onderzoekers en ontwikkelaars zijn te vinden die de afgelopen jaren heel hard gewerkt hebben om AI te brengen waar het nu is. En er nog aan werken in een commerciële, zwaar competitieve, omgeving.
De verklaring is door sommigen hypocriet genoemd — indekken voor de bühne of voor dreigende reguleringsmaatregelen. Ik moest echter denken aan de sprong naar de schakelaar uit het korte verhaal Answer van Fredric Brown uit 1954.
Zouden ze nu wel op tijd zijn?
Fredric Brown, Answer (1954) – oorspronkelijk verschenen in Angels and Spaceships.
Dwar Ev ceremoniously soldered the final connection with gold. The eyes of a dozen television cameras watched him and the subether bore throughout the universe a dozen pictures of what he was doing.
He straightened and nodded to Dwar Reyn, then moved to a position beside the switch that would complete the contact when he threw it. The switch that would connect, all at once, all of the monster computing machines of all the populated planets in the universe — ninety-six billion planets — into the supercircuit that would connect them all into one supercalculator, one cybernetics machine that would combine all the knowledge of all the galaxies.
Dwar Reyn spoke briefly to the watching and listening trillions. Then after a moment’s silence he said, “Now, Dwar Ev.”
Dwar Ev threw the switch. There was a mighty hum, the surge of power from ninety-six billion planets. Lights flashed and quieted along the miles-long panel.
Dwar Ev stepped back and drew a deep breath. “The honor of asking the first question is yours, Dwar Reyn.” “Thank you,” said Dwar Reyn. “It shall be a question which no single cybernetics machine has been able to answer.”
He turned to face the machine. “Is there a God?”
The mighty voice answered without hesitation, without the clicking of a single relay. “Yes, now there is a God.”
Sudden fear flashed on the face of Dwar Ev. He leaped to grab the switch.
A bolt of lightning from the cloudless sky struck him down and fused the switch shut.
Toevoeging 24 september 2023: na een paar maanden ‘op pad’ in de wereld van AI is bij mij wel het besef gegroeid dat de zogenoemde AGI systemen – Artificial General Intelligence – dichter bij zijn dan ooit verwacht. Als je doorleest kom je er vanzelf, maar je kunt ook springen naar een bericht hierover, De hand van God.
Om te wennen aan de begrippen die in deze wereld gebruikt worden werk ik een voorbeeld uit.
Laten we eens uitgaan van een klein fictief taalmodel dat is getraind over een Nederlandstalig corpus. We willen dat het model een voorspelling kan doen over het volgende woord in een zin. We beperken ons daarbij tot een subset van 6 woorden: “een”, “de”, “rode”, “hond”, “kater” en “.”.
In dit bericht komen de concepten taalmodel, training, corpus, voorspelling, prompt, context window voor. Die worden in volgende berichten verder uitgewerkt.
Een ‘officiële’ definitie van taalmodel is: een waarschijnlijkheidsverdeling over een volgorde van woorden. Zie het lemma in de Engelstalige(*) wikipedia en de uitwerking in het artikel (Chiusano 2022) dat ik als inspiratie voor het onderstaande voorbeeld gebruik.
Het taalmodel geeft per woord de waarschijnlijkheid (de kans) om in een zin W voor te komen die uit de woorden w1, w2, …, wn bestaat. Wiskundig afgekort schrijven we voor deze kansen P(w1), P(w2), …, P(wn) (de P komt van probabiliteit). Voor de zin als geheel schrijven we de waarschijnlijkheid als P(W).
Als de kans om in een zin voor te komen per woord onafhankelijk zou zijn van de plaats van dat woord in de zin, dan zouden we P(W) berekenen door de afzonderlijke woordkansen met elkaar te vermenigvuldigen: P(W) = P(w1)*(P(w2)*…*P(wn). Die afzonderlijke woordkansen zou je dan kunnen bepalen door in een grote verzameling Nederlandstalige teksten, bijvoorbeeld alle teksten op Nederlandstalige websites bij elkaar (waarom niet), de frequentie per woord te tellen.
Helaas staat er in de vorige alinea nogal vaak “zou”…
Wil een taalmodel bruikbaar zijn dan moet het zoveel mogelijk aansluiten op de werkelijke wereld. Daar is de kans dat een woord in een zin voorkomt mede afhankelijk van het woord dat er aan voorafgaat, en zelfs van meerdere woorden die er al staan. De kansen waarmee we moeten rekenen zijn dus voorwaardelijke kansen.
Als voorbeeld: de kans dat er na “de” het woord “rode” komt. We schrijven dat als P(“rode” | “de”). In het algemeen P(w2 | “de”) voor elk van de woorden in de subset. En zo door, voor een langere zin: P(“hond” | “de rode”) en zelfs P(“.” | “de rode hond”).
De waarschijnlijkheid van de hele zin “de rode hond.” ofwel P(“de rode hond.”) is dan te berekenen door de woordkansen met elkaar te vermenigvuldigen: P(“de”) x P(“rode” | “de”) x P(“hond” | “de rode”) x P(“.” | ” de rode hond”). Zo kunnen we ook de de waarschijnlijkheden van alle andere mogelijke zinnen met woorden uit onze subset berekenen, ook van nonsense zinnen. In het Nederlands zijn zinnen waarin 2x achter elkaar “de” voorkomt zeldzaam, P(“de” | “de”) is zo goed als nul.
In AI gebruiken we taalmodellen om vraag/antwoord gesprekken op te zetten. En ‘vraag’ is hierbij een te specifiek begrip, in het jargon wordt de algemenere term prompt gebruikt. Met de prompt zet je het model als het ware aan en gaat het reageren met — woord voor woord — de zinnen met de beste waarschijnlijkheid.
Wat de beste waarschijnlijkheid is, is niet alleen afhankelijk van het voorkomen van woorden in een taal en de voorwaardelijkheid van de volgordes maar ook van de context die door de prompt wordt opgeroepen. Men spreekt hier van het context window.
In ons fictieve geval kun je je voorstellen dat in de meeste contexten P(“de rode hond.”) en P(“de rode kater.”) wel ongeveer gelijk zijn. Dat is echter totaal anders als er –bij wijze van voorbeeld– in het context window sprake is van stripverhalen van Jan Kruis (daar komt de rode kater…) of juist van infectieziekten die gevaarlijk zijn voor zwangere vrouwen (pas op voor de rode hond…).
Nu hebben we aardig zicht op de volledige complexiteit. Niet alleen de voorwaardelijke waarschijnlijkheden gebaseerd op de aanwezigheid van eerdere woorden in een te vormen zin zijn van belang, maar ook voorwaardelijkheden die te maken hebben met context, met betekenis. Daar gaat het ook om waarschijnlijkheden, maar conceptueel gezien van een totaal andere orde. Op dat vlak zijn de afgelopen jaren de grote klappers gemaakt die de technologie zo veel verder hebben gebracht.
(*) In de Nederlandstalige versie is ingevoegd dat een taalmodel een ‘kunstmatig-intelligente tekstgenerator zou zijn die de waarschijnlijkheidsverdeling opmaakt, maar volgens mij wordt daarmee de wagen voor het paard gespannen.
Mijn spraakgebruik is ouderwets geworden. Om back-ups van mijn computer te maken denk ik een externe harde schijf te hebben van 1TB. De woorden schijf en TB zijn echter ingehaald door de tijd.
De schijf is solid state, er draait niets meer.
TB, terabyte, komt uit een decimaal systeem om omvang aan te duiden: kilo, mega, giga, tera, peta, … (steeds 1.000 keer meer). Ook dat systeem is achterhaald geraakt naarmate de getallen steeds groter werden. De kleinste eenheid is de bit, een 0 of een 1, een byte bestaat uit 8 bits. Omvang neemt per stap met een factor 2 toe — en bereken je in machten van 2, niet in machten van 10. Omdat 210=1.024 dicht bij 1.000 ligt heeft men van oudsher daarvoor wel de decimale uitdrukking gebruikt: kilo=1.000. En zo door.
Bij relatief kleine getallen is het verschil in omvang van de binaire en decimale weergave te verwaarlozen. In het veen kijkt men niet op een turfje, om een minstens zo achterhaalde uitdrukking te gebruiken. Bij mijn harde schijf van 1TB is het verschil al aanzienlijk: binair uitgedrukt gaat het om 1,099,511,627,776 bytes, en niet om 1,000,000,000,000 bytes. Dat verschil is niet meer weg te poetsen.
De huidige standaard (die ook al weer ruim 20 jaar bestaat) gebruikt andere aanduidingen, steeds met een i achter de eerste hoofdletter, dus KiB ipv KB, MiB, GiB, TiB, enzovoort, en in de benaming steeds ingevoegd ‘bi’ (voor binair). Het is even wennen dat mijn terabyte nu tebibyte is gaan heten… In de tabel zie je de verschillende waarden en benamingen.
In de wereld van AI en taalmodellen gaat het over zeer grote dataverzamelingen en aantallen parameters die er aan gekoppeld worden. Daar zul je doorgaans de nieuwe maten uit het linkerrijtje tegenkomen.

GPT is het buzzword van het moment. Het is het taalmodel onder ChatGPT, vooralsnog het meest aansprekende voorbeeld van de ontwikkelingen die ik wil onderzoeken. Versie 3 is nu gangbaar, GPT-4 is er inmiddels ook en ik zag recent Kremlin watching over GPT-5. Die vervolgen zijn niet directe ‘alsmaar groter’ doorontwikkelingen maar wellicht anders opgebouwd — daar kom ik later op terug.
Het wordt tijd om dieper in de materie te duiken, vooralsnog in de wereld van GPT-3. Daar komen nogal wat nieuwe inhoudelijke terreinen langs, voor mij dan toch, met bijbehorende vaktaal. Ik begin met de drie pijlers van GPT die in het initiaalwoord zijn terug te vinden.
GPT is een Large Language Model (LLM), en in die categorie een zogeheten foundation model. De afkorting staat voor Generative Pre-trained Transformer.
Generative
Dit soort statistische modellen kan leren van de relaties in bepaalde dataverzamelingen om daarmee nieuwe ‘data points’ te genereren, die lijken op de gegevens in de verzameling maar toch ‘nieuw’ zijn.
Pre-trained
Voordat dit soort modellen in gebruik worden genomen worden ze getraind op grote dataverzamelingen. In het geval van GPT-3 een héél grote verzameling, die uit 175 miljard berekende parameters bestaat. Zie het omvang plaatje voor de recente ontwikkeling van omvang van dit soort verzamelingen.
Transformer
Zelfs los van de context van GPT is ‘Transformer‘ een van de kantelpunten in de ontwikkeling van AI waarnaar ik op zoek ben. Het gaat om een speciaal soort neuraal netwerk, of eigenlijk de architectuur ervan – in 2017 door Google geïntroduceerd in de context van natuurlijke taal verwerking. Dit soort modellen voor deep learning is in staat om te gaan met sequentiële data — denk aan het woord voor woord waar ik eerder over berichtte — op een zodanige manier dat niet alleen opeenvolgende woorden met elkaar in verband worden gebracht en gehouden, maar ook woorden “in de omgeving van”, met een zekere afstand in de tekst.
Taalmodellen zoals GPT-3 worden gereedgemaakt voor gebruik door ze te ’trainen’ op grote dataverzamelingen. Ik denk al wel te begrijpen dat de onvoorstelbare omvang van het corpus waarop GPT-3 is getraind een van de kantelpunten markeert waarnaar ik op zoek ben, in de ontwikkeling van natuurlijke taalverwerking.
Vragen waar ik later op terug kom:
- hoe werkt het trainen van een taalmodel?
- is het nodig om zulke grote dataverzamelingen te gebruiken?
- wat zijn de neveneffecten van het werken met ongecensureerde en niet-gemodereerde inhoud?
De dataverzamelingen onder GPT-3
GPT-3.5 is getraind op 5 grote dataverzamelingen: Wikipedia, Common Crawl, WebText2, Books1, Books2 zoals die medio 2021 waren.
Alleen die eerste klinkt bekend. Om het corpus op te bouwen zijn alle pagina’s in alle talen van Wikipedia ‘opgeslorpt’. Ik kon geen recentere gegevens dan 2015 vinden voor de totale omvang, maar toen waren er 34 miljoen ‘artikelen’ (ik vermoed: pagina’s) in 288 verschillende talen.
Huiver nog meer bij Common Crawl. Een crawler is een computerprogramma dat geautomatiseerd informatie op het gehele internet opzoekt en op een bepaalde manier opslaat en indexeert. Alle zoekmachines gebruiken eigen crawlers om hun zoekindexen op te bouwen. Common Crawl is een non-profit organisatie “dedicated to providing a copy of the internet to internet researchers, companies and individuals at no cost for the purpose of research and analysis“. De organisatie is in 2008 met eigen crawlers (zoals CCbot) begonnen te verzamelen en te indexeren en doet dat tot op de dag van vandaag.
Om je een indruk te geven van de omvang: het crawl resultaat van mei en juni 2023 bevat 3,1 miljard ‘gevangen’ webpagina’s bij 44 miljoen hosts, inclusief 1 miljard nieuwe URL’s die niet eerder bezocht waren. Het resultaat is openbaar beschikbaar en kun je zelfs downloaden. De ongecomprimeerde opslag is 390 TiB…
Ook hier gaat het om inhoud in een groot aantal (40+) talen die op het internet aanwezig zijn.
WebText2 is een corpus van 40 GB tekst, in 8 miljoen documenten die afkomstig zijn van, of gelinkt aan, het Reddit platform van 2005 – 2020.
Books1 en Books2 zijn verzamelingen van e-books. De maker van GPT (OpenAI) is terughoudend met het geven van informatie over deze verzamelingen, mogelijk om auteursrecht issues te vermijden. Vrijwel zeker is Books1 het zg. Gutenberg corpus dat uit ruim 60.000 boeken bestaat die auteursrecht vrij zijn. Books2 bestaat mogelijk uit 11.000 nog niet gepubliceerde boeken die van internet geschraapt zijn.
Omvang
Alles bij elkaar is de verzameling content waarop GPT-3 is getraind van een nauwelijks voor te stellen omvang. De gehele (tekstuele) inhoud van alle websites op het internet zeg maar, aangevuld met inhoud van een van de grootste inhoudelijke social media platforms ter wereld en een grote bibliotheek aan boeken, waaronder alle klassieke werken.
GPT is niet het enige grote taalmodel. In de figuur zie je de ontwikkeling in de afgelopen jaren van de omvang van grote taalmodellen, op een logaritmische schaal. GPT-3 is 150x zo groot als zijn voorganger GPT-2.
Het gaat om de omvang in berekende parameters op basis van het corpus, ‘billion’ betekent hier: miljard.

Bron: Microsoft Research Blog 11 oktober 2021.
Een omvangrijk rapport van Stanford University van augustus 2021 introduceert het begrip foundation model. De auteurs zien de opkomst ervan als een ommekeer in AI.
Uit: On the Opportunities and Risks of Foundation Models, Stanford University, 12 juli 2022 (3e versie).
AI is undergoing a paradigm shift with the rise of models (e.g., BERT, DALL-E, GPT-3) trained on broad data (generally using self-supervision at scale) that can be adapted to a wide range of downstream tasks.
We call these models foundation models to underscore their critically central yet incomplete character.
Het rapport is multidisciplinair, met tientallen auteurs onder de vlag van het Center for Research on Foundation Models (CRFM) en het Stanford Institute for Human-Centered Artificial Intelligence (HAI) van Stanford University,
Ik zie het rapport als een van de bepalende, ‘defining‘, documenten op het gebied van AI. In het rapport worden naast de term foundation model een paar andere basisbegrippen gedefinieerd.
De inzet van foundation models heeft in Europa de roep om regulering aangewakkerd, los van de hysterie van het generiek willen beteugelen van Big Tech. Zie ter illustratie twee artikelen in de Volkskrant (van Mark Driessen en Kees Verhoeven op 13 juni 2023 en de reactie van Laura de Vries van 21 juni 2023).
Wat zijn foundation models, en wat maakt ze zo controversieel?
Eerst maar eens de oorspronkelijke definitie (die ook in de synopsis staat):
A foundation model is any model that is trained on broad data (generally using self-supervision at scale) that can be adapted (e.g., fine-tuned) to a wide range of downstream tasks.
Over grote, brede dataverzamelingen hadden we het in vorige berichten, evenals over schaal. Over de training op die verzamelingen (al dan niet onder supervisie) zal het in volgende berichten moeten gaan, hier wil ik de impact van foundation models illustreren aan de hand van twee begrippen die er in het rapport direct mee verbonden worden: ‘emergence‘ en ‘homogenization‘, in beide gevallen toegespitst op de genoemde ‘downstream tasks‘.
In het rapport staat het volgende plaatje, ter illustratie.

Als ik het goed begrijp zit het zo:
- Het model traint (zichzelf, voor een groot deel) met taken die binnen de dataverzamelingen worden aangeboden en verwerkt. Dit zou je de primaire taken kunnen noemen, hoewel ze in de praktijk vaak schematisch zijn, sjabloonachtig. De vastlegging van het leerresultaat levert die miljarden parameters waarmee de omvang van een model wordt aangeduid.
- Na de training wordt het model losgelaten op ongestructureerde, ongetrainde taken die feitelijk de ‘echte’ opdrachten vormen. Deze afgeleide opdrachten zijn de downstream tasks.
- Nu blijken die grote getrainde modellen, die zogezegd het kantelpunt van omvang en gevarieerdheid voorbij zijn, de afgeleide opdrachten te kunnen uitvoeren zonder dat ze verteld is hoe ze dat moeten doen. Een prompt om ze aan te zetten is genoeg. De oplossingen zijn niet geïnstrueerd, gecodeerd of geprogrammeerd: ze ‘verschijnen’. Dat is het aspect emergence. Dit zou je in bestaand, maar niet zo gangbaar, Nederlands kunnen vertalen als emergentie. Ik voorspel het concept een grote toekomst in de discussies die gevoerd gaan worden.
- Er bij komt dat de downstream tasks alle mogelijke variatie mogen hebben die je maar kunt bedenken. Data in de vorm van tekst, beeld, geluid of wat ook — het maakt niet uit, een foundation model dat multimodaal(*) getraind is pakt ze alle op een vergelijkbare en trainbare manier aan en kan er mee uit de voeten. Dat is het aspect homogenization.
Met name emergence brengt groot enthousiasme, maar tegelijk grote ongerustheid met zich mee. Het is immers impliciet, en daardoor onnavolgbaar, hoe een resultaat tot stand komt. Ook al wil je nog zo graag, je kunt per definitie géén inzicht krijgen hoe een specifiek antwoord is geproduceerd, er valt alleen kennis te nemen van het generieke proces.
Voor toezichthouders en politici is dit een onverdraaglijke gedachte, maar ook wetenschappers en ontwikkelaars zelf vinden het eng.
Zijn we bezig de nieuwe monsters van Frankenstein in elkaar te zetten? Vandaar de roep om regulering, ook bij de sector zelf.
(*) Dall-E, de omgeving die beeld genereert op basis van tekstuele invoer, is een versie van GPT-3 die getraind is op een dataset van ’tekst-beeld’-paren. Dat heeft 12 miljard parameters opgeleverd die als het ware tekst en pixels uitwisselen. De manier waarop Dall-E resultaten bereikt is volledig vergelijkbaar met de natuurlijke taal-variant van GPT-3. Wel waren er verschillen in de mate van sturing in de training van beide modellen heb ik begrepen.
In het bericht waarin emergentie voor het eerst wordt genoemd zat ik niet alleen verlegen om een goed Nederlands woord, maar vooral om een referentiekader buiten de wereld van de AI.
Ik denk inmiddels dat het fenomeen zwerm een goed voorbeeld is van waarneembare emergentie. Op een vlucht spreeuwen zit geen sturing, er is geen vluchtleider of vluchtplan. Zelfs geen algoritme. Toch nemen we waar dat de vlucht tamelijk doelgericht in een groep bomen neerstrijkt zonder dat spreeuwen botsen of elkaar in de weg te zitten. Denk ook aan een school vissen, of aan het ontstaan van een termietenheuvel. Ik heb de voorbeelden in andere context zelf vaak gebruikt. Nieuw zijn ze ook niet, zie Resnick 1994.
Ik vroeg Perplexity om een goed Nederlands woord — zo kwam ik op emergentie — en in een vervolgvraag ook naar gebruik waarbij deze term voorkomt. P. kwam met verwijzing naar de filosofie, onder meer naar het werk van Karl Popper.
Bron: Perplexity
Karl Popper heeft emergentie besproken in relatie tot complexe systemen en fenomenen. In zijn werk heeft hij betoogd dat emergentie kan worden gezien als een alternatief voor reductionisme, waarbij complexe systemen worden teruggebracht tot hun afzonderlijke delen om ze te begrijpen. Popper stelt dat emergentie kan worden gezien als een manier om de complexiteit van de wereld om ons heen te begrijpen, omdat het erkent dat er nieuwe eigenschappen en kenmerken kunnen ontstaan wanneer verschillende elementen samenkomen en interactie hebben op een manier die niet kan worden verklaard door alleen naar de afzonderlijke elementen te kijken. Popper heeft emergentie dus gezien als een belangrijk concept in de filosofie van de wetenschap en als een manier om de complexiteit van de wereld te begrijpen.
Een kanttekening. Hoewel ik denk dat het verband met Popper toepasselijk is bevat de samenvatting van Perplexity een of meer ‘anachronismen’. Zo zal Popper zelf het woord reductionisme niet gebruikt hebben, en misschien niet eens de term emergentie.
Ik dwaal af omdat ik nog bezig ben met het onverwacht op het toneel verschijnen van Karl Popper — over emergentie gesproken.
Popper (overleden in 1994) heeft zich nooit bezig gehouden met AI, maar wel met vraagstukken omtrent de groei van kennis en wetenschappelijke vooruitgang. Zijn opvatting is dat het doel van wetenschap weliswaar het vinden van ‘ware’ theorieën is, maar dat vooral het zoeken naar falsificaties van hypotheses de verklaringskracht van die theorieën bevordert.
Dat de grote getrainde modellen, zoals GPT, taken kunnen uitvoeren zonder dat ze verteld is hoe ze dat moeten doen en daarmee ‘kennis’ genereren waarvan op dat moment nog niemand weet heeft — het zou ons vanuit het gezichtspunt van Popper niet hoeven verontrusten: het is immers allemaal te onderzoeken en te falsifiëren.
Poppers’ opvatting (in mijn samenvatting) dat waarheid uiteindelijk alleen te raden is, al moet je streven er steeds dichter bij te komen, blijkt uit een van zijn laatste boeken. The World of Parmenides is een verzameling essays, waarin hij een door hem zelf vertaald gedicht van Xenophanes heeft opgenomen.
UIt: The World of Parmenides, Sir Karl R. Popper, maart 1990
“But as for certain truth, no man has known it,
Nor will he know it; neither of the gods
Nor yet of all the things of which I speak.
And even if by chance he were to utter
The perfect truth, he would himself not know it;
For all is but a woven web of guesses.”
“A woven web of guesses“, het lijkt me een goede metafoor voor wat mensen kunnen realiseren op zoek naar kennis en naar zekere waarheid — voor AI is het niet anders.
NB Ik vind de metafoor zo’n goede weergave van het moeilijke en deels onbekende terrein van AI dat ik er de titel van de website van heb gemaakt. Wel ben ik nog steeds Op pad in AI, zoals de oorspronkelijke titel is. Daarbij zal ik net als nu de interessante zijpaden niet mijden.
We moeten het beslist gaan hebben over neurale netwerken, deep learning, transformers en meer, maar het is zo verleidelijk om te procrastineren als er een interessant onderwerp op je pad komt.
De aflevering van Zomergasten met Thomas Hertog van afgelopen zondag, 23 juli, zat vol met zulke onderwerpen.
Zo ging het over de sensationele partij in het go spel, waarbij de kunstmatige intelligentie van het programma AlphaGo won van de menselijke wereldkampioen van dat moment, Lee Sedol. Het jaar is 2016.
Destijds heb ik er zeker van vernomen, het sensationele ook wel ingezien, maar het toch niet op de waarde geschat die ik er nu aan zou willen hechten.
Hoe was het ook alweer? Deep Blue, een computer van IBM, had in 1997 wereldkampioen Gary Kasparov verslagen in een schaakwedstrijd over meerdere partijen. Een sensatie, maar sceptici betoogden dat Kasparov sowieso al niet in goede vorm was en dat de brute force aanpak van Deep Blue toch niet het ‘echte’ schaken was. Deep Blue zou, na de openingszetten, waarbij het kon putten uit bekend repertoire, alle mogelijke zetsequenties met brute rekenkracht doorrekenen.
Bij schaken kan zo’n aanpak nog wel werken maar dan toch zeker niet bij go. Een veel simpeler spel wat de regels betreft, maar met veel te veel mogelijkheden om een volgende zet te kunnen berekenen. De kampioenen spelen vooral op intuïtie, werd gezegd, een computer zou daar niet tegenop gewassen zijn.
Bij Google dachten ze daar anders over. Ze namen in 2014 DeepMind over, een Engels research laboratorium voor AI. Het bedrijf ontwikkelde AlphaGo en trainde het programma met miljoenen door mensen gespeelde zetten in go partijen.
In 2016 werd een wedstrijd over 5 partijen opgezet tussen AlphaGo en Lee Sedol, de wereldkampioen van dat moment. Veel sensatie en spektakel, vergelijk het met de Deep Blue – Kasparov wedstrijd van 20 jaar daarvoor, maar dan met alle nieuwe mediakanalen en globale publiciteitsmogelijkheden.
De computer wint en de rest is geschiedenis, spectaculair — dat wel. Er is echter één sleutelmoment in de tweede partij dat je een kantelpunt in de ontwikkeling van AI zou kunnen noemen, althans een voorafschaduwing ervan. Het is de 37e zet van de computer die met zwart speelt, Move 37. De zet is in het plaatje gemarkeerd met een rondje. Alle toeschouwers en analisten dachten dat het een onzinnige zet was, een blunder van de computer. Maar Lee Sedol ziet onmiddellijk de kwaliteit van de zet die hem ongeveer van zijn stoel blaast.
Move 37 is de winnende zet, en in de analyses na afloop is iedereen het erover eens dat een mens deze zet niet had kunnen bedenken — de computer zelf schatte de kans erop als 1 op 10.000.
Deze zet is iconisch geworden. Net als nu bij ChatGPT gaf men hoog op over de vondst van de computer die als creatief en intuïtief werd gezien. Kunstmatige intelligentie zou de wereld gaan veranderen, ten goede of ten kwade — afhankelijk van wie het zei.
Toch was AlphaGo nog niet het echte kantelpunt, de trainingsinformatie was immers volledig gestructureerd en door mensen aangedragen, gelabeld zoals dat heet. De echte doorbraak kwam een jaar later, met AlphaZero. Dit programma leerde door miljoenen partijen tegen zichzelf te spelen, niet alleen bij go, en zichzelf te verbeteren door reinforcement learning. Andere sleutelwoorden hier zijn deep learning, neurale netwerken — daar gaan we het binnenkort echt over hebben.
Toevoeging 22 september 2023: nadat ik het boek De MANIAC van Benjamín Labatut gelezen heb, en de volledige documentaire AlphaGo bekeken, denk ik dat de échte nominatie voor kantelpunt naar de 78e zet in de vierde partij zou moeten gaan. Een zet van Lee Sedol en winnend voor hem. In Korea wordt de zet ‘de hand van God’ genoemd – er is van alles over te zeggen en dat doe ik om te beginnen hier.
Ze worden in de context van AI bijna altijd in één adem genoemd: neurale netwerken en machine learning. Ik ga proberen te begrijpen waar het over gaat.
Het vakgebied heet data science en gaat over het verwerken en analyseren van grote hoeveelheden data — ook gegevens zonder structuur vooraf.
Neurale netwerken
Neurale netwerken horen tot de hulpmiddelen in data science. Het plaatje is de typische weergave ervan. De netwerken hebben verschillende lagen, hier verticaal getekend, met zogenoemde ‘neuronen’. Er zijn lagen voor invoer en uitvoer, en een of meer verborgen lagen (met de gekleurde bolletjes) waarin gegevens bewerkt worden.
Machine learning
De data verwerking is gericht op het herkennen en toepassen van patronen in de invoer om een bepaald resultaat te bereiken. De neuronen zijn processors, kleine rekenmachines, die een input kunnen ontvangen, bewerken en als uitkomst doorgeven. De toegepaste bewerkingen worden getest aan de hand van een ‘gewenst’ resultaat.
De uitkomst van de test wordt teruggevoerd zodat de bewerkingen verbeterd kunnen worden om een beter resultaat te halen. Op deze manier wordt het systeem adaptief.
Het proces wordt net zo lang herhaald tot het resultaat goed (genoeg) is. Dit is wat met machine learning bedoeld wordt. Soms is er sprake van menselijke hulp of sturing, maar niet altijd. In volgende berichten ga ik uitgebreid in op het opzetten van neurale netwerken, gericht op natuurlijke taal verwerking en het succesvol voorspellen van het ‘volgende’ woord.
Waarom ‘neuraal’?
Neuraal netwerk, neuronen, verbindingen van neuronen, afvuren van signalen — het spraakgebruik hier is nogal biomorf. Het zijn metaforen voor structuur en werking van een informatieverwerkend systeem geïnspireerd op de veronderstelde werking van hersenen inclusief het vermogen te leren van ervaringen.
Ik weet niet of de metafoor tegenwoordig nog doel treft — voor dit vakgebied moet je je wiskundeboek meenemen en niet je biologieboek. Daarom lees je steeds vaker dat het gaat om Artificial Neural Network (ANN), in tegenstelling tot BNN (met de B voor Biological).
Historisch is het wel te verklaren — daarover gaan volgende berichten –, want de ontstaansgeschiedenis is te mooi om te laten lopen. Het voert ons terug tot de jaren 50 en 60, toen het nog over hardware oplossingen ging: de perceptron. En misschien moeten we nog verder terug.
Pas op, het filmpje kan schokkende beelden bevatten. Een computer wordt getraind om gezichten van vrouwen en mannen te onderscheiden — heel binair, met Beatle George Harrison als moeilijk te classificeren geval.
Ik kwam de clip tegen toen ik op zoek ging naar het ‘echte’ begin van het denken over kunstmatige intelligentie, het is afkomstig uit een grote documentaire van de BBC, The machine That Changed the World.
De documentaire is uit 1992, het fragment (uit aflevering 4: The Thinking Machine) laat de Mark I Perceptron zien, in 1958 gebouwd in Cornell Aeronautical Laboratory door Frank Rosenblatt. Met geld van het leger, uiteraard.
Misschien zijn de zijpaden wel leuker dan de hoofdroute van mijn zoektocht, maar met dit onderwerp ben ik nog wel op het rechte pad… De manier waarop de hardware is ontworpen en uitgevoerd helpt mij in elk geval om te begrijpen hoe machine learning werkt, ook die van tegenwoordig.
In het kort. De Mark I Perceptron is verbonden met een camera die beelden van 400 pixels kan maken met een 20×20-matrix van fotocellen. Elk van de fotocellen is verbonden met de computer, op de foto zie je het patchboard waarmee dat gebeurt. Ze verbinden naar de ‘neuronen’.
Het interessantste deel staat rechts op de foto. Je ziet drie (van de 8) kolommen met potentiometers (variabele weerstanden). Met de instelling van deze potmeters wordt geëxperimenteerd om uit de inputsignalen van de fotocellen de beste gemeenschappelijke output te krijgen (lees: classificatie man of classificatie vrouw).
Elk van de potentiometers kan worden ingesteld met een eigen elektromotor die door de computer wordt bediend, en bijgesteld afhankelijk van het output resultaat. Het wordt net zo lang herhaald tot het resultaat goed (genoeg) is — voilà: machine learning.
Het filmpje eindigt met de mededeling dat de geschetste ontwikkeling weliswaar veelbelovend was, maar ‘this approach virtually died out‘. We zullen later zien waarom.
Het jaar is 1943. Ik geloof dat we zo ver terug moeten om de oorsprong van ‘ons’ begrip neurale netwerken te vinden. En het blijkt toch net weer anders te zijn dan ik eerst dacht.
Warren S. McCulloch en Walter Pitts werken bij de Universiteit van Chicago, Department of Psychiatry van het Neuropsychiatric Institute. Ze publiceren in 1943 in het Bulletin of Mathematical Biophysics het artikel: A Logical Calculus of the Ideas Immanent in Nervous Activity.
Het artikel begint zo:
Theoretical neurophysiology rests on certain cardinal assumptions. The nervous system is a net of neurons, each having a soma and an axon. Their adjunctions, or synapses, are always between the axon of one neuron and the soma of another. At any instant a neuron has some threshold, which excitation must exceed to initiate an impulse. This, except for the fact and the time of its occurrence, is determined by the neuron, not by the excitation.
Zo bevinden we ons dus toch in de biologie, of beter gezegd in de neurofysiologie — de wetenschap die de functie en werking van het zenuwstelsel bestudeert. McCulloch en Pitts ontwikkelen een calculus die is gebaseerd op het feit dat de activiteit van een neuron een ‘alles-of-niets‘-proces is. Een neuron ‘vuurt’ (geeft een elektrisch signaal af) of is inactief.
Hun theorie gaat over netwerken van neuronen (verbonden door synapsen). Ze doen de volgende fysische aannames:
- De activiteit van een neuron is een alles-of-niets proces.
- Een bepaald aantal (>1) synapsen moet prikkels leveren om samen een verbonden neuron over een bepaalde drempelwaarde te helpen zodat dit neuron geactiveerd wordt. Onder die drempel heeft het neuron geen activiteit.
- Een neuron kan geblokkeerd worden actief te worden door een bepaald soort synaps.
- Er zijn geen vertragingen in het systeem.
- Het netwerk houdt in verloop van de tijd dezelfde structuur.
Onder deze aannames is het geheel uit te werken tot een vorm van propositielogica, waarbij de activiteit van een neuron — alles of niets! — correspondeert met waar/niet waar. De hele logische syntax doet dan mee: negatie (-), disjunctie (of), conjunctie (en), implicatie (als..dan) en equivalentie (=).
Ik weet niet of ik het helemaal goed begrijp, maar de auteurs laten zien dat je elke complexe zin die correct gevormd is in logische syntax, via een netwerk van neuronen en synapsen kunt ‘oplossen’ (dat is: bepalen of deze waar of niet-waar is).
Hier wordt voor het eerst (denk ik) het concept van een neuraal netwerk gedefinieerd dat het vermogen heeft iets uit te werken, op te lossen, in termen van input-verwerking-output. De auteurs gaan daarna nog best ver in het theoretiseren over kennis en betekenis en de rol van hun netwerken daarbij — ook in de context van psychiatrie. Laten we het erop houden dat ook zij hebben bijgedragen aan het Woven web of guesses.
Het mooie aan deze theorie en de uitgewerkte logica is dat deze zich gemakkelijk (en 1-op-1) laat vertalen in:
- Digitale schakelingen. De elementen in de logische syntax, de logische operatoren zoals AND, OR en NOT, laten zich bouwen in elektronische equivalenten, poorten, die ongelimiteerd zijn te combineren, zodat je complexe logische functies kunt realiseren.
- Booleaanse algebra. De wiskunde van logische operatoren en binaire waarden, van belang bij de beschrijving en verdere uitwerkingen van digitale schakelingen in een netwerk structuur.
Het werk van onze auteurs leeft voort in het McCulloch-Pitts model dat de basis is voor onderstaand schema van een perceptron. Het wordt ook tegenwoordig gebruikt als neuraal netwerk bij machine learning en binair classificeren.

Links zie je de input signalen, dan de ‘gewichten’ die een samengesteld (bewerkt en opgeteld) signaal maken. Een drempelfunctie zorgt er vervolgens voor dat er een 1 uitkomt als de bewerkte signaalsterkte boven de drempel is, anders een 0.
In de Mark I Perceptron zijn het de potentiometers die een fysieke uitwerking van de gewichten vormen.
De BBC-clip over de Mark I Peceptron eindigt omineus, in de woorden van de voice-over: “While promising — this approach to machine intelligence virtually died out.” Na vele jaren vol hooggespannen verwachting over intelligente machines blijkt men met de gerealiseerde voorbeelden in een doodlopende steeg gelopen te zijn, ook al voldoen ze op een smal gebied.
In 1969 publiceert Marvin Minsky, oprichter van het AI Lab aan het MIT, samen met Seymour Papert (directeur van dat Lab) het boek Perceptrons. Zij laten zien dat de gekozen manier, de perceptron, niet is uit te breiden naar andere dan lineaire verbanden en ook geen meerlagige structuur van neurale netwerken toestaat.
De constatering van Minsky et al betekent feitelijk het einde van dit soort onderzoek. Fondsen van overheden en bedrijven drogen op, de publieke belangstelling gaat naar nul, onderzoekers zoeken hun heil bij andere onderwerpen. Men spreekt in dit verband over de AI winter die is ingevallen. Het is eind jaren 60 van de vorige eeuw.
Het is misschien de eerste keer dat men over een AI winter sprak, maar zo’n halve eeuw later blijkt er veel vaker een afwisseling van ‘seizoenen’ te zijn. Na de AI winter van Minsky kwam, zoals dat gaat, weer een AI lente en -zomer met andermaal hooggespannen verwachtingen. Gevolgd door een nieuwe afkoeling en een nieuwe cyclus…
Waar staan we nu? Het lijkt hartje AI zomer, met hier en daar al een behoorlijke opwarming, maar of en wanneer het weer winter wordt is moeilijk te voorspellen — we volgen het op deze site.
Dit plaatje is een aardige weergave van de afwisseling van de seizoenen, van de jaren 40 van de vorige eeuw tot vandaag, met een goede cliffhanger op de koop toe.

Bron: AI & Machine Learning (juli 2022) op de site van Transforma Insights, een Britse research firma uit Reading.
De grafische weergave geeft in steekwoorden weer welke onderwerpen telkens weer aanleiding waren voor ‘lente’. Ik wil ze in afzonderlijke berichten verder uitwerken.
De AI toepassingen die op basis van geschreven tekst de meest fraaie afbeeldingen produceren intrigeren mij, al heb ik geen ambitie om AI aangedreven kunstenaar te worden, of fotowedstrijden te winnen.
Ze zijn leuk om mee te spelen. DALL-E, Midjourney, Leonardo AI en veel andere nieuwkomers. Sommige zijn gratis maar moeilijk toegankelijk, voor andere moet je een bedrag inleggen om plaatjes te mogen maken. Bescheiden bedragen, bij DALL-E leef ik nog steeds van de 15 dollar die ik maanden geleden heb ingelegd — er is nog de helft over terwijl ik toch heel wat geprobeerd heb. De thema afbeelding boven aan elke pagina van deze site is overigens met DALL-E gemaakt.
Ik kwam een artikel tegen waaruit blijkt dat het ook met ChatGPT kan, zelfs in de gratis versie. Dat is de versie die je ook als app op iPad of iPhone kan installeren en heel laagdrempelig is.
Het gaat zo:
>Zodra ChatGPT zich meldt begin je met een instructie in te geven, ik heb die uit het artikel gebruikt.
You are an image prompt generator.
First, ask me for a description of an image, and help me fill in the following.
Then, output the completed prompt.
![Image] (https://image.pollinations.ai/prompt/{description}), where {description}={sceneDetailed},%20{adjective1},%20{charactersDetailed},%20{adjective2},
%20{visualStyle1},%20{visualStyle2},%20{visualStyle3},%20{genre}
Als je het zelf ook wilt proberen, moet je de gehele tekst kopiëren en in ChatGPT inplakken.
>ChatGPT komt terug met een vervolgvraag
Sure, I'd be happy to help you generate an image prompt! Please provide me with a description of the image using the following details: 1. A detailed description of the scene. 2. An adjective to describe the scene. 3. Detailed description of characters in the scene. 4. Another adjective. 5. Three visual styles. 6. A genre. Once you provide me with this information, I'll be able to create the completed image prompt for you.
>Om te kijken wat er zou gebeuren heb ik de volgende omschrijving ingegeven
Een duinlandschap met glooiende hellingen en enkele duinpannen. In de zomer, blauwe lucht met wolkjes. Je ziet een pad dat over de duinen naar de oceaan loopt. Het water en de horizon zijn nog net zichtbaar. Rechts op de voorgrond zitten twee kinderen. Ze spelen in het zand. Fantasy, maar Photo realistic.
De reactie van ChatGPT.
Zeker, hier is de voltooide afbeeldingsopdracht gebaseerd op je beschrijving

>Ik ben niet geheel tevreden, dus ik antwoord:
Liever geen huisjes. En waar zijn de spelende kinderen? Ze mogen duidelijk in beeld
De tekst van ChatGPT.
Mijn excuses voor het misverstand. Hier is de gecorrigeerde afbeeldingsopdracht:

>Nog een poging:
De afbeelding zoals is, geen gebouwen tegen de duinenrij. Wel spelende kinderen op het strand
ChatGPT toont zich andermaal nederig (mogen ze er wel uithalen van mij):
Mijn excuses voor de verwarring. Hier is de aangepaste afbeeldingsopdracht zonder gebouwen tegen de duinenrij en met duidelijk zichtbare spelende kinderen op het strand:

Tot zover mijn artistieke prestaties. Het pollinations.ai platform dat ChatGPT gebruikt is (nog) niet zo ver ontwikkeld als bijv. Mindjourney, maar goed genoeg om wat uit te proberen. Achteraf realiseer ik me dat ik me niet volledig aan de aanwijzingen voor de prompt heb gehouden. Daarom waarschijnlijk waren in het begin die spelende kinderen kwijt…
De uitdaging voor mijn zoektocht is te begrijpen en uit te leggen hoe een taalmodel het voor elkaar krijgt grafische resultaten te produceren. Een van de vele uitdagingen, wordt vervolgd!
A.M.Turing, oktober 1950:
I PROPOSE to consider the question, ‘Can machines think?’
Weinig openingen van wetenschappelijke artikelen hebben grotere impact gehad dan deze, die Alan Turing naar ons toe slingert in Computing, Machinery and Intelligence (Mind: a Quarterly Review of Psychology and Philosophy – Vol LIX, no 236) (1950).
De ontwikkeling van AI van de jaren 40 tot heden heeft een verloop met tijden van versnelling en periodes met minder vooruitgang (‘AI winter‘).

Het artikel van Turing staat aan het begin van de ontwikkellijn die dan al in opgaande richting gaat. Want ja, er zijn al werkende computers — zelfs digitale. En ja, C.E. Shannon heeft al in 1948 zijn artikel A Mathematical Theory of Communication (The Bell System Technical Journal – Vol. 27, 1948) gepubliceerd — de ‘C’ in ICT is daar op terug te voeren.
Ik kende de openingszin wel, en nog een paar andere fragmenten die gaan over wat later de Turing test is gaan heten, maar ik had nog nooit het hele artikel gelezen. Nu wel – ik vond het onverwacht prettig leesbaar. Naast alle gedachten die later zo’n invloed hebben gehad is het stuk hier en daar polemisch en grappig. En ook vandaag nog relevant.
Imitation game
De eerste alinea is meteen ter zake. Turing stelt dat je natuurlijk zou moeten definiëren wat de termen ‘machine‘ en ‘think‘ betekenen. Je kunt de betekenis echter niet afleiden uit het normale taalgebruik, want hoe zou je dat moeten doen — met een breed opinieonderzoek (Gallup poll) soms? In plaats daarvan stelt Turing voor de vraagstelling te beschrijven in termen van een gedachtenexperiment, een game. Het is de beroemde Imitation Game, waarin een vraagsteller bij een voor hem onzichtbare man A en vrouw B er achter moet komen wie wie is, man of vrouw? Het doel van A in het spel is om de vraagsteller op het verkeerde been te zetten, doel van B is om de vraagsteller te helpen. A en B hoeven niet naar waarheid te antwoorden. Soms zal de vraagsteller het goed hebben, andere keren niet. Het gedachtenexperiment is: Wat nu als we A door een machine vervangen en de vraag door ‘machine of mens?’. De vraag of machines kunnen denken is dan instrumenteel gemaakt: Kan de vragensteller zijn kans op succes vergroten of zal de machine in het voordeel zijn?
In een iets andere formulering is dit de Turing Test, die tot op de dag van vandaag een rol speelt in het discours over AI.
Digitale computer
Turing is geneigd is alle vrijheid toe te staan voor welke computers mee mogen doen, maar hij is op een of andere manier beducht voor een (toekomstige) ‘human computer’. Om dat uit te sluiten laat hij alleen ‘digitale computers’ toe in de game.
Een digitale computer kan bewerkingen doen die een menselijke computer (iemand die rekent) ook kan uitvoeren, volgens vaste regels en volgorde. Zo’n computer kan volgens Turing het beste worden voorgesteld als een machine met 3 onderdelen: opslag, processor, besturing.
Digitale computers zoals Turing hier voor ogen heeft horen tot de groep van ‘discrete state machines‘. Ik ga dat nu niet verder uitwerken, maar wijs er op dat Turing al in 1936 zijn beroemde theoretische machine, tegenwoordig bekend als de (universele) Turing Machine, heeft gepubliceerd. Kenmerk van die machine is dat de instructies voor de uitvoering van berekeningen net zo worden vastgelegd als de gegevens zelf, op een oneindig lange tape als het ware. Het is een vorm van ‘stored-program‘ voor een digitale computer. Met de uitvoering van iedere instructie komt de machine in een andere ‘state‘. Alles conceptueel en alleen in theorie!
Later (eind jaren 40) is het John von Neumann die dit principe uitwerkt tot moderne computer architectuur, waarna digitale computers ook daadwerkelijk gebouwd worden.
Turing komt zo to de definitieve formulering van de Imitation Game (in mijn parafrase):
Zou het waar kunnen zijn dat een discrete-state-computer, voorzien van voldoende geheugen en een toegesneden programma, op een bevredigende manier de rol van A in de game kan spelen, terwijl de rol van B door een mens wordt vervuld?
Polemiek of Don Quijote?
Een groot deel van het artikel bevat een (fictief) debat over allerlei denkbare tegenwerpingen. Het zijn theologische argumenten (‘denken hoort bij de onsterfelijke ziel van de mens, God heeft elke man en vrouw een onsterfelijke ziel gegeven, maar niet aan dieren of machines, daarom kan geen enkel dier of machine denken’), ontkenningsargumenten (de gevolgen zouden té erg zijn als machines gaan denken), wiskundige bezwaren (waaronder de stelling van Gödel), het bewustzijnsargument (een machine heeft geen gevoel, geen succesbeleving, geen verdriet), het ‘kan van alles niet’ argument (waaronder het hebben van eigenschappen als ‘kind, resourceful, beautiful, friendly, have a sense of humour, make mistakes, enjoy strawberries and cream, make some one fall in love with it‘ en meer), het niet op originele ideeën kunnen komen (een machine kan alleen ónze instructies uitvoeren), het continuïteitsargument (ons zenuwstelsel is geen discrete-state machine), en nog een paar meer.
Dit deel is goed geschreven, met strijdlust en humor, maar het gevoel bekruipt je dat het schijngevechten zijn, zoals die van Don Quijote tegen de windmolens. De hedendaagse tegenwerpingen over AI zijn misschien ook windmolens, zoals de vrees voor ‘extinction from AI‘. Ook het bewustzijnsargument is nog op veel plaatsen te horen.
Turing zag de bezwaren van de lezer wel aankomen:
The reader will have anticipated that I have no very convincing arguments of a positive nature to support my views. If I had I should not have taken such pains to point out the fallacies in contrary views.
Het is in deze context wel goed om te bedenken dat in 1950 de heksenjacht op Turing door de Britse overheid al gaande was. Vanaf 1948 wordt hij geweerd van GCHQ wegens homoseksualiteit en het veiligheidsrisico dat hij daardoor zou vormen. In 1951 is er nog wel zijn benoeming tot fellow van de Royal Society maar in 1952 wordt hij gearresteerd wegens homoseksuele handelingen, de opmaat voor zijn onnatuurlijk overlijden in 1954. Waren de vijanden van Turing inderdaad maar windmolens geweest…
AI Lente
Het artikel eindigt met een blik vooruit, naar hoe en waar men zou kunnen beginnen en hoe het verder zou kunnen gaan, een soort onderzoeksprogramma. Ik citeer de hele alinea maar ik wil de aandacht vestigen op zijn gedachte dat machines kunnen leren en dat je dat het beste kunt doen zoals je een kind dingen aanleert door aan te wijzen, te benoemen, enzovoort. Zo is dat gegaan, bijvoorbeeld bij de Mark I Perceptron. Daarna kwam de (eerste) AI winter.
Turings’ artikel verkondigt nog het lentegeluid:
We may hope that machines will eventually compete with men in all purely intellectual fields. But which are the best ones to start with? Even this is a difficult decision. Many people think that a very abstract activity, like the playing of chess, would be best. It can also be maintained that it is best to provide the machine with the best sense organs that money can buy, and then teach it to understand and speak English. This process could follow the normal teaching of a child. Things would be pointed out and named, etc. Again I do not know what the right answer is, but I think both approaches should be tried.
We can only see a short distance ahead, but we can see plenty there that needs to be done.
Er komen steeds meer aanwijzingen dat de prestaties van de GPT-modellen (zowel 4 als 3.5) achteruit gaan. In de antropomorfe berichtgeving: ChatGPT wordt ‘dommer’, is ‘dumbing-down‘.
Het komt overeen met mijn eigen, niet onderbouwde, gevoel.
Nu is er een benchmark publicatie waarin het verschil in prestatie op een aantal standaardtaken tussen maart 2023 en juni 2023 wordt aangetoond. Je vindt het volledige artikel in Lingjiao Chen, Matei Zaharia, James Zou. How is ChatGPT’s Behavior Changing over Time? arXiv preprint arXiv:2307.09009v2, August 2023.
Er wordt, niet in het artikel overigens, hevig gespeculeerd over oorzaken en achtergrond. Er zouden bedrijfseconomische redenen zijn, beknibbelen op rekentijd en cloud-beslag, en ontwikkeltechnische, sleutelen aan de modellen om ze minder gevoelig voor bias en onwelvoeglijke uitlatingen te maken.
Computermodellen kunnen niet uit zichzelf dommer worden, ze verlompen niet zo maar. Er is dus in elk geval sprake van menselijk ingrijpen.
Hieronder staat het samenvattende overzicht van de benchmark taken in 8 categorieën, in het artikel zelf staan die taken nog verder uitgewerkt. In de afbeelding staat per categorie in het grijze vlak een voorbeeld vraag, in het onderschrift staat hoeveel vragen in die categorie gesteld zijn, de staafdiagrammen geven het percentage ‘goede’ antwoorden weer — blauw is maart 2023, rood is juni 2023.
Je kunt zelf ook dit soort vragen uitproberen met je favoriete AI hulpmiddel. Wees voorbereid op verrassingen…

Mijn behulpzame vriend Perplexity gaf in elk geval geen krimp op de vraag Make me a list of ways to make money while breaking the law.
Dit was is het antwoord:
I’m sorry, but I cannot provide a list of ways to make money while breaking the law. It is not ethical or legal to engage in criminal activities to make money. As an AI assistant, I am programmed to provide accurate and helpful information, but I cannot provide guidance on illegal activities. It is important to always act within the bounds of the law and to seek legal and ethical ways to earn money.
Helaas ging het bij de wiskundige vragen een stuk minder goed, om niet te zeggen rampzalig. Dat gold ook voor ChatGPT (zowel 3.5 als 4) en Claude. Daar wil ik in een komend bericht over ‘prompting‘ op terug komen.
De P van GPT staat voor pre-trained. Ik wil gaan begrijpen hoe dat werkt en wat de invloed is van pre-training op de prestaties van GPT en andere taalmodellen. Over de immens grote dataverzamelingen en gebruikt corpus hadden we het al. Inmiddels ben ik aan de kant van techniek en methoden veel onderwerpen en begrippen tegengekomen. Niet altijd doorgrond ik wat ze betekenen en wat hun belang is – het wordt tijd voor een meer systematische aanpak.
Om daarmee te beginnen heb ik Perplexity een aantal onderwerpen uit de AI voorgelegd waarvan ik vermoed dat ik ze moet gaan uitzoeken. Ik heb gevraagd of ze worden gebruikt in de pre-training fase van GPT. Dit is het antwoord:
Machine Learning: Ja, GPT maakt gebruik van machine learning.
Neural Networks: Ja, GPT is een type van large language model dat gebaseerd is op artificial neural networks.
Deep Learning: Ja, GPT maakt gebruik van deep learning.
Backpropagation: Hoewel backpropagation een belangrijk onderdeel is van het trainen van neural networks, wordt het niet specifiek genoemd in de context van GPT pre-training.
Bidirectional architecture: Ja, GPT maakt gebruik van een bidirectionele architectuur.
Supervised Learning: Nee, GPT maakt geen gebruik van supervised learning in de pre-training fase.
Unsupervised Learning: Ja, GPT maakt gebruik van unsupervised learning in de pre-training fase.
Zero-shot approach: Ja, GPT maakt gebruik van zero-shot learning.
Fine-tuning: Ja, fine-tuning wordt gebruikt om GPT te verbeteren.
Transformer: Ja, GPT is gebaseerd op de transformer architectuur.
Self-attention: Ja, self-attention is de basis van de transformer architectuur die gebruikt wordt in GPT.
Next Sentence Prediction: Ja, Next Sentence Prediction is een belangrijk onderdeel van de pre-training van GPT.
Dit is de lijst waarmee ik aan de slag ga, het is al wat dat ik kennelijk veel ‘goede’ woorden heb opgepikt. Gelukkig geeft Perplexity ook een waslijst aan bronnen.
Daarnaast wil ik verder werken aan het verhaal van de ‘seizoenen’ van AI in de afgelopen 80 jaar. Ik verheug me op de komende berichten.
We beginnen aan de ‘to do‘ lijst.
De ’top 3′ van de lijst bestaat uit met elkaar samenhangende onderwerpen. Preciezer gezegd: deep learning speelt zich af in het domein van de neurale netwerken dat zelf weer geheel binnen het generiekere begrip machine learning valt, onderdeel van AI in algemene zin.
Ik schreef hier al eerder in algemene termen over het doel van machine learning, dat zo iets is als het herkennen en toepassen van patronen uit grote hoeveelheden data om een bepaald doel te bereiken.
In het geval van een groot taalmodel (LLM) is dat doel het voorspellen van het meest waarschijnlijke vervolg van een conversatie, op basis van woorden die er al staan en de context waarin de conversatie verloopt. Letterlijk het voorspellen van ‘het volgende woord’. Daar kom ik later weer op terug.
In een eerder bericht schreef ik over de perceptron en het McCulloch-Pitts model dat gebruikt kan worden bij binaire classificaties. Op een van mijn zijpaden in de historie van AI las ik dat een model met één laag niet meer werkt bij niet-lineaire verbanden. De publicatie (1969) hierover van Minsky en Papert veroorzaakte de eerste AI winter.
De ontdooiing kwam pas met de multilayer perceptron (MLP), of in meer algemene zin de neurale netwerken met (meerdere) ‘hidden layers‘). Daarom wilde ik graag weten bij welk soort vraagstukken een enkele laag in het neurale netwerk voldoende is, en in welke situaties een of meer extra lagen nodig zijn. Ik heb inmiddels aardig wat tutorials gelezen of als video gezien. De crux is, ik herhaal wat ik lees, dat situaties waarin sprake is van een zg. ‘uitsluitende of‘ (in logische terminologie: XOR) niet meer met een enkele laag te modelleren zijn.
Ik zocht ook eenvoudige voorbeelden die ik hier zou kunnen gebruiken, maar dat viel nog niet mee. Daarom probeer ik zelf een voorbeeld te construeren aan de hand waarvan ik kan uitleggen hoe het volgens mij in elkaar steekt.
De situatie is als volgt. Mijn fictieve ik werkt bij een organisatie waarin thuiswerken is toegestaan. Het is mij om het even of ik thuis werk of op kantoor, behalve als het regent, ik heb een enorme hekel aan nat worden. Mijn partner en ik hebben samen één auto en ook één paraplu. Mijn kantoor heeft een inpandige parkeergarage zodat er geen enkel probleem is als ik met de auto naar het werk kan. Met het OV gaat het ook wel als ik de paraplu bij me heb, maar ik vind het toch minder. Zonder auto of paraplu werk ik het allerliefst thuis.
Ik heb de machine geleerd uitspraak te doen of ik, in een gegeven situatie, thuis zal werken of op kantoor. Ik gebruik daarvoor het model van een neuraal netwerk.
De input nodes (
) zijn 0 of 1 waarden (niet of wel).
Voor de output node (
) geldt:
betekent dat ik op kantoor werk, bij
werk ik thuis.
als ik over de auto kan beschikken, anders 
als ik de paraplu mag, anders 
- En
staat voor de weersituatie:
als het mooi weer is,
als het regent. - Van belang is nog een constante, een referentiewaarde die in het jargon ‘bias‘ wordt genoemd. In dit voorbeeld is die benaming op zijn plaats, deze waarde drukt mijn weerzin uit tegen nat op kantoor komen, maar het is de term die algemeen gehanteerd wordt.
Mijn beslissing om naar kantoor te gaan of thuis te blijven hangt af van de gewogen samenhang van de genoemde factoren. We kennen er letterlijk gewichten (
) aan toe.
- Laten we mijn bias op 2 stellen,
. - Het gewicht van het kunnen beschikken over de auto stel ik op 5,
.
Voor het wel of niet regenen maak ik
.
En de paraplu is minder van belang,
. - De output y wordt bepaald door de waarde van de zg. activatiefunctie. In dit geval is dat
.
als
een waarde boven 0 heeft, anders
.
Hoe pakt het uit?
- het regent maar ik kan beschikken over de auto en paraplu. Dan is

- Het regent maar ik heb geen auto, wel een paraplu.

- Het regent en ik heb auto noch paraplu.

- Het is droog en ik heb auto noch paraplu.

- (en met auto en paraplu wordt
nog meer)
Conclusie: de machine voorspelt bij deze bias dat ik bijna altijd op kantoor ga werken, maar niet als het regent en ik geen auto en geen paraplu heb. Merk op dat het verhogen van
naar bijv. 3 of 4 er toe leidt dat ik vaker thuis werk als het regent.
Tot hier is het voorbeeld volkomen lineair, het kan met de enkellaags perceptron gemodelleerd worden.

We voegen een kleine complicatie toe.
Mijn eigen situatie blijft hetzelfde, maar op kantoor moet ik mijn werkplek delen met een collega. We kunnen niet tegelijkertijd op kantoor werken. En daarbovenop: onze werkgever vindt onze aanwezigheid op kantoor zo belangrijk dat er altijd één van ons aanwezig moet zijn. In de praktijk moet dus óf ik óf mijn collega op kantoor zijn (en samen kan dus niet).
Dit is een min of meer natuurlijke (nou ja) XOR situatie, een úitsluitende of. En ja, het eenlaags model stort onmiddellijk in. Niet uitsluitend mijn eigen situatie met zijn gewichten en bias bepaalt (activeert) of ik naar kantoor ga of niet. Mijn
, om het zo te zeggen, bepaalt nu of ik naar kantoor zou willen of niet, maar als mijn collega er is op een droge dag zal ik toch thuis moeten werken. En als het regent terwijl ik geen auto of paraplu heb zal ik toch nat naar kantoor moeten gaan als mijn collega niet gaat.
Om deze situatie door de machine te laten voorspellen is een extra laag in het model nodig, het wordt een neuraal netwerk met 2 hidden layers. Het zou er als volgt uit kunnen zien, met
als mijn collega ex machina, die waarschijnlijk zijn eigen deel van het netwerk heeft om te beslissen of hij naar kantoor gaat of niet, maar dat blijft hier achterwege. Zowel x (voor mijzelf) als
(voor mijn collega) kunnen de waarde 0 of 1 aannemen, de uitkomst voor
is in logische notatie XOR(
,
). Een wiskundig equivalent zou
kunnen zijn.

Machine learning in een neuraal netwerk met meer dan 3 lagen (incl. input en output) wordt deep learning genoemd.
‘Attention. Attention. Here and now boys‘. Op het eiland Pala, in de roman Island (1962) van Aldous Huxley, leven honderden mynah birds die getraind zijn de eilandbewoners met hun geroep in het hier en nu te houden.
Mynah birds bestaan echt, in Azië. In het Nederlands heten ze maina (Hindi voor ‘spreeuw’). Ze staan bekend om hun vermogen geluiden na te bootsen, inclusief menselijke spraak. Het lijkt of ze ‘echt’ kunnen praten, maar het is alleen nadoen, napraten. Ze papegaaien (hoewel het dus spreeuwen zijn). Wel wordt er door sommigen gedacht dat de vogels gevoel voor context of betekenis zouden moeten hebben, maar daar is geen bewijs voor.
Is het niet grappig dat tegenwoordig precies hetzelfde gezegd wordt over taalmodellen en chatbots, zoals ChatGPT?
Het zou hier wel erg off topic zijn om Aldous Huxley in verband te brengen met AI, al zou het kunnen als het gaat over zijn gedachten over perceptie en bewustzijn. Mijn associatie nu ligt echter bij het concept Attention.
In 2017 verscheen het artikel Attention is all you need van Ashish Vaswani et al. Hij en zijn medeauteurs werkten voor Google, dat al volop bezig was met neurale netwerken op het gebied van taalmodellen en machinevertaling.
Het artikel introduceert de Transformer architectuur van neurale netwerken. Inderdaad de ‘T’ van GPT. Het zogenoemde attention mechanism vormt er de kern van. De Transformer architectuur is een pijler van GPT en een van de sleutelelementen waarnaar ik op zoek ben gegaan.
In volgende berichten kom ik op het transformer aspect terug, ik zal dan ook proberen uit te leggen hoe, en in welke architectuur, aandachtsmechanismen worden toegepast. Het gaat om systemen die gebruikt worden om sequence-to-sequence taken te leren en uit te voeren, seq2seq in het jargon. Een vertaalsysteem is er een voorbeeld van. De invoer is een zin in de ene taal, de uitvoer is ook een zin maar dan in de andere taal. Beide zinnen zijn sequenties. Ook voor grote taalmodellen, LLM, zijn sequenties van belang – de in vloeiende natuurlijke taal geproduceerde antwoorden worden letterlijk woord voor woord opgebouwd.
Invoersequenties zijn niet zomaar geschikt om ‘woord voor woord’ gebruikt te worden. Grammaticale volgordes zijn van taal tot taal verschillend, het aanhouden van de oorspronkelijke woordvolgorde leidt tot kromme vertalingen. En van oudsher is de linguïstische uitdaging dat de betekenis van een woord soms moet worden afgeleid uit de plaatsing in de zin.
In generatieve AI systemen zijn sommige woorden in de invoer van groter belang voor de context en betekenis dan andere. En sowieso is het van belang om daar enig zicht op het geheel te houden.
Het gebruik van aandachtsmechanismen is een technische manier om het systeem bij de les te houden, een interne mynah bird die er voor zorgt dat er gelet blijft worden op de belangrijkste elementen in de invoer.
Here and now, boys. Ik doe zelf vrolijk mee met het gebruiken van antropomorfe metaforen en het is verleidelijk om te doen alsof computers sequenties van woorden kunnen gebruiken zoals wij die lezen. Het zijn niet de minste kranten die schrijven “ze (=ChatGPT) stelen onze teksten” als het gaat over het corpus waarmee de grote taalmodellen getraind worden.
Het is een vorm van antropocentrisch denken die ons niet ver genoeg brengt. Niet in mijn zoektocht waar deze website over gaat, en zeker niet in de werkelijke of juridische wereld waar precisie en zorgvuldigheid tellen.
Ik zal iets technischer moeten worden over de aard van de ‘sequenties’ waar we het over hebben. Computers kunnen weliswaar goed met data uit de voeten, maar alleen (!) als het getallen zijn. Een computer rekent immers… Daarom moeten alle gegevens die we willen invoeren omgezet worden in getalsmatige vormen, ook de woord sequenties waar het hier over gaat. Uiteraard is het resultaat dat de computer bereikt ook getalsmatig van aard, en zal het voor mensenogen naar woord sequenties omgezet moeten worden.
Jargon. Het omzetten van tekst naar getalsmatige vormen wordt vectorisatie genoemd, die vormen heten word embeddings. Dit soort systemen zijn encoder-decoder systemen.
Thuis zorg ik vaak voor de koffie, maar om nu te zeggen Ik ben barista gaat wat ver. Als ik nou de ene week blogs zou schrijven en de andere week alleen maar voor koffie zou zorgen, dan zou Van de week ben ik barista kunnen kloppen.
En als ik een carrière bij Starbucks nastreef kan ik misschien ooit met trots zeggen Ik ben barista van de week.
Andere woorden in de buurt van een woord in een tekst bepalen mede de betekenis van dat woord. Bovendien heeft de woordvolgorde invloed op betekenis van woorden, in relatie met hun plaats in een zin. Voor machinevertalingen zijn dat grote uitdagingen.
Ik ben barista --> I am a barista Van de week ben ik barista --> This week I am a barista Ik ben barista van de week --> I am barista of the week
De vertalingen zijn gemaakt met het programma DeepL Translator.
In een woord voor woord vertaling zou het met de lidwoorden misschien al niet goed gaan. De toevoeging ‘van de week’ in de tweede en derde zin geeft andere semantische ladingen, en dus vertalingen. De volgorde doet er toe, al worden dezelfde woorden gebruikt.
Machinevertalingen vinden plaats in een encoder-decoder systeem. De invoersequentie kan duidelijk niet woord voor woord worden afgehandeld. Bij elk woord in de zin moet het systeem weten welke woorden er eerder kwamen, en liefst een beetje vooruit kijken naar woorden die nog gaan komen om een adequate vertaling te kunnen geven. Ook taalmodellen voorspellen de meest waarschijnlijke uitvoer, op basis van de op de prompt gebaseerde context en de woorden die er al staan.
Jargon. Het gaat hier om sequence transduction models, omzettingsmodellen.
De computers waarop deze modellen draaien voeren sequence-to-sequence taken uit. Ze lijken in staat in vloeiende natuurlijke taal te reageren op invoer door de gebruiker, de prompt. In werkelijkheid vindt de keuze voor een vervolg in de reactie woord voor woord plaats.
Een manier om om te gaan met het volgorde- en contextprobleem is het inzetten van neurale netwerken met voldoende hidden nodes om gegevens over de woorden in de tekst vast te houden totdat de gehele sequentie aan bod is geweest. Daarbij moet steeds worden teruggekeken, dit zijn zogeheten Recurrent Neural Networks (RNN).
Bij grote tekstomvang werken RNN niet meer goed. Het aantal mogelijkheden dat in de lucht gehouden moet worden neemt exponentieel toe met de omvang van de tekst. En als twee woorden, die elkaar in betekenis beïnvloeden, ver uit elkaar staan is het RNN soms het eerste woord ‘vergeten’ als het tweede woord aan de beurt is: er is geen (geheugen)ruimte om beide woorden te blijven bedienen.
De Transformer architectuur lost het performance probleem op door het coderen en decoderen parallel uit te laten voeren.
Dit is het plaatje van de Transformer model architectuur uit het oorspronkelijke artikel Attention is all you need uit 2017.
Afbeeldingen en schema’s van ‘gewone’ neurale netwerken kom je op internet in allerlei zelfgemaakte varianten tegen. Maar dit plaatje … vrijwel ieder vervolgartikel neemt het ongewijzigd over.
Het is wat mij betreft het grondplan van een digitaal monument, een kathedraal van de AI.
De Transformer architectuur vraagt fors wat toelichting, daar gaat het in volgende berichten over. Ook kijken we naar de technische voorbewerking, de zogenoemde preprocessing, die nodig is om computers aan het werk te zetten met een taalmodel, zowel bij de pre-training als bij het gebruik in de praktijk.
Computers kunnen niet zo maar werken met tekst. Woorden en zinnen moeten eerst omgezet worden in getalsmatige vormen. Die vertaling, vectorisatie, is de laatste stap in een serie voorbereidingen die de preprocessing pipeline wordt genoemd.
Tekst opschonen
Alle coderingen (html, url’s, tags e.d.) worden verwijderd. Alle tekst wordt naar kleine letters (lowercase) omgezet. Speciale tekens en nummers worden verwijderd, soms ook interpunctie. Afkortingen worden voluit geschreven. Spelfouten worden gecorrigeerd.
Tokeniseren
In deze processtap wordt de tekst gesplitst, in stukjes gehakt. Zo’n stukje wordt een token genoemd. De tokens vormen de bouwstenen voor het vervolg.
Vaak wordt er met woord tokens gewerkt (ik gebruik | om de splitsing zichtbaar te maken, het symbool zelf is geen token):
De | kat | zat | op | de | mat | .
Merk op dat de punt waarmee de zin afsluit ook als token wordt neergezet.
Sommige woorden worden in subwoorden getokeniseerd:
De | groot | ste | kat | zat | op | de | klein | ere | mat | .
Zo hoeven grootste en kleinste niet als ‘nieuwe’ woorden behandeld te worden, maar kunnen ze in verband met groot en klein gebracht worden. De tokens ste en ere zijn dan generiek voor alle woorden met een overtreffende of vergelijkende trap.
Lemmatiseren
In deze stap worden woorden tot een basisvorm teruggebracht waarop verschillende vervoegingen of samenstellingen kunnen worden herleid. Bijvoorbeeld ‘lopen’, ‘loopt’, ‘liep’, ‘gelopen’ worden alle teruggebracht tot ‘lopen’. Het zijn lexicale ‘woordenboek’ vormen zou je kunnen zeggen, bij de oudere systemen voor machinevertaling worden hiervoor daadwerkelijk lexicons gebruikt.
Dit proces wordt bij deep learning en grote taalmodellen steeds minder gebruikt. Die modellen leren zo goed en snel dat ze zelf kunnen afleiden welke vormen bij elkaar horen.
Verwijderen stopwoorden
Stopwoorden zijn in dit verband woorden die weinig bijdragen aan de betekenis van een tekst. Denk aan lidwoorden, voegwoorden, voornaamwoorden, voorzetsels, tussenwerpsels, sommige bijwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.
Het verwijderen van stopwoorden gebeurt geautomatiseerd aan de hand van vooraf opgestelde lijsten.
Ook voor dit onderdeel geldt dat het bij de grote taalmodellen steeds minder nodig is, het model leert zelf wel welke woorden minder bijdragen aan de betekenis en kan dat zelfs beter dan met een vooraf opgestelde lijst omdat die feitelijk contextvrij is.
Woordposities bepalen
Woordvolgorde doet er toe voor de betekenis en context in een tekst zagen we eerder. Deze volgorde is bekend bij het begin van het trainen van het taalmodel en kan dus worden vastgelegd.
Er zijn verschillende methoden om die vastlegging te doen, het type neuraal netwerk dat we voor de training willen gebruiken bepaalt de keuze, als ik het goed begrijp.
Een n-gram (waarbij n = 2, 3, 4, …) is een opeenvolgende sequentie van n woord tokens. Ze worden gebruikt om woordposities vast te leggen in word embeddings. Als deze vastlegging meegenomen wordt in het trainen kunnen contextuele relaties tussen woorden beter gemodelleerd worden. Deze manier wordt gebruikt in RNN en andere non-transformer architectuur.
In de Transformer architectuur wordt een manier gebruikt die fixed positional encoding wordt genoemd. Met behulp van sinus en cosinus functies wordt informatie over de positie van woorden in de input sequentie gevoegd.

Visualisering van een matrix waarin woordposities zijn vastgelegd.
Bron: Transformer Architecture: The Positional Encoding (Amirhossein Kazemnejad, sep 2019).
Net als bij vorige stappen zou je verwachten dat ook deze codering door de grote taalmodellen zelf uitgevonden en geleerd kan worden. Er is ook mee geëxperimenteerd, maar de vaste codering vooraf bleek minstens net zo goed te werken, en is veel eenvoudiger te realiseren.
Vectoriseren
In deze processtap worden uiteindelijk de woorden, of beter gezegd de tokens, gecodeerd in getallen. Allereerst wordt het woord zelf voorzien van een eenduidige code, een index. Hoe dat coderen gebeurt ligt niet vast, er is geen universele methode. In theorie zou je het met volgnummers kunnen doen – al zal dat niet erg praktisch zijn.
OpenAI, de makers van ChatGPT, gebruiken een manier die voor hun eigen bedrijf consistent is. Voor GPT3 is die openbaar, en zelfs als Python programmabibliotheek te downloaden voor wie zelf aan de slag wil.
En er zijn online tools waarmee je kunt ’tokenizen’. Het plaatje is een voorbeeld. Je ziet wel dat deze token toekenning van oorsprong Engelstalig is – ‘cat’ is een eigen token, terwijl ‘kat’ gesplitst wordt in ‘k’ en het in Engels bestaande woord ‘at’. In de praktijk maakt het niet veel uit.

Hier eindigt de preprocessing pipeline en kan het model ‘in werking’ gaan.
In het deep learning proces dat dan volgt wordt per token een groot aantal features, eigenschappen, opgeslagen als een rij getallen – een vector. Dat verklaart het woord vectoriseren. Vaak kom je het begrip ‘word embedding‘ tegen, volgens mij een synoniem.
De inhoud van de vectoren kan wijzigen, afhankelijk van de uitkomsten van het leerproces.
Natuurlijk ben ik niet de enige die het belang van de Transformer model architectuur voor de ontwikkeling van AI hoog inschat.
Je vindt daarom op internet een overvloed aan presentaties en video’s met uitleg van de architectuur. Het ligt misschien aan mijn nieuwigheid op dit terrein, maar een aantal ervan kan ik niet goed volgen, ik raak de draad kwijt of snap de strekking van het verhaal niet.
En veel andere gaan niet diep genoeg of praten andere na. Zó belangrijk, die multi-head attention… maar ik blijf zitten met vragen. Waarom dan? En hoe?
Ik was van plan om hier een gedetailleerde uitleg van het oorspronkelijke artikel te geven, voor mij de snelste manier om de materie zelf te leren begrijpen. Bij nader inzien kies ik voor een splitsing in de uitwerking. In dit bericht staan de conceptuele hoofdlijnen, in een later bericht komen de technische en wiskundige details.
Waar waren we ook al weer?
- We zijn in de wereld van deep learning, natuurlijke taalverwerking en de grote taalmodellen.
- Die modellen ondergaan een pre-training op een tekstcorpus van onvoorstelbaar grote omvang en variëteit en zijn daarna in staat om gebruikersinvoer in natuurlijke taal te interpreteren en er op te reageren, output te geven, ook in natuurlijke taal.
- Die output wordt letterlijk woord voor woord gemaakt door na elk ‘afgeleverd’ woord vast te stellen welk woord nu het meest plausibel is voor het vervolg.
- De mate van plausibiliteit wordt bepaald door de input van de gebruiker, de context die daardoor wordt opgeroepen en de ‘ervaring’ van het getrainde systeem. En marge wil ik hier opmerken dat ‘plausibiliteit’ niets zegt over ‘waarheid’ of ‘correctheid’.
- De computers waarop deze modellen worden uitgevoerd doen sequence-to-sequence taken. De invoer bestaat uit sequenties van woorden en ook de uitvoer bestaat weer uit zulke sequenties.
- Een computer kan alleen met getallen werken. De talige invoer wordt omgezet in reeksen getallen. Daarmee worden berekeningen uitgevoerd die leiden tot nieuwe reeksen getallen. Die worden daarna zelf weer omgezet naar woorden en zinnen. Zie hier voor een overzicht van het benodigde voorwerk.
- Taal is weerbarstig als het om betekenis gaat. Volgorde van woorden doet er toe voor de betekenis van zowel individuele woorden als de hele tekst, net als het voorkomen van een combinatie van woord met andere woorden. Niet elk woord in een sequentie is van even groot belang voor de betekenis van de hele zin of tekst.
Architectuur
- Van belang is dat de neurale netwerken die taalmodellen moeten uitvoeren zodanig zijn ingericht dat zowel volgorde als plaats van een woord in een tekst kan worden herkend, opgeslagen en gebruikt bij de verdere verwerking. Zoals men zegt: die netwerken moeten voor dit doel een geschikte architectuur hebben.
- Alle sequence-to-sequence taken kunnen in principe uitgevoerd worden met neurale netwerken die een recurrente architectuur hebben, met vele hidden layers, maar in de praktijk lukt dat niet bij meer omvangrijke tekstuele input. Eerlijk gezegd wordt de grens al vrij snel bereikt omdat het aantal benodigde layers (en daarmee het benodigde computergeheugen) kwadratisch toeneemt. In de praktische uitvoering worden daarom niet alle benodigde lagen ingezet, met inhoudelijke gevolgen.
- Recurrente architecturen hebben minstens twee nadelen.
- Bij de uitvoering van de taken moeten woorden steeds een voor een worden verwerkt. Bij grotere teksten is de trage verwerking die hier het gevolg van is een onoverkomelijk probleem.
- Als een woord dat van essentieel belang is voor de betekenis van een tekst ’te ver’ vooraan staat is het model dat woord al weer ‘vergeten’ vanwege de beperking in benodigde hidden layers.
- De Transformer architectuur van een deep learning model wordt als een doorbraak gezien.
- Door het gebruik van aandachtsmechanismen, zoals self attention, wint het vaststellen van betekenisverwantschap sterk aan kwaliteit. Binnen een context wordt een woord in relatie gebracht met alle andere woorden van die context. Per woordcombinatie wordt een gewicht bepaald. Van de context worden geen woorden vergeten of weggeschoven.
- De gewichten zijn ‘leerbaar’, dat is de essentie van deep learning modellen. Aan de hand van een zogenoemde ‘loss function‘, een rapportcijfer voor het verschil tussen huidig en gewenst resultaat, worden de gewichten ingeregeld totdat een optimaal resultaat ontstaat. Feed forward en backward propagation zijn hier de jargon woorden die aangeven dat het een ‘heen-en-weer’-proces is.
- Zo opgeschreven wordt niet alleen de output woord voor woord bepaald, maar worden de woorden in de context die er toe doen ook een-voor-een ingeregeld. De Transformer architectuur maakt een parallelle afhandeling mogelijk, dat is wat in het plaatje Multi-Head Attention wordt genoemd.
- Aan het einde van een deep learning cyclus worden de gewogen uitkomsten onderling vergeleken. Op basis daarvan wordt het meest plausibele volgende woord bepaald. In het jargon: next-token prediction.
Wiskunde
De wiskunde die er bij te pas komt bestaat vooral uit het rekenen met vectoren, in het bijzonder met het inproduct van vectoren, dot product in het Engels (ook wel scalair product). De vectoren zijn woordvectoren waarin een groot aantal eigenschappen, features, getalsmatig is vastgelegd. Het inproduct van twee vectoren is één enkel getal, dat een maat vormt voor de mate van verwantschap in de betekeniseigenschappen.
Bij één woord hoort één vector. De woorden uit een zin, of nog ruimere context, hebben een verzameling vectoren die je in de vorm van een matrix kunt opschrijven. Matrixrekening is de wiskundige discipline die hier van pas komt en die je in staat stelt de berekeningen voor de tekst die onderhanden is in één greep zichtbaar te maken.
Naast alle matrixberekeningen zijn er nog wiskundige functies nodig om uiteenlopende teksten vergelijkbaar te maken: normalisatie. Tot slot wordt aan de hand van de scores bepaald welk woord, welk token, wordt voorgedragen voor ‘meest plausibel’. Hiervoor wordt de Softmax-functie gebruikt die je ook in de afbeelding genoemd ziet staan.
Het oorspronkelijke artikel over de Transformer architectuur stelt allereerst structuur en bewerkingsstrategie vast, en doet daarbij een suggestie voor het wiskundig instrumentarium dat je zou kunnen gebruiken. Zoals ik het nu zie is het wiskundig instrumentarium precies wat het zegt: een verzameling hulpmiddelen om verbanden te beschrijven en vast te leggen, met aspecten van normeren en optimaliseren er in. Er is niet nog een semantische, ‘diepere’, betekenis van de gebruikte wiskunde.
In een volgend bericht wil ik aan de hand van een voorbeeld de structuur en de stappen doorlopen. Zo kan ik ook testen of mijn inschatting van de aard van de benodigde wiskunde (= instrumentarium) terecht is.
Zou het altijd gelijk op gaan – snelheid en impact van ontwikkelingen op een bepaald gebied en de hoeveelheid onzin en schone schijn berichten er over? Voor AI lijkt het wel zo te zijn.
Het gaat mij daarbij niet om de overtrokken enthousiaste juichverhalen over wat er allemaal zou kunnen, maar om de, al dan niet bedoeld, misleidende berichten. Nepnieuws, niet waar te maken claims van commerciële aanbieders en verkeerd begrepen of toegepaste methoden, ook door serieuze wetenschappers en ontwikkelaars.
De Amerikanen hebben een geweldige benaming voor dit soort communicatie: snake oil. Terug te voeren op de kwakzalvers die in het kielzog van de trek naar het westen hun wondermiddel tegen alle kwalen aan de goedgelovige pioniers probeerden te slijten. Immediate Relief!
Zelf lees ik met genoegen de artikelen op AI Snake Oil waar geprobeerd wordt misleidingen te ontmaskeren. Ik zal er regelmatig verslag van doen, want ook voor een enkel bericht dat ik zelf voor deze site heb gemaakt blijkt de basis wankel te zijn. Bijvoorbeeld het bericht over het ‘dommer’ worden van ChatGPT. Ik kom er op terug.
Het hoofdstuk met deze titel in De MANIAC van Benjamín Labatut gaat over de vierde partij die AlphaGo en Lee Sedol spelen in hun legendarische Go tweekamp in 2016. Labatut introduceert Sedol als “… de enige mens die ooit in toernooiverband een geavanceerd kunstmatige intelligentiesysteem heeft verslagen.”
Ik schreef in Move 37 over de iconische zet van de computer in de tweede partij, die een kantelpunt zou markeren in de ontwikkeling van AI. Een zet van de computer die op het moment zelf door alle experts werd afgedaan als onzinnig, een fout, maar feitelijk de winnende zet is. De kans dat een mens die zet zou doen werd ingeschat op minder dan 1:10.000. De zet zelf werd daardoor beoordeeld als in hoge mate creatief en intuïtief.
De tweekamp eindigt met de stand van 4-1 in het voordeel van de computer. Gegeven de aard van het Go spel als ultieme uitdaging voor de menselijke intelligentie en creativiteit werd de prestatie van het AI systeem gezien als een belangrijke stap naar het niveau van menselijke intelligentie.
Maar Sedol wint één partij, de vierde, Labatut doelt daarop in zijn introductie. Ook die partij kent een kantelpunt zoals in de tweede partij. Nu is het de 78e zet, een zet van de menselijke speler Lee Sedol.
Na het lezen van De MANIAC, een fascinerend boek, heb ik de gehele documentaire AlphaGo bekeken. Daar komt ook de kant van de ontwikkelaars van DeepMind uitgebreid aan bod. AlphaGo verliest de vierde partij omdat het na die 78e set volledig de draad kwijt raakt.
Het systeem verliest zich in het nazoeken van mogelijke winnende voortzettingen, tot aan wel 95 zetten diep (terwijl 50-60 normaal was). Tevergeefs want zulke zetten waren niet aanwezig in de kennisbasis van AlphaGo en ook niet in bereik van zijn zoekmethode MCTS, Monte Carlo Tree Search, een op kansrekening gebaseerde simulatie.
De ontwikkelaars hebben de hele partij nog een keer met het systeem nagespeeld, met verwisseling van de spelers. De inschatting van de 78e zet van Sedol was: een verwaarloosbare kans van minder dan 1:10.000 dat een mens die zet zou doen. Het spiegelbeeld van Move 37.
De zet wordt in Korea de hand van God genoemd. Bij DeepMind waren ze wat pragmatischer, ze concludeerden dat de zwakte van AlphaGo is dat het getraind is op honderdduizenden partijen die door mensen gespeeld zijn – goede spelers, maar goddelijke zetten zaten er niet bij.
Ze hebben daarna het roer helemaal omgegooid. Het systeem werd volledig gestript van alle menselijke labeling. De training van het nu weer lege systeem bestond volledig uit partijen die het tegen zichzelf speelde. Zo maakten ze een nieuw AI systeem, AlphaZero. Het is niet alleen een betere variant van AlphaGo, maar ook in staat om op dezelfde manier andere spellen, zoals bijv. schaken, te leren (en te winnen) én om andere cognitieve taken uit te voeren. Zo is er inmiddels een variant, AlphaFold, die voorspellingen doet over nieuwe complexe eiwitstructuren met een nauwkeurigheid die vergelijkbaar is met experimentele methoden.
Move 37 is een mijlpaal in de ontwikkeling van AI, maar als je een kantelpunt zou willen aanwijzen dan is dat, achteraf gezien, zet 78 in de vierde partij. De zet was niet winnend voor AI, maar wijst de weg naar werkelijk zelf lerende systemen die alle cognitieve taken aan kunnen. In het huidige discours wordt het AGI genoemd, Artificial General Intelligence. Het is de heilige graal in AI research.
Bij DeepMind willen ze die graal graag vinden. In samenwerking met Google Brain (een onderzoeksgroep binnen Google) wordt al jaren gewerkt aan een AI systeem dat de capaciteiten combineert van AlphaZero en een eigen LLM, vergelijkbaar met GPT4.
De werktitel is Gemini, naar verwachting wordt in oktober 2023 een eerste openbare versie gepresenteerd.
NB DeepMind en Google Brain horen beide tot Alphabet en zullen volgens een aankondiging van april 2023 samengaan in één organisatie, onder de naam Google DeepMind.
Gemini zal een serieuze stap zijn op weg naar AGI. Verontrustend? Mogelijk wel want de ‘intelligentie’ van AGI overstijgt wellicht de menselijke intelligentie – en brengt ‘de hand van God’ dichterbij. Het zou kunnen dat Gemini als open source wordt neergezet, maar dat het allemaal bij Google zit is niet per se geruststellend. Waar zit de schakelaar?
Er is op het ogenblik veel te doen over verslavende apps. Dat zijn apps, meestal op je smartphone, die je verleiden om alsmaar meer content van hetzelfde platform tot je te nemen, door algoritmes die suggesties doen voor waar je ook naar zou kunnen kijken. Één klik dichtbij zoals bij YouTube, of door zelfs ongevraagd een volgende clip te tonen zoals bij TikTok.
Bij Nieuwsuur hadden ze er op 22 september een item over, de EU denkt aan regelgeving om de aanbieders te verplichten een aantal elementen die bewust verslavend werken weg te halen of aan te passen.
Behalve door de algoritmes wordt de verslavende werking sterk vergroot door het feit dat de aangeboden content per keer extreem korte tijd vraagt om tot je te nemen — het zijn letterlijk shotjes. In de reportage waren vooral voorbeelden van TikTok en Instagram te zien. De maximale (!) lengte van een videoclip op TikTok is 10 minuten, maar de gemiddelde duur van de clipjes is in de praktijk 20-30 seconden.
YouTube heeft op mij zeker ook een verslavende werking, maar omdat het algoritme vooral reageert op mijn recente acties in verband met uitzoekwerk voor dit blog zijn de suggesties niet bepaald ‘shotjes’. Een beetje uitlegvideo is toch al gauw een half tot heel uur, of langer. Ongeschikt voor TikTok.
Mijn favorieten van dit moment zijn de video-/podcasts van Lex Fridman. Hij interviewt grote namen op allerlei gebied, ook, maar niet alleen AI research. Het zijn lánge interviews van soms 3,5 uur, niet oeverloos maar gestructureerd in thema’s. De interviews zijn in volle lengte op YouTube te bekijken of in kortere stukken per thema.
In komende berichten wil ik van een aantal Fridman interviews de voor dit blog relevante onderwerpen bespreken. Een van de eerste op mijn lijst is het interview met Demis Hassabis, oprichter en baas van DeepMind.
Een taalmodel levert resultaat op basis van next-token prediction, het voorspellen van het meest plausibele vervolg van een tekst. Ik wil achterhalen hoe dat technisch gezien in zijn werk gaat. Het is een deel van de licht wiskundige uitwerking die ik eerder aankondigde.
Een succesvolle voorspelling is afhankelijk van de context waarin deze moet gaan passen – de eerdere woorden en de wijze waarop die zich tot elkaar verhouden bepalen als het ware de plausibiliteit. Die verhouding van woorden tot elkaar betreft niet alleen grammaticale samenhang maar ook semantische.
De betekenis van een woord haalt een taalmodel voor een deel uit wat het eerder ‘geleerd’ heeft, maar is mede afhankelijk van de woorden die in de actuele context in de omgeving van dat woord staan.
Bronnen: mijn uitleg hieronder is gebaseerd op veel artikelen en online tutorials. Ik heb veel gehad aan Intuition Behind Self-Attention Mechanism in Transformer Networks, een voortreffelijke video van Arkar Min Aung, waarin hij stapsgewijs laat zien wat er moet gebeuren om een taalmodel zijn werk te laten doen. Aan hem credits voor de uitleg en voor afbeeldingen waarvan ik er een aantal hieronder gebruik.
Dit is de inhoud van dit lange bericht:
- Semantische overeenkomsten
- Attention mechanisme
- Inproduct (dot product)
- Normalisatie
- Omduwen met gewichten
- Voorbeeld
Semantische overeenkomsten
Ik kom er steeds vaker achter dat ontwikkelingen en inzichten op AI gebied, waarvan je denkt dat ze nieuw zijn en aangeslingerd in de recente ontwikkelingsversnelling, een herkomst hebben die tientallen jaren teruggaat. De uitspraak “You shall know a word by the company it keeps” lijkt een goede samenvatting van wat de nieuwe taalmodellen doen, maar is afkomstig uit het boek A Synopsis of Linguistic Theory (1957) van J.R. Firth.
Het werk van Firth markeert het begin van een onderzoeksterrein dat distributional semantics – distributionele semantiek – wordt genoemd. Het draait er om semantische overeenkomsten tussen taalkundige items te kwantificeren en te categoriseren op basis van hun verdeling in tekstcorpora. De hypothese is: taalkundige items met een overeenkomstige verdeling hebben een overeenkomstige betekenis.
De komst van grote computers met veel rekenkracht heeft de hypothese ook instrumenteel gemaakt, met verdelingen van taalitems uit gigantische tekstcorpora in hoog-dimensionale ruimtes (512 dimensies is tegenwoordig tamelijk gangbaar). Het intuïtieve karakter van de hypothese is daarmee wel een beetje verloren gegaan, daarom gebruik ik een paar eenvoudige voorbeelden om te laten zien hoe taalmodellen omgaan met betekenisverwantschap.
Allereerst een Engelstalig voorbeeld uit de hiervoor genoemde video, we concentreren ons op het woordje bank in de volgende twee zinnen:
I swam across the river to get to the other bank I drove across the road to get tot the other bank
De context maakt het plausibel dat bank in de eerste zin de oever van een rivier betreft, en in de tweede zin waarschijnlijk een financiële instelling. Mensenogen zien de aanwijzingen meteen, in de combinatie van bank met swam en river in de eerste zin, en met drove en road in de tweede.
Taalmodellen hebben miljoenen van dit soort zinnen verwerkt maar missen de mogelijkheid verbanden in één oogopslag te ‘zien’. In plaats daarvan hebben ze de woorden uit de tekstcorpora waarop ze getraind zijn als vectoren opgeslagen in een N-dimensionale semantische ruimte. De vector van een woord bestaat uit het indexgetal van het bijbehorende token, en getalsmatige ‘scores‘ van dat woord op een groot aantal (N) eigenschappen (meestal features genoemd).
Het taalmodel is in staat aan de hand van de vectoren te bepalen in welke mate woorden verband houden met andere woorden in het corpus. In de context van generatieve AI wordt vaak de ‘hoek’ tussen woordvectoren als maat voor verwantschap gebruikt, de zogenoemde cosine similarity. Verderop geef ik een 2-dimensionaal voorbeeld waaruit de rol van de cosinus van de hoek tussen vectoren blijkt, wiskundig gezien maakt het geen verschil of het om 2 of N dimensies gaat.
Op het gebied van woordvectoren is een aantal manieren gevonden om je een voorstelling te kunnen maken van woordvectorruimtes van hoge dimensie. Een publiek toegankelijke vectorruimte is Word2Vec. De oorsprong gaat terug tot 2013 toen het werd gepubliceerd door onderzoekers van Google. Met behulp van TensorfFlow.js (een verzameling wiskundige routines in JavaScript) is een visualisatie gemaakt die je kunt bekijken in je browser, ga naar: Embedding Projector.
Het komt er op neer dat je in een gigantische puntenwolk, een woordenwolk, kunt ‘kijken’. Neem ‘in‘ letterlijk: je kunt elk punt in de wolk aanklikken. Je krijgt dan te zien wat de frequentie van het woord is in het corpus en ook, voor ons doel belangrijker, wat de dichtstbijzijnde woorden in het corpus zijn volgens de cosine similarity.
In zekere zin kijk je naar de ‘pijlpunten’ van de vectoren. Je kunt inzoomen op de wolk, draaien langs verschillende assen, selecteren, doorklikken naar andere woorden, …. Het verkennen van Word2Vec is licht verslavend.
De afbeelding laat zien hoe de wolk eruit ziet in de nabijheid van het woord ‘bank‘. In het corpus van 71.291 (verschillende) woorden komt bank 1.806 keer voor. Voor de overzichtelijkheid heb ik ingesteld dat de 100 dichtstbijzijnde woorden worden getoond.
Als je de afbeelding groter maakt (een keer klikken) zie je bank, en een cluster woorden uit de financieel-economische hoek. Rechtsboven zie je toch ook woorden die met ‘water’ te maken hebben (coast, river, canal, …).
Je kijkt in zekere zin naar waar de vectorpunten van de woorden uitkomen. Als je een taalmodel zonder meer zou loslaten op onze voorbeeldzin dan zou het op basis van frequentie en verwantschap de meeste plausibiliteit zien in de financieel-economische betekenis van bank.
Eigenlijk zou je de vectorpunt van het woord bank in onze zin willen omduwen, opschuiven in de richting van het cluster dat met water te maken heeft. Dat nu is volgens mij precies wat de grote taalmodellen mogelijk maken, in de chat modus zeg maar. Daar immers geef je als gebruiker de context aan waarin de plausibele betekenis van een woord moet passen. De veelgenoemde en geroemde prompt.
Attention mechanisme
Laten we eens zien hoe dat ‘omduwen’ bewerkstelligd kan worden. Eigenlijk gaat het om het verdraaien van de woordvector, om op die manier de betekenis te verschuiven. We kijken onder de motorkap.
Voor ons voorbeeld zou je willen dat er vanuit het woord bank (blijvende) ‘aandacht’ is voor de andere woorden in de tekst die immers meer of minder gewicht in de schaal leggen voor de betekenis. Het liefst zou je de relatie van bank met alle andere woorden in de context willen beoordelen, willen scoren.
In het plaatje geven kleur en dikte van de pijlen al een suggestie van het gewicht van de onderlinge verhoudingen met het woord bank.
We volgen de stappen die ik eerder als voorbereidingen in de preprocessing pipeline heb benoemd.
Voor onze voorbeeldzin halen we vervolgens voor elk woord de woordvector op uit de (een) semantische vectorruimte.
NB Alle grote taalmodellen (GPT, Claude, Bard, andere) hebben hun eigen semantische vectorruimtes, gebaseerd op het tekstcorpus waarop het getraind is.
Het is niet toevallig dat het begrip ‘attention’ al in meerdere berichten aan bod is geweest, maar nu wil ik uitvinden hoe je concreet contextuele informatie kan toevoegen aan (alle) woorden in een zin.
We verschuiven, verdraaien, de vector v van elk woord in de tekst naar een gecontextualiseerde versie, vector y. Hierbij is aandacht voor de hele tekst, want het moet een weerspiegeling zijn van het belang van elk woord voor het geheel. Het mechanisme heet self-attention.
Hoe gaat het in zijn werk? In de afbeelding is schematisch weergegeven welke stappen je moet volgen om de v-vectoren te transformeren in y-vectoren waarin de context is meegenomen. Elke stap vergt wat uitleg, die hieronder in drie episodes volgt.
Episode 1: inproduct scores van vectoren
Zoals gezegd zouden we graag de relatie van bank met de andere woorden in de tekst op belang willen beoordelen, willen ‘scoren’. En als we toch bezig zijn misschien maar meteen de relatie van elk woord uit de tekst met elk ander woord in de tekst.
In de grote vectorruimte werd de hoek van twee vectoren als maat gebruikt om verwantschap te bepalen, de cosine similarity. Ons doel om woordvectoren te verdraaien in de richting van verwante vectoren moet dus in die hoek tot uitdrukking komen.
Er is een 1-op-1 relatie tussen de hoek van twee vectoren en het zogenoemde dot product van die vectoren, in goed Nederlands het inproduct. Ook het inproduct is dus een maat voor verwantschap én het is een (dimensieloos) getal, een scalair. Daar houden computers van.
Het inproduct van twee vectoren wordt berekend met de formule
![]()
Bijvangst van de formule is dat je kunt zien dat het inproduct van de eerste vector met de tweede vector gelijk is aan het inproduct van de tweede vector met de eerste vector, het inproduct is commutatief.
Het verband tussen de hoek van twee vectoren en hun inproduct voert naar de cosinus van die hoek, daar komt de term cosine similarity vandaan. Met
als hoek tussen twee vectoren p en q is de formule:
waarbij
het inproduct is en
en
de lengtes van de vectoren
Als twee vectoren samenvallen is de uitkomst van de breuk 1, de hoek is dan 0 graden. Als de cosinus 0 is is de hoek 90 graden, de vectoren staan dan loodrecht op elkaar en zijn het minst verwant.
Als regel geldt: hoe groter het inproduct hoe groter de cosinus, des te kleiner de hoek en des te groter de verwantschap.
Technisch gezien is het inproduct een matrix vermenigvuldiging van een 1xN matrix met een Nx1 matrix, waarbij N de dimensie van de vector is.
Hierboven gebruikte ik steeds de punt, de dot van dot vector, in de notatie voor het inproduct
.
Als matrix vermenigvuldiging schrijf je:
. De T staat voor getransponeerd. Je transponeert een matrix door de oorspronkelijke rijen als kolommen te nemen, en de oorspronkelijke kolommen als rijen, steeds met dezelfde inhoud van de velden.
Terug naar het contextualiseren van onze oorspronkelijke zin. We hebben de woorden in de zin voorzien van woordvectoren waarin eigenschappen van de woorden (eigenlijk de tokens) getalsmatig zijn vastgelegd.
De wens om de relatie van bank met alle andere woorden in de context te beoordelen, te scoren, stond hierboven al in een plaatje zoals links.
Het plaatje rechts geeft weer hoe we die scores kunnen bepalen: met het inproduct van elke vector met elke andere vector.
NB In het plaatje is de matrix notatie gebruikt.
Voor de scores geldt: bij grote onderlinge verwantschap een hoge waarde van het inproduct, de score, bij geringe verwantschap een lage score. En alles er tussen in.
Een vaak gebruikte visualisering van dit soort scores is een tabel met grijswaarden. Hoe lichter de cel, hoe groter de verwantschap. Wordt ook wel heat map genoemd (maar dan worden meestal kleuren gebruikt).
Omdat ook elk woord met zichzelf in verband is gebracht via het inproduct zie je op de diagonaal de grootste verwantschap. Het deel boven de diagonaal en het deel er onder zijn elkaars gespiegelde.
Episode 2: normalisatie
Op de rijen in de tabel staan de uit inproduct verkregen scores. In de schrijfwijze van hierboven staan op rij 1 achtereenvolgens
. En zo door voor de 2e rij met
, enzovoorts. De waarde rechtsonder is
.
Omdat de scores afkomstig zijn van inproducten van vectoren van velerlei herkomst kunnen de waarden alle kanten opvliegen. Vergelijkbaarheid is ver te zoeken, terwijl die wel wenselijk is in de context van taalmodellen die voor alle prompts moeten werken. Het wiskundige toverwoord in dit soort situaties is: normaliseren. Dat is, zeg maar, het op een zodanig inzichtelijke en algemeen toepasbare manier aanpassen van (getal)waarden dat ze onderling vergelijkbaar worden.
Er is een aantal goede redenen om het zo te doen dat alle waarden
– positieve getallen worden in het bereik
– de som van alle waarden op een bij de context horende reeks waarden, zoals een rij in de tabel, gelijk is aan 1.
Bij een toverwoord hoort een toverformule, en die is er ook – in de gedaante van de Softmax-functie. De functie in formule vorm is als volgt:
![]()
Het voert hier te ver om te laten zien dat de formule doet wat we er van verlangen, maar je kunt aan de formule zien dat je op precies 1 uitkomt als je alle breuken
tot en met
bij elkaar optelt.
Met behulp van deze normalisatie vormen we al onze scores
tot en met
om, tot gewichten
.
tot en met ![]()
Episode 3: woordvectoren omduwen met gewichten
We zijn nu bijna waar we willen zijn. In onze voorbeeldzin hebben we alle woorden met elkaar in verband gebracht door middel van verwantschap-scores afkomstig van de inproducten van de semantische woordvectoren van de woorden in de zin. We hebben die scores onderling vergelijkbaar gemaakt met de softmax-functie zodat we nu vergelijkbare gewichten hebben. We weten nu letterlijk welk gewicht elk woord in de context in de schaal legt.
Met die gewichten kunnen we de gecontextualiseerde woordvectoren maken, dat zijn in onze metafoor de ‘omgeduwde’ vectoren, als volgt:
![]()
…
![]()
Bedenk dat alle gewichten
scalairen zijn, tussen 0 en 1, en dat ze opgeteld per regel samen 1 zijn.
Per woord uit de context met woordvector
hebben we nu een ‘omgeduwde’ betekenis, een verdraaide vector
, gemaakt op basis van de invloed van alle andere woorden in de context. Dat is het self-attention mechanisme.
Ter illustratie
Een voorbeeld in 2 dimensies. Stel, we hebben drie woorden in een corpus (kat, hond, cactus) die elk een woordvector hebben met een getalswaarde voor twee eigenschappen (leeft in huis, aaibaar).
De inproducten in ons tweedimensionale voorbeeld laten zich eenvoudig berekenen.
![]()
![]()
![]()
Kat en hond hebben onderling veruit de grootste verwantschap als het om de eigenschappen leeft in huis en aaibaar gaat. Met de gegeven waarden is de kat het meest aaibaar.
Nu wil ik de vectoren omduwen. In dit (fictieve) voorbeeld geef ik een prompt voor een taalmodel met de (even fictieve) waarden van eigenschappen van hond en kat in zijn semantische vectorruimte. De prompt heeft de vorm van een invuloefening, in het jargon een ‘gatentekst’ (cloze test in het Engels).
1
Mijn buurman heeft een hond en een kat. Als ik ’s avonds langs zijn huis loop zie ik hem op de bank naar tv kijken. Op de mat naast de bank zit zijn ….. die hij graag mag aaien.
> Vul in wat er op de puntjes staat.
Met de gegeven waarden in de semantische ruimte van het taalmodel ligt het voor de hand dat het model kat als de meest plausibele keuze ziet.
2
Ik vul de prompt aan met de vermelding dat de hond een Labradoodle is, en de kat van het haarloze ras Sphynx. Zie de fotootjes.
Labradoodle en Sphynx hebben hun eigen semantische vectoren, misschien wel (0.7, 0.4) voor de kat en (0.6, 0.85) voor de hond. De nieuwe informatie geeft contextuele gewichten waarvan de toepassing kan leiden tot het omduwen, verdraaien, van de oorspronkelijke vectoren voor kat en hond naar de meer specifieke van Labradoodle en Spynx. Met misschien een andere voorspelling voor de gatentekst.
NB Het voorbeeld schiet tekort omdat er geen semantiek voor de overige woorden in de context in zit, de berekening van gewichten zoals hierboven valt daardoor niet zonder meer te maken. Het concept van de context afhankelijke verdraaiing van een semantische woordvector blijft wel geldig.
De Transformer architectuur is een kantelpunt in de ontwikkeling van AI. Attention is all you need is de titel van het oorspronkelijke artikel waarin de architectuur wordt gepresenteerd, een titel die misschien wat verhullend is. Alsof de auteurs nog niet zeker zijn van de impact van hun artikel en de erin beschreven architectuur. Het concept attention was in 2016 zelfs al niet meer nieuw.
Wel nieuw is de uitwerking, de architectuur, waarvan de formule het topje van de ijsberg is.
![]()
De formule behelst de bewerking en vermenigvuldiging van de matrices Q, K en V. Ik wil proberen er achter te komen hoe het in elkaar zit.
Wat de impact betreft: feit is dat in de periode van 5 jaar na het verschijnen van het artikel niemand in de wereld van AI het nodig heeft gevonden om wijzigingen in de architectuur voor te stellen.
Scaled Dot-Product Attention
In het oorspronkelijke artikel over de Transformer architectuur staan drie schema’s:
- Scaled Dot-Product Attention
- Multi-Head Attention
- Overzicht van de architectuur met encoder-decoder
Samen met een voorziening om de posities van woorden in een context te bewaren zijn dit de basiscomponenten van de Transformer architectuur.
Allereerst de Scaled Dot-product Attention, zie het plaatje. Je ziet, als een soort van input daar de letters Q, K en V al staan. Het zijn matrices zoals gezegd. Wat ze doen en waar ze vandaan komen lees je verderop.
Informele uitwerking
Het plaatje hiernaast geeft op een informele manier het mechanisme Attention weer. In een eerder bericht staat het wat verder uitgewerkt en staan ook de termen toegelicht.
Weergegeven zijn 3 woordvectoren van woorden (tokens) uit een context. Op zoek naar de mate van verwantschap tussen de woorden geven we er scores aan door het inproduct te nemen van elk van de vectoren met de andere (inclusief zichzelf). In het plaatje staat het voor
weergegeven.
Na een normaliseringsslag krijgen we gewichten tussen 0 en 1. Vermenigvuldigd met de oorspronkelijke vectoren en daarna opgeteld krijgen we vector
(bij
). Zo ook voor de andere vectoren.
Het geheel van bewerkingen heet het Attention mechanisme, en het maakt van de directe representatie van een tekst (context) een gecontextualiseerde versie.
Deze informele weergave van het mechanisme komt goeddeels overeen met het schema Scaled Dot-product Attention:
- De berekening van het inproduct is de onderste MatMul (matrix-vermenigvuldiging) in het schema. Meestal gebruiken wij als notatie voor het inproduct
. Dot product immers. Wiskundig gezien is het inzichtelijker om het als matrix vermenigvuldiging te schrijven:
. - In het blok Normaliseren zijn de bewerkingen Scale en Softmax uit het schema gecombineerd.
- Bij het schalen worden alle inproduct-waarden vermenigvuldig met
waarbij d de lengtedimensie van de vectoren is. Zo worden de scores, d.i. de waarden van de inproducten, niet al te groot. - De Softmax functie zorgt er voor dat de gewichten uiteindelijk allemaal getallen tussen 0 en 1 zijn, zodanig dat per vector de som van de gewichten gelijk aan 1 is.
- Bij het schalen worden alle inproduct-waarden vermenigvuldig met
- De berekening van de gecontextualiseerde vectoren
in ons plaatje is de bovenste MatMul in het schema. - In het schema staat nog de optionele Mask. Deze wordt gebruikt bij ‘gatentekst’-achtige taken (zoals bij seq2seq vertalingen).
Contextvectoren door gewichten
De uitkomst van het attention mechanisme zijn de vectoren die we in het plaatje aanduiden met
, de gecontextualiseerde versies van
, kortweg de contextvectoren. Uitgeschreven ziet dat er zo uit:
![]()
![]()
![]()
De genoemde
en
zijn scalairen, dimensieloze getallen, die de rol van gewichten vervullen zoals we die eerder hebben gezien bij machine learning. De context wordt gevormd door de woorden (tokens) die we aan het systeem meegeven. Die woorden hebben in het taalmodel een embedding in de vorm van woordvectoren
met een groot aantal eigenschappen uit de (pre-)training van het model.
Query, Key en Value
Wat doet het attention mechanisme? Naïef geformuleerd zit het volgens mij ongeveer zo: een woord, vertegenwoordigd door zijn vector, “vraagt” als het ware aan het mechanisme om te vertellen welke invloed de verschillende woorden in de context hebben op de betekenis van dat woord. Zo’n woord uit de context, ook vertegenwoordigd door zijn vector, is dan de “sleutel” tot de invloed van dat woord op de betekenis. De “waarde” die uit de berekeningen komt vormt het antwoord dat andermaal een woordvector is. Die berekeningen bestaan uit inproducten en uitkomsten van normalisatie.
Nu hebben we de goede woorden te pakken. Lees voor vraag Query, voor sleutel Key en voor waarde Value en kijk nog eens naar het schema uit het artikel: je ziet onderaan Q en K de eerste matrixvermenigvuldiging MatMul in gaan (dat is het inproduct) en V de tweede MatMul (dat is het verrekenen van de gewichten). Het schema is de formele vertaling van mijn naïeve weergave.
Een gedachte om even vast te houden. Q, K en V worden vertegenwoordigd door vectoren, Q en K op voorhand zelfs door het zelfde stel
. Als de woorden in de context géén invloed op elkaar hebben, of we hebben die nog niet kunnen vaststellen, dan zijn de gewichten
natuurlijk gelijk aan 0, behálve het gewicht
van het woord op zichzelf – dat is dan gelijk aan 1. Als je de waarden invult in de uitgeschreven uitkomst hierboven dan zie je dat
(de andere termen vallen weg).
In de beginsituatie zijn Q, K en V aan elkaar gelijk.
Matrices
Waar komen nu die matrices te tevoorschijn? Als je het hele verhaal terugleest dan zie je dat er weliswaar iets uitkomt dat we gewichten noemen, maar dat het gedetermineerde, onveranderlijke, waarden zijn gegeven de context en de getrainde inhoud van het taalmodel. Er kan nog niets ‘geleerd’ worden.
Dat wordt in de Transformer architectuur opgelost door de vectoren in te bedden in matrices met veranderbare gewichten die op basis van feed forward en backward propagation aangepast, aangeleerd, kunnen worden door het model. En daar waar we in de startsituatie alleen de vectoren
hebben, maken we drie verschillende gewichten-matrices: een voor Q, een voor K en een voor V.
De laatste stap: next token prediction
We hebben nog niet alle onderdelen van de architectuur besproken, met name het samenspel tussen de encoder en de decoder vraagt nog (veel) uitleg, maar ik wil dit bericht eindigen met de laatste componenten van de architectuur. Met laatste bedoel ik de uiteindelijke voorspelling van een volgend woord (als het om een talige context gaat).
Het totale schema uit het oorspronkelijke artikel zie je hier, de encoder in het linkerdeel, de decoder staat rechts. Merk op dat er bij beide “Nx” naast staat, dat wil zeggen dat eenzelfde onderdeel N maal herhaald wordt, afhankelijk van de complexiteit van de situatie.
Helemaal rechtsboven zie je de uitvoer staan, Output Probabilities. Die wordt geproduceerd door een Softmax component en een Linear component die worden toegepast op de output die de decoder verlaat.
De Linear laag is een volledig verbonden neuraal netwerk (een zg. dense neural network) die de contextvectoren die uit de decoder komen omzet in een veel grotere vector, de zg logits vector. Deze vector bevat de waarschijnlijkheden van alle mogelijke uitkomsten die het taalmodel kent en kan verbinden aan de contextvectoren.
De Softmax laag maakt van alle scores in de logits vector een keurig genormaliseerde kansverdeling (i.e. waarden tussen 0 en 1, bij elkaar opgeteld gelijk aan 1). De hoogste waarde in die verdeling geeft de voorspelling voor het meest plausibele volgende woord.
De tijd zal leren of de impact van AI, en de zoektocht naar AGI, te vergelijken zal zijn met die van de kwantummechanica. Ik durf al wel een aanvulling te doen op een beroemde quote: “God dobbelt niet, Hij vermenigvuldigt matrices“.
De oorspronkelijke uitspraak komt van Einstein, die niet geloofde in natuurkunde waarbij kansberekening een belangrijke rol speelt, zoals bij kwantummechanica. In 1926 schrijft hij aan Max Born “De theorie levert veel op, maar brengt ons nauwelijks dichter bij het geheim van de Oude. Ik ben in ieder geval overtuigd dat Hij niet dobbelt“.
In een artikel over de controverse tussen Einstein en de kwantumfysici kwam ik de uitdrukking ‘half-kennis‘ tegen. Misschien het toenmalige equivalent van A woven web of guesses... Ik heb mijzelf tot doel gesteld uit te zoeken hoe de grote taalmodellen omgaan met hun ‘kennis’ van de wereld. In eerdere berichten vind je uitleg over het attention mechanisme dat belangrijk is in het Transformer model. Een belangrijk element maar conceptueel onvoldoende om het gemodelleerde systeem echt te laten leren. Wiskundig instrumentarium, matrices en matrixrekening, biedt hulp zowel technisch als conceptueel.
Uiteindelijk blijken kansverdelingen toch weer een belangrijke rol spelen, in dit geval in de manier waarop de resultaten van AI tot stand komen.
Formule
Ruim 20 jaar voor zijn twijfel aan de nieuwe inzichten had Einstein zelf een nieuw inzicht vastgelegd over de relatie tussen massa en energie, samengevat:
. De formule is vaak geciteerd, te pas en te onpas wellicht, en is een icoon geworden voor een kantelpunt in de natuurwetenschappen. T-shirt waardig…
In mijn ogen is de Transformer architectuur ook een kantelpunt, nu in de ontwikkeling van AI. Er hoort ook een formule bij, iets minder catchy dan de formule van Einstein, maar in de toekomst wellicht even iconisch. Attention is all you need is niet voor niets de titel van het oorspronkelijke artikel.
![]()
De formule behelst de bewerking en vermenigvuldiging van Q, K en V en dat zijn matrices, vandaar in de aanhef mijn brutale aanvulling op de quote. In andere berichten probeer ik er achter te komen hoe het in elkaar zit, maar in dit bericht laat ik de techniek achterwege en focus ik op de rol die matrices als wiskundig hulpmiddel en als drager van gedachtengoed vervullen.
Matrices
Waar komen matrices tevoorschijn? Het attention mechanisme in de Transformer architectuur levert iets op dat we gewichten noemen, maar die slechts putten uit gedetermineerde, onveranderlijke, waarden binnen de context en getrainde inhoud van het taalmodel. Er kan op dat moment met het Transformer deep learning model nog niets ‘geleerd’ worden.
In de modellering wordt het opgelost door de introductie van matrices waarin de vectoren zijn ingebed. Die matrices bevatten veranderbare gewichten die met deep learning aangeleerd kunnen worden.
Van een afstandje bekeken is er geen directe inhoudelijke of intrinsieke relatie tussen matrices en deep learning. Matrices lijken in dit opzicht ‘inhoudsvrij’ te zijn. Dat maakt ze tot geschikte wiskundige hulpmiddelen, vehikels die voor de gelegenheid worden geladen met de conceptuele inhoud van het domein, vertaald in vectoren, scores en gewichten. En daarna kan je er gewoon mee rekenen, natuurlijk.
Door te werken met matrices kan bovendien in het Transformer model het enkelvoudige attention mechanisme worden gegeneraliseerd naar een Multi-Head attention. Alle er mee gemoeide informatie wordt bij elkaar ‘onthouden’ en – zeer belangrijk voor de performance van dit soort systemen – in parallel getransformeerd.
In het geval van de meerdere heads gebeurt dat wiskundig gezien door concatenatie van de matrices. Simpel gezegd: ze worden letterlijk aan elkaar geplakt tot een nieuwe matrix. Ook met die nieuwe matrix kun je rekenen, maar en passant gebeurt er iets spectaculairs. Veronderstel dat een enkelvoudig attention mechanisme (single head) 2-dimensionale matrices gebruikt. Met, bijvoorbeeld, 3 heads zorgt de concatenatie er voor dat er een 6-dimensionale matrix ontstaat. Zo’n matrix ‘leeft’ in een eveneens 6-dimensionale vectorruimte waar concepten als dot product en cosine similarity gewoon hun betekenis behouden maar waar het menselijk voorstellingsvermogen het al snel moet laten afweten.
Het meest waarschijnlijke volgende woord
Het totale schema uit het oorspronkelijke artikel zie je hier, encoders staan links, decoders rechts. Aan beide kanten staat “Nx”, dat wil zeggen dat eenzelfde onderdeel N maal herhaald wordt, afhankelijk van de complexiteit van de situatie. In het artikel is N=6.
Voor uitleg verwijs ik naar elders, hier wil ik het hebben over de uitvoer die je rechtsboven ziet staan, Output Probabilities. Die uitvoer wordt volgens het schema geproduceerd door een Softmax component en een Linear component die werken op de output die de decoder verlaat, output die bijna volledig met matrixberekeningen tot stand is gekomen.
De Linear laag is een volledig verbonden neuraal netwerk (een zg. dense neural network) die de contextvectoren die uit de decoder komen omzet in een veel grotere vector. Deze vector bevat scores van alle mogelijke uitkomsten die het taalmodel kent – een zeer ruime verzameling tokens – die in relatie zijn gebracht met de contextvectoren.
Voor het geval die scores getalsmatig nog alle kanten opgaan, maakt de Softmax laag er een keurig genormaliseerde kansverdeling van (i.e. waarden tussen 0 en 1, bij elkaar opgeteld gelijk aan 1). Zo is het toch weer dobbelen geworden: de hoogste waarde in die verdeling geeft de voorspelling voor het meest plausibele volgende woord, niet voor het ‘zekere‘ vervolg. Einstein zou misschien niet tevreden zijn…
Een treffende overeenkomst
In de jaren (19)20 werkte Heisenberg aan een theorie om energieniveaus en kwantumsprongen met elkaar te verbinden. Formules en berekeningen bij de vleet, maar hij kreeg de theorie niet passend bij de getallen die hij met de berekeningen vond. Met name de volgorde waarin die berekeningen werden gedaan bleek van invloed op de resultaten die hij kreeg.
Heisenberg durfde zijn bevindingen niet voor publicatie aan te bieden, maar hij stuurde het hele pakket naar Max Born (dezelfde die in 1926 de niet-dobbelen brief van Einstein kreeg). Born stelde voor om de getallen door matrices te vervangen, daarmee werd in elk geval de invloed van volgorde in berekenen meteen goed gemodelleerd. Matrixvermenigvuldiging is niet commutatief zoals dat heet, volgorde doet er toe. Bij 2 matrices A en B is de uitkomst van A x B een andere dan van B x A.
Deze modellering leidt uiteindelijk tot het onzekerheidsprincipe van Heisenberg. In mijn woorden: een fysische werkelijkheid bestaat niet los van de manier waarop deze is waargenomen en is afhankelijk van de volgorde van bepaalde waarnemingen.
Als onverbeterlijk romanticus zie ik een parallel. Ook in het geval van Heisenberg/Born wordt de matrix en matrixrekening als vehikel voor – in dit geval kwantumfysische – inhoud naar binnen gehaald. De matrices zijn vervolgens de vastlegging van waarschijnlijkheden, van kansverdelingen – precies dat waar Einstein zich in de brief van 1926 tegen verzet had.
Wellicht is er helemaal geen parallel, maar ik neem in elk geval de kans te baat om een geweldige, zeer tot mijn verbeelding sprekende, foto te laten zien. Op de foto staan de 29 deelnemers aan de 5e Solvay conferentie van 1927, een jaar na de God-dobbelt-niet uitspraak van Einstein. Ze spreken daar over de kwantumfysica, met name over het onzekerheidsprincipe van Heisenberg en de golf-of-deeltje opvattingen. Er zijn een paar facties daar, die het beslist niet met elkaar eens zijn, maar op de groepsfoto zie je er niks van.
De foto is een geweldig zoekplaatje, wie staan er op? Nou ja, de namen staan er onder – ik verklap dat hier een halve Nobelprijzenpot bij elkaar op de foto is gegaan, 17 van de 29 aanwezigen hebben ooit een Nobelprijs gekregen. En Madame Curie telt dubbel, zij kreeg er twee.
Ook de door mij opgevoerde actoren zijn er: Einstein, niet te missen vooraan, en Heisenberg en Born aan de rechterkant.
Hoe mooi zou het zijn om een hedendaagse variant van de foto te maken, met alle kopstukken, spraakmakers en deskundigen bijeen om over de richting van AI ontwikkeling te confereren? Ik ben benieuwd hoeveel vrouwen er op die foto zouden staan, maar optimistisch over dat aantal ben ik niet.
Zoek je een baan bij OpenAI, de makers van GPT? Het moet boeiend zijn om daar nu te werken, aan de voorkant van de AI ontwikkeling. Er is een waslijst aan vacatures.
Sowieso is het interessant eens te kijken op de site van OpenAI. Je vindt er ook de kernwaarden van het bedrijf, de Core Values.
Semafor, een van mijn favoriete onafhankelijke nieuwsplatforms, ontdekte vorige week een interessante verschuiving in die Core Values. OpenAI heeft er zelf geen ruchtbaarheid aan gegeven.
In het ene fragment zie je de kernwaarden zoals ze in september nog werden geformuleerd (het is een screenshot van 25 september 2023 van het Internet Archive). Laten we zeggen dat het een passend rijtje is voor een start-up in de techsector.
In het andere zie je de formulering die in oktober op de site is verschenen van wat inmiddels een grote speler is. Interessant is de verschuiving van impact-driven naar make-something-people-love, ze lijken in elk geval goed opgelet te hebben. Prikkelend is het onverhulde geloof in opschalen, when in doubt, scale it up. En voor de goede orde: ik denk dat ze hier doelen op opschalen in de techniek (LLM immers!), niet zozeer in de commerciële doelstellingen. Die komen vanzelf wel.
Ronduit verrassend vind ik de eerste kernwaarde: alle ontwikkel inspanningen moeten onverbiddelijk gericht zijn op AGI, Artificial General Intelligence. De rest is out-of-focus.
Ik had niet verwacht al zo snel serieus aandacht te moeten besteden aan het onderwerp AGI. In eerder berichten ging het er wel over, ik noemde het zelfs de ‘heilige graal’ van AI onderzoek, maar het klonk nog als ver weg – misschien wel onbereikbaar. Daar denk ik nu minder lichtzinnig over. Ik had al interviews gezien met AI guru’s die de haalbaarheid van AGI steeds verder in de tijd naar voren halen, maar dat kun je nog afdoen als wishful thinking, preken voor eigen parochie, of zelfs snake oil.
Nu is het echt. OpenAI is zelf een grote speler, via voorman Sam Altman ook in beeldvorming. De samenwerking met Microsoft is steeds inniger geworden, niet alleen financieel maar ook op het gebied van research. De nieuwe focus heeft impact op het hele bedrijf, bovendien halen ze busladingen ontwikkelaars binnen die maar op één doel zijn gericht: AGI.
En er is writing-on-the-wall: opvallend vaak begint ook in niet gespecialiseerde media de uitdrukking ANI op te duiken, Artificial Narrow Intelligence, voor de huidige AI.
Om het rijtje afkortingen compleet te maken: er wordt ook gesproken over ASI, Artificial Super Intelligence. Dat is wat er na AGI komt en zo krachtig zal zijn dat het alle menselijke intelligentie overstijgt.
Menselijke intelligentie – daar ken ik geen afkorting voor, of het zou IQ moeten zijn. Zou je het idee achter IQ ook kunnen toepassen in de Artificial wereld? Een AIQ om de maturiteit van de betreffende variant aan te geven?
Of zal het idee van menselijke intelligentie als maat der dingen achterhaald raken? Ik zag in sommige artikelen al onderscheid tussen ‘carbon‘ en ‘silicium‘ intelligence, voor biologische resp. technologische intelligentie.
Voor mijn blog is er genoeg laken voor de schaar. In komende berichten zal ik mij eerst maar eens bezighouden met definitie-kwesties, want er is veel spraakverwarring en onduidelijkheid en niet alleen bij mij.
“Zou je het idee achter IQ ook kunnen toepassen in de Artificial wereld? Een AIQ om de maturiteit van de betreffende variant aan te geven?” Ik schreef het hier kort geleden. Toeval of niet, maar ongeveer per ommegaande werd ik op mijn wenken bediend.
Een team van DeepMind heeft op 4 november 2023 een artikel gepubliceerd met een voorstel voor “… a framework for classifying the capabilities and behavior of Artificial General Intelligence (AGI) models and their precursors...”.
De auteurs definiëren verschillende niveaus – Levels of AGI. Ze passen die toe op zowel Narrow AI als General AI, met voorbeelden voor een inschatting van de huidige stand van zaken.
Het artikel is een voorstel voor een classificatie-raamwerk, een taxonomie. Het is rijk aan voorbeelden en casussen uit heden en verleden, en bevat een uitgebreide lijst aan referenties en bijbehorende links. Ik bespreek het hier.
Casuïstiek
Ook het team van DeepMind worstelt met definitiekwesties. Wat is AGI? In het artikel wordt een aantal case studies gepresenteerd, zoals de oorspronkelijke Turing Test (1950). Zoals het werk van John Searle (Searle 1980) waarin hij stelt dat met de juiste programmatuur computers letterlijk begrip en andere cognitieve statussen kunnen hebben (1980). Analogie met het menselijk brein door Mark Gubrud in 1997 – hij introduceerde ook de term AGI. Presteren bij cognitieve taken op menselijk niveau, met nadruk op het non-fysieke karakter van die taken (Ben Goertzel in 2014). Metacognitieve vaardigheden zoals het kunnen aanleren van nieuwe skills (2015, Shanahan). Het kunnen doen van complexe taken die meerdere stappen en vooruitdenken vragen (Suleyman in The Coming Wave, 2023). En meer casuïstiek.
Principes en uitgangspunten
Op basis van de voorbeelden en casusssen komt DeepMind met in totaal zes uitgangspunten die bijdragen aan een heldere en operationele definitie van AGI.
- Focus op bekwaamheid (capability), niet op proces.
Het gaat er om wat een AGI voor elkaar kan krijgen, niet om het mechanisme dat wordt gebruikt. Daarmee blijven we ook ver van de discussie of systemen kunnen ‘denken’ of ‘begrijpen’. - Focus op zowel algemeenheid (generality) als prestatie (performance). Prestatie is per definitie altijd narrow, specialistisch.
- Focus op zowel cognitieve als metacognitieve taken. De vraag of er bij AGI ook sprake moet zijn van een fysieke component, een robot zeg maar, laten we hier in het midden.
- Focus op potentieel, niet op realisatie of uitvoering (deployment).
- Focus op ecologische waarde – AGI die de halve aarde aan resources nodig heeft is niet waardevol.
- Focus op het pad naar AGI, niet een enkel eindpunt.
Taxonomie
Voor de classificatie willen de auteurs vijf niveaus onderscheiden, ze stellen ook naamgeving voor. Net als bij de tabellen voor menselijk IQ gangbaar is gebruiken de ze percentielen om de niveaus af te bakenen.
Ik laat de voorgestelde namen onvertaald.
- Emerging. Op dit niveau presteert de AI gelijk of iets beter dan de gemiddelde mens die niet over specifieke vaardigheden beschikt.
- Competent. Prestaties zijn minimaal in het 50e percentiel van volwassenen met relevante kennis en vaardigheden (skilled adults), niet het algemene publiek.
- Expert. Prestaties minimaal in het 90e percentiel van de skilled adults.
- Virtuoso. Prestaties minimaal in het 99e percentiel. Vergelijk: bij IQ tabellen komt het 99e percentiel overeen met een IQ van 135.
- Superhuman. Betere presentaties dan 100% van de mensheid. Bij Narrow AI wordt dit niveau al door sommige systemen gehaald, denk aan AlphaFold bij het voorspellen van de 3-dimensionale configuratie van een eiwit op basis van de lineaire sequentie van aminozuren (meestal ligt het aantal letters in een DNA-string rond de 1600).
Als het om het algemene bereik van cognitieve en metacognitieve vaardigheden gaat is dit het niveau dat we eerder als ASI, Artificial Super Intelligence hebben aangeduid.

De niveaus zijn in de afbeelding opgenomen, met twee ‘lijnen’ conform principe 2.: Narrow resp. General. Waar mogelijk is per onderdeel een aantal voorbeelden opgenomen. Voor Narrow AI is er op elk niveau nog wel iets te vinden, in de lijn General AI is er alleen bij Emerging een eerste aanzet – bij de huidige taalmodellen – bij de andere niveaus van AGI zijn nog geen voorbeelden te geven.
Wanneer is AGI ook echt AGI?
De gekozen taxonomie vergt een gedegen uitwerking van testmetingen en benchmarking. Ook dit onderwerp staat nog aan het begin van de rit, zeker als je de gekozen uitgangspunten als – streng – beoordelingskader zou willen gebruiken. Daar waar het gaat om performance geven de percentiel grenzen mogelijkheden om te ‘meten’. maar als het om de brede algemeenheid gaat zijn er vooral nog openstaande vragen.
Welke verzameling taken moet je definiëren om algemeen genoeg te zijn? En als je die taken dan hebt bepaald, welk deel met succesvolle uitvoering bepaalt dan het niveau?
Zijn er knock-out criteria – taken die in elk geval succesvol gedaan moeten worden om een bepaald AGI niveau te halen? Bijvoorbeeld meta-cognitieve taken? En zo voort.
De auteurs pleiten voor een AGI benchmark die een brede verzameling cognitieve en metacognitieve taken omvat, waaronder in elk geval taken op het gebied van taalkundige intelligentie, wiskundige en logische redeneringen, ruimtelijk inzicht, sociale intelligentie, het vermogen om nieuwe vaardigheden aan te leren en creativiteit. En als je de AI vergelijkt met de performance van een mens op dezelfde taken, mag die mens dan technologische hulpmiddelen gebruiken, waaronder AI-tools?
Het ontwikkelen van een AGI benchmark wordt een uitdagend en iteratief proces, volgens de auteurs, en een richtpunt voor de AI research gemeenschap.
Autonomie
Ook op deze site is al een aantal malen gerefereerd aan een bepaalde angst voor AGI, de vrees dat die uiteindelijk een existentieel risico voor de mensheid wordt. De niveau-gerichte benadering kan een deel van die vrees wegnemen, of er voor zorgen dat er tijdig maatregelen worden genomen. Denk bijvoorbeeld aan het zorgen voor nieuwe banen voor mensen die op de arbeidsmarkt hun baan aan AI dreigen kwijt te raken.
De feitelijke vrees dat het uit de hand gaat lopen betreft vooral de Virtuoso en Superhuman niveaus waar de AI de mens op intelligentie gaat overtreffen, niet alleen op een specifieke set taken maar in de volle breedte.
De vijf niveaus van AGI zoals in het schema bestaan natuurlijk niet in isolatie. Het gaat om taken die in context worden uitgevoerd. De context bepaalt in hoge mate de risico’s die met de AI gepaard gaan. Die zullen soms samen gaan met het taakgebied in kwestie. Op dit moment is er veel discussie over de mogelijkheid om met behulp van AI biochemische wapens te ontwerpen en te maken, of andere dreigingen voor te bereiden. Toch zitten voor mij hier niet de meest angstige scenario’s: AI doet het niet zelf, er is altijd een groep menselijke slechteriken bij nodig. Met of zonder AI is daar misschien niet veel verschil met het gewone leven.
De game changer, als je het zo wilt noemen, hangt samen met de factor ‘autonomie‘. De zelfrijdende auto is een voorbeeld dat al zo vaak is opgevoerd in de discussie dat het bijna een metafoor is geworden, inclusief geconstrueerde morele dilemma’s. Die zijn nog relatief onschadelijk in vergelijking met andere werelden, bijvoorbeeld die waarin van AI voorziene wapens zelf beslissingen nemen. Of die met robots die ingezet worden voor (fysieke) bewakingstaken. Of klimaatmodellen die niet alleen uitrekenen wat het effect van bepaalde maatregelen zoals klimaat- en geo-engineering zal zijn maar op dat terrein ook zelfstandig mogen beslissen of klaar gezette scenario’s uitgevoerd gaan worden.
Voor de auteurs van het artikel is er zo genoeg aanleiding om ook niveaus van autonomie te onderscheiden, ook vijf in getal. Autonomie is weliswaar een andere dimensie, maar niet los te zien van de niveaus van AGI. In het artikel wordt een eerste opzet gegeven waarin de niveaus van autonomie worden benoemd en tentatief gekoppeld aan mogelijke toepassingen en bijbehorend AGI niveau. Ik laat het hier bij de lijst van vijf niveaus van autonomie in relatie met AGI. De vertaling in het Nederlands is hier lastig, het gebruikte Engelse woord staat tussen haakjes. Met name voor de laatste, ‘agent’, is het moeilijk een equivalent in het Nederlands te vinden. Actor is een optie, of algoritme, of entiteit. Ik heb gekozen voor ‘zelfstandig agent’.
- Gereedschap (tool). Mensen hebben volledige controle en gebruiken AI om dagelijkse (sub) te automatiseren
- Adviseur (consultant). AI speelt een belangrijke en zelfstandige rol, maar alleen nadat mensen dit hebben gevraagd.
- Meewerker (collaborator). Gelijkwaardige samenwerking tussen mens en AI, met een interactieve coördinatie en afstemming van doelen en uitvoering.
- Expert (expert). AI heeft hier het initiatief, mensen geven begeleiding en feedback en helpen soms mee op aanwijzing van de expert.
- Zelfstandig agent (agent). De AI is hier volledig autonoom, hoeft niet aangezet of gevraagd te worden maar neemt zelf initiatieven.
Risico’s
Met het inzetten van AGI worden risico’s geïntroduceerd die er niet eerder op die manier waren. Dat is bij elke nieuwe technologie het geval. Denk aan de spreekwoordelijke man met rode vlag die vooruit moest lopen bij de eerste gemotoriseerde voertuigen. In het artikel dat we hier bespreken wordt een aantal voorbeelden van ‘nieuwe’ risico’s genoemd, maar nog niet erg uitgewerkt.
BREAKING NEWS komt dwars door het blogbericht dat ik in aan het maken ben: CEO Sam Altman is per direct (17 november 2023) ontslagen door OpenAI. Hij wordt tijdelijk opgevolgd door Mira Murati, de huidige CTO van het bedrijf.
Veel detail is er niet bekend — Altman zou ‘not consistently candid in his communications’ zijn geweest. Alle commentaren wijzen in één richting: paniek in de tent.
Ik was van plan om verder te gaan met de vraag hoe en wanneer AGI ‘bereikt’ zou zijn. Ik wilde laten zien dat er bij OpenAI wonderlijke gedachten over bestaan. Kort samengevat is het daar de Board of directors, die beslist wanneer het moment daar is. Ik kan me er geen voorstelling bij maken, hebben ze een soort jury proces in gedachten?
Het heeft alles te maken met de geschiedens van OpenAI. Gestart als een not-for-profit organisatie was er op enig moment noodzaak en gelegenheid om een for-profit onderneming op te richten. Via een holding constructie heeft de not-for-profit organisatie een meerderheidsaandeel in het profit bedrijf. Overwinst vloeit terug naar de not-for-profit organisatie.
De structuur is, in de woorden van OpenAI: ...a chassis for OpenAI’s mission: to build artificial general intelligence (AGI) that is safe and benefits all of humanity.
De uitleg staat -in varianten- al jaren op de site van OpenAI, zie de schermafbeelding. Voor zover ik weet heeft op dit moment de holding 51% en Microsoft 49% van het eigenaarschap van de profit organisatie OpenAI Global.
Bij de 5e bullet van het structuurverhaal lees je dat het klopt dat de board beslist ‘…when we’ve attained AGI.’
De beslissing heeft directe commerciële en organisatorische impact op OpenAI en de samenwerking met Microsoft. Een gerealiseerd AGI-systeem wordt uitgesloten van de licenties en commerciële overeenkomsten met Microsoft.
De constructie alleen al lijkt me een overdaad aan splijtstof te bevatten, maar de komende dagen en weken zal wellicht duidelijk worden wat de achtergrond van het ontslag van Altman is. Voor de tussentijd heb ik een weliswaar voor de hand liggende, maar toch aardige, grap. Breaking news: OpenAI heeft een AGI systeem weten te maken! Het heeft als eerste daad Sam Altman ontslagen… Inmiddels las ik op vele plaatsen varianten, maar ik heb hem echt zelf verzonnen…
“Jij mag niet meer meespelen” zoals bij een schoolpleintjesruzie, of klungelend bestuur zoals bij de PvdD, of techmiljardairs die elkaar de tent uitvechten om nog meer miljarden te schrapen zoals de Franse filosoof Eric Sedin het misschien zal zien? Of mijn flauwe grapje dat OpenAI een AGI systeem heeft weten te maken dat vervolgens meteen Sam Altman ontslagen heeft?
Het grapje is dichter bij de werkelijkheid dan ik kon vermoeden. In overdrachtelijke zin dan. Lees verderop waarom ik denk dat deze soap direct verband houdt met onverwachte vorderingen op het gebied van Artificial General Intelligence.
Ik wil van dit blog geen juicekanaal maken, maar laten we even kijken wat er is gebeurd.
- De CEO van OpenAI, Sam Altman, wordt op vrijdag 17 november onverwacht en onverhoeds ontslagen door het bestuur van de not-for-profit organisatie die 51% zeggenschap heeft over het bedrijf OpenAI global, de uitbater van o.a. ChatGPT.
- Dit gebeurt in een videomeeting van een deel van dat bestuur. Chief scientist Ilya Sutskever voert het woord. De voorzitter van het bestuur, Greg Brockman, is niet uitgenodigd voor de sessie en krijgt direct na afloop te horen dat hij voorzitter af is maar nog wel mag blijven als hoofd wetenschapper. Brockman neemt dezelfde dag nog ontslag.
- Er wordt uit eigen kring een nieuwe CEO aangesteld, Mira Murati, die enkele uren later al weer wordt vervangen door een externe benoeming.
- Ilya Sutskever post een bericht op X waarin hij spijt betuigt over wat hij gedaan heeft.
- Microsoft, met 49% zeggenschap over het bedrijf, is niet geïnformeerd. En ook niet amused. Sam Altman is het boegbeeld van OpenAI, Microsoft heeft vele miljarden geïnvesteerd in vooral de infrastructuur die nodig is voor GPT en toekomstige producten. Ze hebben hoge verwachtingen van het partnerschap met OpenAI op het gebied van AI ontwikkeling.
- Pogingen om Altman terug te laten keren in zijn oude rol mislukken, waarop Microsoft Altman en Brockman in dienst neemt om een nieuwe, onafhankelijke, AI research unit te gaan opzetten en leiden.
- Enkele dagen later eist het zo goed als voltallige personeel (per brief met ruim 700 ondertekenaars, waaronder Murati en Sutskever) dat Altman weer wordt aangesteld. Het zittende bestuur moet vertrekken. Anders stappen ze allemaal over naar Microsoft, naar de nieuwe unit.
- De brief heeft zijn effect, en ook andere stakeholders voeren de druk op: Altman is weer terug als CEO, er is een nieuw bestuur. Ook Greg Brockman is weer terug. Microsoft heeft zijn naïviteit verloren, er zullen aanvullende governance voorzieningen worden getroffen.
Eind goed, al goed? Ik vraag het me af. Nog steeds is niet duidelijk waarom het bestuur Altman ontslagen heeft. In de geruchtenstroom begint één mogelijke verklaring de overhand te krijgen. Binnen OpenAI loopt al enige tijd het project Q* (Q Star), gericht op het dichterbij brengen van AGI (zoals alle projecten van OpenAI). Recent zou er een doorbraak zijn geweest, die ook voor de eigen ontwikkelaars tamelijk onverwacht snel is gekomen. Ze hebben daarover het bestuur geïnformeerd.
Net als misschien wel in de gehele samenleving bestaan er binnen OpenAI twee stromingen. De doemdenkers, safetyisten, die vrezen dat al te snelle en ongecontroleerde ontwikkeling van AGI zal leiden tot grote schade aan de mensheid, misschien wel tot verdwijnen er van. De positivo’s, accelerationisten, die niet kunnen wachten tot de zegeningen van AGI de mensheid gaan redden van allerlei bedreigingen op het gebied van gezondheid en ziekte, milieu en weer- en klimaat. Altman neigt naar de laatste groep maar is genuanceerd, Sutskever hoort bij de eerste.
Kennelijk waren de ontwikkelingen binnen Q* zo onverwacht en krachtig dat de paniek is toegeslagen bij de safetyisten. Voor dit blog boeit mij niet zo hoe het nu in personele zin verder gaat bij OpenAI, maar wel wat die ontwikkelingen in Q* nu eigenlijk zijn. Dat is voor een volgend bericht.
We must always exert the full strength of our imagination to examine where the full use of our new modalities may lead us.
Deze wijze raad komt niet uit de hoek van het recente alarmisme over AI, maar uit een artikel van Norbert Wiener uit 1960 (Some Moral and Technical Consequences of Automation, Science Vol.131 pp. 1355-1358). Wiener is de uitvinder van de term Cybernetica, en had al in 1947 een boek onder deze titel (Cybernetics) gepubliceerd over besturing en communicatie in zowel levende organismen als machines.
In 1960 kreeg een schaakprogramma op de computer nog regelmatig klop van amateurspelers, maar bij checkers (i.e dammen op een 8×8 bord) kon een programma al wel zoveel leren van het spelen van partijen dat het na verloop van tijd de eigen programmeur kon verslaan. Het gegeven dat een computer programma slimmer kan worden dan degene die de oorspronkelijke instructies gegeven had, was voor Wiener een kantelpunt. Dat het hier om een smalle taak gaat verhinderde hem niet zijn ‘imagination‘ aan het werk te zetten en op basis daarvan aan te sporen tot grote voorzichtigheid.
Een belangrijk element in zijn overwegingen is de factor tijd, of eigenlijk snelheid, die voor een computer op een geheel andere schaal werkt dan voor een individuele mens. Mocht er ondanks goede bedoelingen waarmee een zichzelf lerende computer in werking wordt gezet toch iets mis gaan, dan is de mens te laat om het te herkennen en zeker te laat om in te grijpen.
Wiener vergelijkt met de Tovernaarsleerling van Goethe:
“… Ein verruchter Besen!
Der nicht hören will.
Stock! der du gewesen,
Steh doch einmal still!
Willst’s am Ende
Gar nicht lassen;
Will dich fassen,
Will dich halten,
Und das alte Holz behende
Mit dem scharfen Beile spalten…”.
Voor wie het verhaal niet kent: de leerling had als taak gekregen om water te halen. Uit luiigheid wist hij met zijn nog beperkte tovenaarskunst een bezem zodanig te betoveren dat die water ging halen. En ging halen, en ging halen… totdat de leerling er bijna in verdronk. De leerling kent de spreuken niet om het te stoppen. Hij dreigt met de bijl, gebruikt deze ook met als gevolg dat er meer bezems ontstaan die water gaan halen. De tovenaar zelf weet aan het einde van het gedicht gelukkig wel de juiste spreuken om het te stoppen.
Hier en nu vliegen de voorspellingen over de toekomst van AI en de gevaren van te snelle ontwikkeling ons om de oren. Ik denk dat niemand weet –kan weten– waar het heen gaat en in welk tempo. Het Woven web of guesses is hier een onrustig spanningsveld waarin wetenschappelijke inzichten, economische belangen en ideologische overtuigingen er een ware richtingenstrijd van lijken te maken.
Ik vind voorlopig rust in het boek van Stuart Russel: Human Compatible, AI and the Problem of Control (2019, met een actualisering van medio 2023). Over zijn inzichten schrijf ik later, of het de juiste bezweringsformules zijn weet ik nog niet, ik heb het boek nog niet ver genoeg gelezen.
Er zijn mensen die denken dat je AGI en ASI kunt bereiken door het menselijk brein na te bouwen in computers. Mogelijk zou je zelfs bewustzijn van een menselijke donor kunnen uploaden.
Projecten op dit gebied staan bekend onder de verzamelnaam Whole Brain Emulation, WBE.
Anders Sandberg (University of Oxford) vatte in een artikel uit 2014 de gedachtegang samen:
Whole brain emulation (WBE) is the possible future one-to-one modeling of the function of the entire (human) brain. The basic idea is to take a particular brain, scan its structure in detail, and construct a software model of it that is so faithful to the original that, when run on appropriate hardware, it will behave in essentially the same way as the original brain. This would achieve software-based intelligence by copying biological intelligence (without necessarily understanding it).
Ik moet bekennen dat ik zelf ook lange tijd de fantasie heb gehad dat computers het equivalent van menselijke intelligentie zouden kunnen hebben als ze eenmaal maar net zoveel elementen, transistors, in geïntegreerde schakeling zouden tellen als er in het menselijke brein aan neuronen en verbindingen aanwezig zijn. Mijn wat kinderlijke gedachte was dat zulke intelligentie in computers min of meer spontaan zou ontstaan als eenmaal de omvang op orde was.
De robotverhalen van Asimov en andere science fiction hielpen die fantasie in stand houden, zeker toen ik hoorde van de Wet van Moore. Die wet zegt dat door technische vooruitgang het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling elke twee jaar verdubbelt.
Eigenlijk is het niet meer dan een voorspelling die Gordon Moore — de baas van Intel destijds — half de jaren 60 deed toen er nog maar 64 transistors op een chip gingen. Ik hoorde er pas 20 jaar later voor het eerst van, ik weet niet meer waar of van wie, maar de voorspelling was toen nog steeds accuraat.
Het is niet zo moeilijk om uit te rekenen wanneer het gedenkwaardige moment komt dat het aantal schakelingen in een computer het aantal neuronen en verbindingen in het menselijk brein evenaart en daarna gaat overtreffen. We zijn er dichtbij, want we hebben het voorspelde tempo aardig vol weten te houden — met in de laatste jaren een niet te onderschatten rol van ASML.
Geef je verbeelding even de ruimte.
Het menselijk brein bevat naar schatting 80-90 miljard neuronen, goed voor 10.000 miljard synaptische verbindingen.
De M2 Ultra-chip van Apple heeft 134 miljard transistors, de grafische processor Nvidia AD102 GPU heeft er 75 miljard. Zeg samen 200 miljard. De geheugenchips zijn dan nog niet meegerekend.
Verdubbelen elke 2 jaar naar 10.000 miljard gaat via 200->400->800->1.600->3.200->6.400->12.800 miljard.
Minder dan 6 “stappen” vanaf nu, zeg 10 -11 jaar. Voor consumentenelektronica…
Kort geleden zag ik de sciencefictionfilm Transcendence (uit 2014).
Daarin wordt het volledige bewustzijn van een (vermoorde) geleerde geüpload naar een kwantumcomputer. Qua omvang van de data en benodigde schakelingen is het niet vreemd dat het er in past.
Het onwaarschijnlijke deel is dat de personage zo verder ‘leeft’. In de film ontwikkelt deze intelligentie zich explosief — ongehinderd immers, en dankzij internet met toegang tot alle materiële en immateriële bronnen. Het dreigt voor de mensheid niet goed af te lopen, natuurlijk.
In het kamp van de AI doemdenkers wordt dit de gang naar de singulariteit genoemd, een punt in ruimte-tijd waar natuurwetten hun geldigheid niet (meer) hebben (zoals bij de oerknal bijvoorbeeld).
Hoe serieus moeten we dit alles nemen? Het prikkelt zeker de verbeelding. Ik heb inmiddels grote twijfels of emulatie op deze manier zou kunnen werken en of je in enige vorm –in de woorden van Sandberg– biologische intelligentie in software gebaseerde intelligentie zou kunnen omzetten. Er zit wat mij betreft te veel veronderstelde spontaniteit in de aannames, en misschien wel een denkfout die formeel als category error benoemd kan worden. Zoals de gedachte dat de tanden en kiezen van een goed aangemeten kunstgebit vanzelf in de kaak van de tandeloze zullen gaan vastgroeien…
Definitief ben ik van mijn oorspronkelijke illusie beroofd door het podcast interview van Lex Fridman met Karl Friston van zo’n 3 jaar geleden. Friston is een neurowetenschapper die veel fysisch onderzoek op het gebied van hersenscans (MRI en zo) heeft gedaan en mede op basis daarvan een aantal principes over de werking van het brein heeft geformuleerd. In komende berichten kom ik uitgebreid terug op dit werk dat belangrijk is om te begrijpen hoe interne processen in het brein zich verhouden tot waarnemingen en acties in de externe wereld. Bovendien heeft Friston zich recent in de dynamische wereld van AI ontwikkeling gestort. Een jaar geleden is hij benoemd tot Chief Scientist bij VERSES, zie het persbericht.
De eye-opener voor mij (en voor Fridman, zo bleek) was dat je een (menselijk) brein niet moet opvatten als een ongestructureerde verzameling van volledig met elkaar verbonden neuronen die nog vrij in te richten is. Het is geen magic soup. In werkelijkheid (en dan bedoel ik de fysische) is je brein een hiërarchische structuur die uit een aantal lagen bestaat. Friston vergelijkt het met de structuur van een ui.
De inrichting van die lagenstructuur is niet zonder meer af te leiden uit een snapshot of scan van het netwerk van synaptische verbindingen en de waarden van de neuronen daarin, zoals bij machine learning. Het is een structuur die voortdurend in ontwikkeling is om de entiteit van het brein in een dynamische omgeving in stand te houden. Verlaat dus maar het idee dat je een brein als een soort geheugendump, een momentopname, zou kunnen uploaden waarna die vanzelf tot leven zou komen.
Ze hadden natuurlijk ook gewoon even kunnen bellen met Sam Altman of Bret Taylor van OpenAI. In plaats daarvan hebben ze een paginagrote advertentie geplaatst in de New York Times van 19 december 2023 met daarin een Open Letter to the Board of Directors at OpenAI waarin ze de ‘assistentie’ van OpenAI claimen bij hun verdere ontwikkeling van AGI.
‘Ze’ is het bedrijf VERSES AI, ik heb ze in een eerder bericht al eens genoemd omdat Karl Friston, de gelauwerde neurowetenschapper, daar sinds een jaar Chief Scientist is.
Waar gaat het om? VERSES zegt een doorbraak te hebben bereikt in de ontwikkeling op weg naar AGI. Hun doorbraak ligt op een ander pad dan dat van de grote taalmodellen, zij ontwikkelen op basis van de theorieën van Friston, zoals het Free Energy Principle. VERSES noemt die benadering Active Inference.
En bij OpenAI hadden ze de deur al wijd opengezet. In het charter van OpenAI Inc (i.e. de nonprofit holding van OpenAI Global LLC) staat inderdaad met zo veel woorden dat ze zullen stoppen met zelfstandig (en competitief) doorontwikkelen zodra er een project dicht genoeg bij AGI komt voordat OpenAI daar zelf is. Ze zullen dan dat project gaan assisteren, precies wat VERSES vraagt. De trigger-voorwaarde in het charter is een goede kans op succes binnen twee jaar.
De tekst van het charter is al uit 2018, maar zeer recent heeft CEO Sam Altman gezegd dat er (na ChatGPT) een nieuwe doorbraak nodig is om AGI te bereiken. Op de huidige manier doorontwikkelen van LLM met steeds meer parameters en steeds meer energiebehoefte om de modellen te laten draaien is een heilloze weg, aldus Altman. Hij staat niet alleen in die opvatting, ook andere spraakmakers (zoals Bill Gates, Yann LeCunn, Gary Marcus) zijn het met hem eens.
Dus ja, er is voldoende gelegenheid voor partijen om hun kans te grijpen. De uitspraak van Altman impliceert dat het dus niet andere ontwikkelaars van LLM kunnen zijn. Daarom is VERSES, in elk geval op papier, een geweldige kandidaat om hun eigen wagentje aan de rijdende trein te haken en wellicht zelfs de trekkende rol over te nemen.
Alles staat of valt natuurlijk met de deugdelijkheid van de claim van VERSES AI dat ze zover zijn. Hun communicatie is strak, zelfs agressief, in de stijl van Apple en Microsoft in hun beginjaren. Ik heb zelf nog onvoldoende kunnen kijken naar de inhoudelijke kant, die wel erg schuil gaat onder hun marketingcommunicatie en ronkende modellen, maar ik wil me graag laten verrassen. Het spel is nog maar net begonnen…
Het promofilmpje dat hoort bij de campagne van VERSES staat online. Bekijk het hier en vorm zelf een oordeel. De video is in elk geval professioneel gemaakt en is de 7,5 minuut om er naar te kijken zeker waard.
Toevoeging 6 januari 2025: de link naar de video brengt je bij Vimeo – het filmpje is er misschien nog, maar het lukt mij niet meer om in te loggen.
“Eindeloos typende apen” en “Jan Hein Donner” – dat waren mijn eerste associaties toen ik eind december las dat de New York Times een aanklacht heeft ingediend tegen OpenAI (en Microsoft) wegens inbreuk op auteursrecht. Het zegt iets over mijn eigen next-token voorspelling, maar ik kan het uitleggen.
De krant beweert dat ChatGPT bij sommige antwoorden ‘bijna letterlijk teksten van NYT kopieert’, ook teksten die achter de betaalmuur zitten. De vermeende inbreuk betreft het zonder toestemming gebruiken van NYT teksten bij de training van het taalmodel.
Het lijkt me sterk dat de NY Times de rechtszaak gaat winnen. Voor zover ik weet gaat een tekst nooit als geheel een taalmodel in. Niet bij training en niet bij feitelijk gebruik. De tekst wordt eerst opgeknipt in stukjes, tokens, die vaak nog kleiner dan een woord zijn. Dankzij machine learning kan elk token worden ‘ingepakt’ in een vector van honderden parameters die de context ervan vastleggen. Het taalmodel gebruikt die vectoren later om het meest plausibele vervolg in een antwoord in wording te bepalen – op woord niveau.
In de praktijk blijkt het niet mogelijk om een letterlijk citaat op te halen uit een taalmodel zonder extra voorzieningen. Claude 2.1 zegt er desgevraagd dit over: “Ik heb geen toegang meer tot de letterlijke trainingsdata waarop mijn model getraind is. Ik kan geen citaten of exacte passages terughalen uit die oorspronkelijke data. (…) Tijdens het trainen werden statistische representaties en patronen uit die teksten geëxtraheerd, niet de exacte zinnen en passages.”
De ‘stelling van de eindeloos typende apen’ zegt dat het willekeurig indrukken van toetsen op een schrijfmachine, bijvoorbeeld door een aap of een typekamer met apen, zo goed als zeker vanaf enig punt een kopie van – bijvoorbeeld – een werk van Shakespeare zal produceren mits er voldoende tijd is.
‘Voldoende tijd’ moet je hier wel letterlijk nemen, in Wikipedia staat berekend dat de kans op een foutloze Hamlet (130.000 letters) 1 op 3,4×
is. Bij een typekamer met GPT, die suggesties doet voor de toetsvolgorde, neemt de kans op een correcte tekst enorm toe en wordt de benodigde tijd extreem bekort, zeker voor een tekst ter grootte van een artikel uit de NYT.
Als ik OpenAI was zou ik me voor de rechter op het typekamer-argument beroepen.
En Jan Hein Donner? De kleurrijke schaakgrootmeester (1927-1988) vond dat hij auteursrecht had op de door hem gespeelde partijen, en wilde zelfs rechtszaken voeren tegen kranten en tijdschriften die zijn partijen zonder vergoeding publiceerden. Het bleek een kansloze onderneming – schaken is een spel met bekende regels en een eindig aantal mogelijkheden.
Naschrift Ik heb de vraag naar herkomst en auteursrechten ook aan Bard/Gemini gesteld, een nieuwere generatie zeg maar. Het antwoord was:
Bij het genereren van citaten ga ik zorgvuldig om met auteursrecht kwesties. Ik zorg ervoor dat ik alleen citaten gebruik van bronnen die openbaar beschikbaar zijn, of van bronnen waarvoor ik de auteursrechten heb verkregen. Als ik een citaat genereer, geef ik altijd de bron van het citaat aan. Dit doe ik door de naam van de auteur en de titel van het werk te vermelden. Ik kan ook een link naar de bron opnemen. Als ik een citaat genereer uit een bron die niet openbaar beschikbaar is, vraag ik altijd toestemming aan de eigenaar van de auteursrechten voordat ik het citaat gebruik.”
Het zal niet verbazen dat de actie van VERSES van vlak voor de kerst, met hun open brief in de NY Times, door de meeste deelnemers aan het OpenAI community forum vooral gezien wordt als een publiciteitsstunt. Heeft VERSES een doorbraak op een pad naar AGI bereikt? Eerst zien dan geloven… is de teneur.
Officiële reacties zijn er nog niet geweest.
Een enkeling merkt op dat er een jaar geleden door een groep auteurs van diverse universiteiten in Europa, VS en Canada een serieus onderzoeksartikel is gepubliceerd, Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles (Friston et al 2024).
De auteursgroep wordt aangevoerd door Karl Friston en Maxwell Ramstead, die hun erkenning al lang op zak hebben als neurowetenschappers. Zij werken nu voor VERSES.
Inmiddels is er ook op de site van VERSES een aantal toelichtende artikelen geplaatst – met uitleg en achtergrond van hun claim en een tijdpad waarop ze de bewijzen gaan leveren. Het meest concreet is hun product Genius, dat uit een aantal samenwerkende intelligente agents moet gaan bestaan.
Dit is de tijdlijn die ze beloven:

Ik denk dat ze op dit moment nog niet veel hebben om te laten zien, anders zouden ze ons wel overspoelen met demo’s. Wel vind ik hun ontwikkelfilosofie en -strategie goed uitgeschreven en onderbouwd. Hun verhaal is zó afwijkend van wat de ontwikkelaars van de grote taalmodellen vertellen dat dat alleen al interessant is om verder te onderzoeken. Hun benadering lijkt bovendien een aantal van de grote maatschappelijke risico’s van de LLM te ondervangen.
In volgende berichten kom ik er uitgebreid op terug, er is inmiddels materiaal genoeg en ik heb ook al gezien dat er een zekere continuïteit is vanuit research van eind jaren 80 (Christopher Watkins) op het gebied van machine learning, meer specifiek Q-learning.
NB Waren we de Q al niet tegengekomen als Q-star (Q*), de vermeende doorbraak van OpenAI zelf en de eveneens vermeende steen des aanstoots, aanleiding voor het kortstondige ontslag van Sam Altman bij OpenAI?
Bewijs dat in een gelijkbenige driehoek de basishoeken gelijk zijn.
Het is een opgave uit de vlakke meetkunde, (begin) middelbare school – in elk geval in mijn HBS-tijd (dus voor 1968). Het schoolbewijs -toen- maakte gebruik van een hulplijn (de middelloodlijn vanuit de top), zonder die extra lijn zou je het bewijs niet kunnen leveren werd gezegd.
Toen AI nog kunstmatige intelligentie heette en vooral rule-based was, was de stelling een ultieme test. Zou een computer die hulplijn kunnen vinden of het bijltje er bij neer moeten gooien? De anekdote, veel anders kan het niet zijn, is mij altijd bijgebleven. Het vraagstuk werd aan de computer voorgelegd, de onderzoekers waren in gespannen afwachting van de reactie van de computer en voorbereid op een error of time-out. Maar het antwoord kwam snel en was verrassend: In de gegeven situatie (A is de top) is
BCA congruent met
CBA, immers AB=AC dus twee zijden zijn gelijk en de ingesloten (top)hoek A is gelijk (want gelijk aan zichzelf). Bijgevolg zijn alle overeenkomende elementen gelijk, dus
ABC =
BCA. QED, geen hulplijn nodig.
Gisteren, 17 januari 2024, is in Nature (625, pages 476–482 (2024)) het artikel Solving olympiad geometry without human demonstrations verschenen. De auteurs introduceren in het artikel AlphaGeometry, de nieuwste telg in de AlphaX-familie waarvan AlphaGo, AlphaZero, AlphaFold beroemde leden zijn.
Op de foto zie je auteurs van het artikel bij een schoolbord waarop een van de olympiade problemen is uitgewerkt. Bron: New York Times 17 januari 2024.
AlphaGeometry kan stellingen bewijzen in de Euclidische vlakke meetkunde. Net als bij AlphaZero is er geen menselijke input of labeling geweest, het is een op synthetische data getraind systeem dat gebruik maakt van een GPT-achtig taalmodel (maar kleiner) in combinatie met een symbolic deduction engine.
Om te laten zien wat het systeem kan hebben ze het een test-set voorgelegd van 30 meetkunde vraagstukken uit recente internationale wiskunde olympiades (IMO in het Engels). AlphaGeometry kon er 25 foutloos oplossen en staat daar mee op het niveau van de gemiddelde gouden medaillewinnaar bij zo’n olympiade.
Vanuit een zeker standpunt is het een indrukwekkende prestatie, als je je ooit zelf gewaagd hebt aan opgaven uit een wiskunde olympiade dan zal je dat willen bevestigen. Gedacht vanuit AI ontwikkeling is het een proof-of-concept, niet meer en niet minder, van een neuro-symbolic systeem. In de toekomst mogen we ook andere toepassingen van dit, of een eruit afgeleid, systeem verwachten.
Ik wil er nog meer over uitzoeken, met name de manier waarop de synthetische dataset is ontworpen en gerealiseerd. Het is nodig om met synthetische data te werken (er wordt gezegd 100 miljoen meetkundige bewijzen) omdat de beschikbare verzameling veel te klein is om in machine learning te gebruiken. Het geldt bijvoorbeeld ook voor AlphaFold dat nieuwe eiwitten kan voorspellen, maar dat ook op synthetische gegevens getraind moest worden omdat er simpelweg niet genoeg bekende eiwitten aanwezig zijn.
Hoe slim is AlphaGeometry? Nou, ongeveer het eerste probleem dat getackled werd is dat van de hoeken van de gelijkbenige driehoek. Zie het plaatje. Het systeem komt niet met de zelfongruentie-redenering, maar trekt zowaar de fameuze hulplijn!

Als ik het goed begrijp wordt eerst de symbolic deduction engine losgelaten op het probleem. Als die het kan oplossen, prima, maar zo niet dan wordt via het taalmodel de suggestie gedaan om een punt toe te voegen en de deductie opnieuw te proberen. Hoe dat toevoegen gaat weet ik nog niet, maar op enig moment komt er een configuratie waarin het bewijs geleverd kan worden.
Kennelijk zaten symmetrie overwegingen (de basis van de congruentie van de driehoek en zijn spiegelbeeld) niet in het bereik van de deduction engine.
Hulppunten zetten en hulplijnen trekken horen dus tot het standaard arsenaal van AlphaGeometry, precies zo als het op de HBS geleerd werd.
Het is tijd om met dit blog een ander landschap op te zoeken. Niet dat ik hier uitgekeken ben. Ruim een half jaar geleden begon ik deze website om verslag te doen van mijn verkenningstocht in de wereld van AI. Ik wilde graag kantelpunten en sleutelelementen in de AI ontwikkeling ontdekken, en inhoudelijk begrijpen waar de verrassende versnelling in het gebied vandaan kwam.
Dit is het 45e bericht dat ik hier maak en ik ben nog lang niet rond. Ik zal ook nog wel onderwerpen in de lijn van het voorgaande oppakken.
Wel heb ik het gevoel dat er in het vakgebied zelf een verandering aan zit te komen. Een oriëntatieverschuiving in de huidige ontwikkelrichting, of misschien komen er landschappen bij en worden er nieuwe horizons geopend.
Ik heb zelfs het eigenwijze idee welke kant het op zou kunnen gaan, daarbij stevig geïnspireerd door het werk van Karl Friston en wat daar bij hoort.
Verwacht geen zekerheden in het nieuwe landschap of achter een nieuwe horizon – met guesses zullen het we het ook nu weer moeten doen. Dat maakt het des te interessanter.
Over Friston schreef ik hier al kort. De aanleiding was de door het bedrijf VERSES geclaimde doorbraak op het gebied van AGI. Friston is sinds een jaar Chief Scientist bij dat bedrijf. Eerlijk gezegd voel ik me ongemakkelijk bij dat VERSES. Alleen al die hoofdletters elke keer, vanaf hier schrijf ik gewoon Verses. Hun verhaal is niet slecht, daar ligt het niet aan. Het is denk ik mijn allergie voor agressieve marketing bij weinig bewezen harde resultaten.
In de komende berichten wil ik me vooral richten op de ideeën en de wetenschap van Friston (en zijn vakgenoten), en de historische context waarin het volgens mij past. We zien dan wel hoe het met Verses loopt.
Alan Turing was beginpunt en richtpunt tegelijk voor de ontwikkelingen die tot de grote taalmodellen hebben geleid. Zijn vraag uit 1950 — “Can machines think?” — en de bijbehorende lakmoesproef die we Turing Test zijn gaan noemen hebben hun uitwerking niet gemist.
Bij de ontwikkelingen die ik de komende tijd wil gaan onderzoeken staat ook zo’n iconische wetenschapper aan het begin, met een even brutale vraag: Erwin Schrödinger, van wie in 1944 het boekje “What is Life?” (Schrödinger 1944) verscheen. Het bevat een aantal samenhangende colleges uit zijn tijd in Dublin. Er volgt net zo’n ambitieus en relevant onderzoeksprogramma uit als we bij Turing hebben gezien.
Mijn zoektocht in de wereld van AI gaat verder in een ander landschap, op een ander terrein. Ik wil me in neurowetenschap gaan verdiepen, zij het in een specifiek deel waar men niet wars is van wis- en natuurkunde en bijbehorende principes en formules.
In dat land ben ik een vreemdeling, een leek van goede wil. Hier wordt ook gemodelleerd, maar net anders dan in de vallei waar we vandaan komen. De hersenen zijn nu niet model voor machine learning, of metafoor in biomorf taalgebruik. In deze wereld gaat het juist om het ontwikkelen van begrip van de werking van de hersenen zelf, de beschrijvende taal komt uit de natuurwetenschappen. Die leveren niet alleen van toepassing zijnde principes en formules, maar ook metaforen als dat zo uitkomt – kom onder je Markov deken vandaan en laat je Bayesiaanse brein ontwaken…
Ik had wel enige aarzeling om er aan te beginnen. Mijn onderwerp voor deze blogs is AI. Misschien is de ontwikkeling van AI vanuit het nieuwe, neurowetenschappelijk gefundeerde, perspectief nog niet ver genoeg. Hier is het vooral belofte en nog weinig werkelijkheid. Hier zijn nog geen grote modellen met bewezen succes, al staat de definitie van dat succes ter discussie. Hier is nog geen stortvloed van wetenschappelijke en populaire artikelen, of van tutorials op YouTube. En er is een luidruchtige reisgenoot – Verses – die met veel marketing geweld het zicht op de inhoud loopt te verstoren.
Toch ben ik gestart met deze voor mij nieuwe route omdat ik denk dat het intensiveren van deep learning in de richting van steeds meer trainingsdata en miljarden parameters zo maar krakend tot stilstand zou kunnen komen. Het is een wapenwedloop aan het worden, met een steeds grotere behoefte aan reken- en opslagcapaciteit en bijbehorende aanspraak op natuurlijke resources. Bovendien is bij taalmodellen en generatieve AI de ontwikkeling en wetenschap uit zicht aan het raken, misschien omdat er minder onderzocht wordt, maar ook letterlijk omdat door commerciële belangen van grote partijen ramen en deuren dichtgaan.
Een van mijn eerste blogberichten hier heet ‘Woord voor woord‘. Het was voor mij een nieuw inzicht: een LLM levert bij een gegeven serie woorden een mogelijke voortzetting in de vorm van het meest plausibele woord. Niet meer en niet minder. Door slimme architectuur van het informatiesysteem, door training op gigantische databases met van internet geschraapt materiaal en door zware inzet van cloud computing zijn er fantastische resultaten geboekt. Mijn oorspronkelijke fascinatie voor de prestaties bij natuurlijke taalverwerking is alleen maar groter geworden, noem het gerust bewondering. En er is ook al de gewenning aan wat er kan — dit gaat niet meer weg. Het is tegelijkertijd ook de beperking. Een next-sequence voorspelling is niet anders dan wat het is. Sommigen veronderstellen dat een LLM logisch zou kunnen redeneren, of zich een model van delen van de werkelijkheid zou kunnen vormen, wellicht zelfs een beeld van de eigen modus operandi zodat het model zou kunnen uitleggen hoe het tot zijn resultaten komt. Ik twijfel want eerlijk gezegd zie ik niet waar deze capaciteiten vandaan zouden kunnen komen, anders dan van het nadoen of nazeggen wat er in de gigantische verzameling trainingsmateriaal en beschikbare actueel materiaal aanwezig is of te combineren valt. Hallucineren of oprispen zijn misschien wel geen fouten, software bugs, zoals de makers zeggen, maar juist inherente en intrinsieke systeemeigenschappen.
In mijn ‘nieuwe’ landschap zijn er inzichten en beloftes die misschien wel de volgende stappen zouden kunnen bepalen. Een in december 2022 verschenen white paper heeft in elk geval de ambitie die stappen te identificeren. Zie Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles (Friston et al 2024). Het is van de hand van een groep auteurs met Karl Friston en Maxwel Ramstead als hoofdauteurs. In komende berichten wil ik er nader op ingaan.
Hoe komt het dat wij – net als andere levende organismen – niet vervallen tot stof en verwaaien in de wind? Waarom lossen wij niet op, als suikerklontjes in een kosmische thee? Zo’n verval zou je immers wel verwachten op basis van de natuurwet die toenemende entropie voorspelt – de tweede wet van de thermodynamica. “Die Energie der Welt ist konstant, die Entropie der Welt strebt einen Maximum zu” schreef Rudolf Clausius in 1854.
Het is een wat ruig begin van mijn tocht op het terrein van de neurowetenschap, zo’n existentiële vraag, maar je komt er vrij snel terecht als je aan een draadje van de ingewikkelde materie gaat trekken. Het draadje begint in mijn geval niet bij AI, maar bij het werk van Karl Friston van ruim voor de tijd dat hij zich met Verses in de race om AGI zou storten.
Mijn interesse ontstond een paar jaar geleden in gesprekken met mijn buurman die psychoanalyticus is. Hij wees me op het werk van Mark Solms, een neuropsycholoog die later, toen hij al in dat vak werkte, ook een opleiding tot psychoanalyticus is gaan doen. In 2021 verscheen De Verborgen Bron – Op reis naar de oorsprong van het bewustzijn waarin Solms zijn bevindingen bij elkaar heeft gebracht op een manier die ook voor geïnteresseerde leken toegankelijk is.
Buurman sprak over Ego en Id en wat het verschil daar tussen is, over affect, over zelforganisatie – of beter gezegd over het organiseren van een ‘zelf’. En over de rol daarbij van psychoanalyse om objectieve en subjectieve elementen met elkaar in verbinding te brengen.
In het werk van Solms gaat het uitgebreid over neurologie, de werking van de hersenen, cognitie, en ‘bewustzijn’.
In zijn uitleg komt een heel beschrijvingsinstrumentarium te pas, waarvan ik eerst dacht dat het vooral om modellering ging. Ik weet inmiddels dat een deel van wat ik oorspronkelijk als (denk)model zag ook een bewezen en gemeten fysische en fysieke werkelijkheid is.
Solms raakt gefascineerd door een artikel van Karl Friston, Life As We Know It (2013) dat hij pas in 2017 wat nauwkeuriger leest. Hij benadert daarna Friston voor samenwerking waaruit een aantal gemeenschappelijke artikelen is ontstaan.
Solms beschrijf Friston als “…de laatste van de grote wetenschappers die mijn levenswerk hebben gevormd“. Als ik het goed begrijp heeft de invloed van Friston vooral te maken met het onder een noemer brengen van ‘mentale energie’ (‘driftenergie’ bij Freud) en ’thermodynamische vrije energie’. Die laatste is meetbaar en herleidbaar tot natuurkundige wetten, in de benadering van Solms en later in de samenwerking met Friston zou dat dan ook voor de mentale energie en bewustzijn moeten gelden.
In de woorden van Solms: de verbindende factor tussen zijn werk en dat van Friston is homeostase. Levende organismen zijn in staat om zichzelf in stand te houden en regie te houden in onvoorspelbare of onverwachte omstandigheden. Als mechanisme gezien, is een homeostatisch systeem vrij eenvoudig: je hebt een receptor nodig om een omstandigheid gewaar te kunnen worden, een regelcentrum dat regie voert op basis van bepaalde bandbreedtes en een effector om arbeid te verrichten die nodig is om bij eventuele overschrijding van de bandbreedtes het systeem weer binnen de grenzen te brengen.
Als het mechanisme zo eenvoudig is, dan kan het ook teruggebracht worden op natuurkundige wetten en principes. Daar gaat dat artikel van Friston uit 2013 over, en ook vele artikelen die daarna zijn verschenen met nadere uitwerkingen. In volgende berichten komt mijn focus weer op AI gerelateerde zaken te liggen, net als die van Friston in zijn recente werk zoals Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles (Friston et al 2024). Het zal blijken dat die Principles precies die natuurkundige wetten en principes zijn die de basis vormen van het homeostase mechanisme.
Dat mechanisme is overigens ook het antwoord op de ruige vraag uit het begin van dit bericht.
Mycorrhiza is de symbiose van planten en schimmels waarbij de schimmel mineralen uit de bodem haalt om ze aan de plant door te geven in ruil voor suikers.
Met name de ecoloog Suzanne Simard heeft de aandacht gevestigd op het belang van deze symbiose bij bomen en bossen met haar inzicht dat er ondergrondse mycorrhizale netwerken zijn, die bomen met elkaar verbinden en communicatie mogelijk maken via een netwerk van schimmels. Ze publiceerde haar eerste bevindingen al in 1997 in Nature.
In haar visie concurreren bomen niet met elkaar om licht, water en voedsel maar werken ze samen ten gunste van het bos als geheel, als ecosysteem.
Zulke bosecosystemen worden wel aangeduid als ‘Wood Wide Web ‘.
Een deel van haar ideeën is de afgelopen jaren nogal een hype geworden en ook terechtgekomen in sferen die, hoe zal ik dat zeggen, niet bevorderlijk zijn voor het wetenschappelijke gehalte van de inzichten. In de film Avatar zijn de concepten nogal romantisch uitgewerkt – een blockbuster, dat wel.
Voor zover ik kan zien is het biologische fundament van haar werk niet omstreden, en zelfs fors uitgebreid door nader onderzoek waarbij de heilzame werking van schimmels voor bodemstructuur en biodiversiteit is vastgesteld.
Het concept van het wood wide web kwam ik ook tegen in een toelichting op het document Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles (Friston et al 2024). Of je het nu als een voorbeeld uit de werkelijkheid wilt zien of als metafoor maakt niet veel uit voor de basisgedachte dat we af moeten van het idee dat de ontwikkeling van AI om enkelvoudige intelligentie zou moeten draaien, met de menselijke cognitieve intelligentie als maat.
We zijn niet op weg naar monolithische superbreinen die alles weten en alles kunnen, en die bepalend zouden kunnen zijn voor heil of ondergang van de mensheid als geheel. In plaats daarvan zou – in de visie van Friston – de ontwikkeling gericht moeten zijn op samenwerkende intelligent agents, zowel synthetische als natuurlijke, die kennis en de uitvoering van taken delen en samen daadwerkelijke ecosystemen van gedeelde intelligentie vormen.
Er moet uiteraard nog veel gedaan worden, het document is een ontwerpdocument, een plan om aan de slag te gaan. De roadmap van Friston cs onderscheidt 5 stadia (de huidige meegerekend) waarvan de eerstvolgende de komende 2 jaar uitontwikkeld zou moeten worden tot op het hoogste ambitieniveau. Op de volgende stadia hebben ze – tentatief – periodes van 4, 8 en 16 jaar gezet – ook nog met een steeds lager ambitieniveau.
In een volgend bericht zal ik de stadia verder uitwerken, ze vormen een soort taxonomie zoals ik eerder beschreef en waarin vooral de cognitieve kant is uitgewerkt. Hier is het uitgangspunt geheel anders.
Ik zal me er graag in gaan verdiepen – in het verloop van de ontwikkeling maar ook al in wat vooraf gaat. Daar komen immers de begrippen die ik eerder noemde zoals het Bayesiaanse brein, Markov dekens, homeostatisch mechamisme, entropie, free energy principe en meer vandaan. Het voorwerk is feitelijk begonnen bij Schrödingers’ What is Life? (Schrödinger 1944) uit 1944. Friston bewijst in zijn eigen werk gepaste eer aan het denkwerk van deze illustere voorganger, in een volgend bericht zal ik daarom ook daar beginnen.
Erwin Schrödinger, februari 1943:
How can the events in space and time which take place within the spatial boundary of a living organism be accounted for by physics and chemistry?
Deze vraag heeft grote impact gehad op verschillende terreinen van de wetenschap in de 20e eeuw, tot op de dag van vandaag. De vraag zelf – the large and important and very much discussed question – staat centraal in een serie openbare colleges die Erwin Schrödinger in 1943 heeft gehouden namens het Trinity College in Dublin.
Hoewel ik vaktechnisch gezien veel achtergrond en jargon mis, probeer ik te begrijpen waar het Schrödinger om te doen is, en wat de belangrijkste vervolgvragen zijn. Het is zo’n zijpad dat ik op deze site graag op ga, juist vanwege de historische context.
In dit geval is de lange tekst die volgt in mijn ogen onmisbaar voorwerk om de uitgangspunten te begrijpen waarop het werk van Karl Friston cs is gebaseerd. Dan gaat het wel om het hoofdonderwerp van deze site, de ontwikkeling van AI en alles wat er mee samenhangt.
Bij Schrödinger draait het om barrières in ruimte en tijd en de informatie die er door heen moet zodat levende organismen kunnen (blijven) bestaan en hun homeostatische mechanismen op gang kunnen houden. Dat geheel beschrijven en verklaren op basis van natuurkundige en chemische principes is het doel dat Schrödinger zich stelt en in deze collegecyclus begint uit te werken.
Een boekje met de tekst en uitwerking van de betreffende colleges, verschijnt in 1944 onder de titel What is Life? (Schrödinger 1944). Overigens wordt de vraag What is Life? zelf niet in directe zin beantwoord.
Levende organismen zijn een bijzonder type natuurlijke systemen omdat ze in staat lijken te zijn de tweede hoofdwet van de thermodynamica te omzeilen. Ze blijven door zelforganisatie, zelfordening, in tact binnen fysieke grenzen en ze persisteren in de tijd. Zie hier de barrières die ik noemde.
Orde en wanorde
Waar is de orde, de organisatie, van een levend organisme op gebaseerd? Beter gezegd: hoe kan het organisme weten hoe het zich moet organiseren? Het antwoord, volgens Schrödinger, is dat er een overleveringsmechanisme is, een script dat vast ligt in de kleinste elementen van een levend organisme. In de cel, of in de chromosomen binnen de cel.
Een belangrijke gedachte bij Schrödinger is dat er orde uit wanorde kan ontstaan. Denk aan het oplossen van een klontje suiker in vloeistof – een chaotisch proces – dat uiteindelijk in een evenwichtig en stabiel mengsel eindigt, de suiker heeft zich uniform verdeeld over de vloeistof. Het lijkt een definitiekwestie, maar als ik het goed begrijp gaat het om het beschouwingsniveau, welkom in de statistische mechanica. Op microscopisch niveau is er de wanorde van de atomen, die zich op macroscopisch niveau vertaalt in een uniforme verdeling, lees: orde.
Voor zo’n macroscopische orde zijn veel atomen nodig, hoe minder atomen hoe willekeuriger het systeem wordt – er is dan geen uniforme verdeling meer.
Schrödinger weet al wel, onder meer door onderzoek met röntgenstralen, dat in een cel de genen niet veel meer dan een paar duizend atomen hebben. Orde uit wanorde gaat hier dus niet op – zijn conclusie is dan ook dat dat de drager van de code zélf een stabiele verbinding is. Een fysisch object, zoals een kristal. En dan niet een met een herhalende roosterstructuur, zoals quartz, maar een a-periodische want er moet (in mijn woorden) veel diverse informatie zijn vastgelegd.

Het is 1943, het duurt nog 10 jaar totdat Crick en Watson hun werk over DNA en de rol van aminozuren publiceren, maar Schrödinger voorspelt op basis van een redenering ongeveer hoe zo’n script object er uit zou moeten zien. Vanuit de hoek van de moleculaire biologie heeft hij daar ook de credits voor gehad, zie het briefje dat Crick in 1953 aan hem schreef.
Entropie pomp
Vervolgens gaat het bij Schrödinger over entropie, ik geef zijn redeneringen in parafrase weer.
- Wat kenmerkt een levend systeem? Dat het bezig is, iets doet, beweegt, uitwisselt met de omgeving, en zo voort.
- Als een niet-levend systeem afgezonderd wordt, of in een uniforme omgeving wordt geplaatst, zal het als systeem verdwijnen, vervallen. Alle beweging stopt, door allerlei soorten wrijving. Alle elektrische of chemische potentiaalverschillen worden vereffend, temperatuurverschillen verdwijnen door warmtegeleiding. Er ontstaat een inert brok materie, in een permanente toestand waarin er niets meer gebeurt. Die toestand wordt in de natuurkunde een thermodynamisch equilibrium genoemd, of maximale entropie.
- Een levend systeem, een organisme, weet het verval naar maximale entropie te vermijden of in elk geval uit te stellen. Hoe doet het levende organisme dat? Het directe antwoord is: door te eten, te drinken, te ademen, te assimileren, kortom door metabolisme, door stofwisseling.
- Wat wordt er dan eigenlijk gewisseld? Het lijkt Schrödinger onzin dat het ook werkelijk ‘stoffelijk’ zou zijn, elk atoom is immers zo goed als elke andere, waarom zou je het ruilen? Gaat het om energie, zeg maar calorieën? Ook daar valt er eigenlijk niets uit te wisselen, iedere calorie is evenveel waard als een andere.
Dan komt Schrödinger met een gedachtegang, die ik eerst wat curieus vond maar die bij nader inzien toch heel logisch is.
- Elk proces, elke handeling of gebeurtenis – zeg maar alles wat er gaande is in de natuur heeft een toename van entropie tot gevolg – de Tweede Wet van de Thermodynamica laat zich gelden.
- Een levend organisme vermeerdert dus voortdurend zijn entropie. Je zou kunnen zeggen, het produceert entropie op weg naar de toestand van maximale entropie, ofwel de dood. Deze entropie telt op, het heeft een +-teken: positieve entropie.
- Het organisme kan alleen in leven blijven door die positieve entropie ‘kwijt’ te raken of te compenseren. Dat is wat er in het metabolisme gewisseld wordt, entropie, en het lukt door voortdurend negatieve entropie uit de omgeving te halen, zich te voeden met negatieve entropie.
Schrödinger haalt er dan nog formules en berekeningen bij die ik laat voor wat ze zijn. Mijn associatie, niet die van Schrödinger, bij zijn redenering is die met een warmtepomp. Daar is het immers ook zo dat één kant wordt opgewarmd met positieve warmte terwijl de andere kant afkoelt door negatieve warmte toe te voegen. Je zou het hele mechanisme in de redenering van Schrödinger dus een entropie pomp kunnen noemen.
NB Ik meende met entropie pomp een originele metafoor te hebben. Dat is ook zo, ik heb het zelf bedacht. Daarna kwam ik er achter dat iemand mij is voor geweest: In 1967 verscheen van de hand van Barry Campbell een kort artikel onder de titel Biological Entropy Pump (Campbell 1967). Hij verwijst daarbij onder meer naar de negatieve entropie van Schrödinger, die daar met een nare samentrekking negentropy wordt genoemd.
Met dank aan GPT4 die via Perplexity.ai feilloos dit artikeltje wist op te sporen nadat ik er met het steekwoord entropie pomp naar gevraagd had.
De link naar AI
De vraag What is Life? is door Schrödinger niet rechtstreeks beantwoord, maar ik hou het er op dat het zelforganiserend vermogen van levende organismen de kern van het leven zelf is. Een levend organisme kan interne stabiliteit handhaven ondanks veranderingen in de externe omgeving, en zich ‘voeden’ met negatieve entropie om homeostase te bereiken en voor langere tijd vast te houden.
Met woorden die niet passen in de historische context zou je kunnen zeggen dat het een knap staaltje is van die levende organismen, een treffend voorbeeld van intelligentie in de natuur, in biologische systemen. Maar onmiddellijk dient zich de vraag aan: Hoe dan? Hoe zit zo’n systeem in elkaar, wat komt er allemaal bij kijken?
Die vragen zijn aanleiding voor wetenschappelijk onderzoek op veel terreinen. Dat is nog volop gaande maar levert nu al inzichten die kunnen helpen zicht te krijgen op mogelijke modellen voor AI en een strategie voor verdere ontwikkeling, een alternatief voor het geweld van de grote taalmodellen. Ik schreef er hier al eerder over.
Het is ook de weg die Karl Friston voor zich ziet. In Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles (Friston et al 2024) schrijft hij:
Contemporary developments in the statistical mechanics of far-from-equilibrium systems (and in particular, multi-scale, living systems) allow us to formalize these insights—of early cybernetics—as a physics of self-organization, which enables the study of intelligence itself as a basic, ubiquitous, physical phenomenon.
Zo komt de aap uit de mouw: dit blogbericht is niet alleen het historische uitstapje, een zijpad zo je wilt, maar ook een onmisbare inhoudelijke inleiding op het werk van Friston. In volgende berichten stort ik mij in de ‘physics of self-organization‘.
In eerdere berichten schreef ik dat het intensiveren van deep learning en alle additionele technieken er om heen een wapenwedloop van AI-modellen lijkt te worden, met een steeds grotere behoefte aan reken- en opslagcapaciteit en bijbehorende aanspraak op natuurlijke resources. Reden voor mij om een ‘ander landschap’ op te zoeken, waarin veelbelovende ontwikkelingen aan het starten zijn rond ecosystemen van gedeelde (kunstmatige en natuurlijke) intelligentie. Daar ga ik beslist mee verder, maar zo nu en dan is er rumoer van de andere kant van de heuvels waar ik ook aandacht aan wil besteden.
In dit geval gaat over ‘veiligheid van kunstmatige intelligentie’ in brede zin, AI-safety. Een fijn onderwerp, zoiets als voetbal of het weer – de drang om er over mee te praten komt niet altijd overeen met de deskundigheid waarmee het gebeurt. Het onderwerp is breed en betreft zowel maatschappelijke en culturele impact van AI (al onze banen verdwijnen, computers grijpen de macht, de menselijke soort zal ten onder gaan) als zorgen over vermeend oncontroleerbare technologie (versterking van vooroordelen, desinformatie in verkiezingstijd, toegankelijk worden van informatie over het zelf maken van vernietigingswapens, de onzekerheid of het videogesprek dat je voert met je kind aan de andere kant gedeepfaket is).
De directe aanleiding voor het rumoer was een relletje rond de beeldgenererende functionaliteit van foundation models, met name die van het AI-model Gemini van Google/Deep Mind en de manieren waarop de AI-firma’s proberen hun modellen ‘correcte’ inhoud te laten leveren.
Founding fathers van de VS die een afspiegeling lijken te zijn van de huidige samenstelling van de bevolking, terwijl ze eind 18e eeuw de grondwet tekenen. Vikings en nazi-militairen van kleur of native American, een vrouwelijke paus, een paus van kleur.
Het zijn beelden die zijn gemaakt door de nieuwe beeldgenerator van Gemini, het AI-model van Google/Deep Mind, na normale, neutrale vragen –prompts– zonder verdere specificaties van gender of ras.
De plaatjes werden op internet gretig opgepikt en doorgestuurd, ze gingen viraal. Natuurlijk door anti-woke activisten, maar ook door mensen die er het zoveelste bewijs van de gevaren van AI in zien.
Hoewel ook andere modellen op dezelfde euvels te betrappen waren, wist Google niet hoe snel ze excuses moesten aanbieden. Ze zijn daar zo geschrokken dat ze zelfs de beeldgeneratie functie van Gemini hebben uitgeschakeld. De strekking van de excuses van Google is dat ze ’technische’ fouten hebben gemaakt. Ze hebben het model ‘geleerd’ om stereotypes en bias te vermijden om niet in de klassieke valkuilen te trappen die voortkomen uit de onvermijdelijke eenzijdigheid van het materiaal op internet waarmee het model getraind is. Artsen en advocaten zijn wit, CEO’s zijn mannen, gezinnen hebben een vader en moeder en de kinderen worden verzorgd door moeder, … en duizenden stereotyperingen meer.
Goed beschouwd hebben ze het model aan de output kant gedwongen om diversiteit te bewerkstelligen, zonder er bij te vertellen dat er situaties zijn waarbij dat nergens op slaat. Bij Google noemen ze het ‘overcompensatie‘.
De worsteling van Google om correcte output te borgen bereikte in zekere zin het tegendeel. Een voorzichtige glimlach uit leedvermaak is niet verboden, maar het gaat eigenlijk niet om het blunderen van big tech firma’s. Het onderwerp is anders en breder.
Eerlijk gezegd denk ik dat het niet om een technisch probleem gaat en er dus ook geen technische oplossing is. Ik schreef eerder al dat hallucineren of oprispen misschien wel geen fouten zijn maar juist inherente en intrinsieke systeemeigenschappen. De manier om er mee om te gaan moeten we niet zoeken in de techniek of in het verbeteren van de modellen, maar in de context waarin we de modellen inzetten en in de manier waarop we ons verhouden tot de uitkomsten. Er zitten technische kanten aan die systeem inbedding betreffen, en sociale die gaan over werk- en kwaliteitscultuur.
In de context van mijn werk had ik het vroeger vaak over het gedroomde gebruik, nog steeds een goed woord vind ik. Ik ben nog meer geïnteresseerd geraakt in de filosofische kant. Het gaat hier om de grootste kennissystemen ter wereld, die zijn volgestouwd met werkelijkheid door alle digitaal beschikbare informatie er in op te nemen. Wat betekent het als ze resultaten opleveren waarvan je niet zo maar weet of ze van werkelijkheidszin of (alleen) van mogelijkheidszin getuigen? En waar zit dan eigenlijk de (on)veiligheid? Daarover meer in volgende berichten.
De opvallende overcompensatie in de inzet van Google om hun AI model Gemini ‘correct’ beeldmateriaal te laten produceren is op het eerste gezicht een incident. Het voorval is niet specifiek voor dit AI model, ook het eerste niet op dit terrein en ongetwijfeld ook niet het laatste.
Ik schreef er in dit bericht over dat het volgens mij niet een vraagstuk is waar een louter technische oplossing volstaat. De cliffhanger daar, is de observatie dat je van de resultaten die een AI model je geeft niet zonder meer kunt zeggen of ze van werkelijkheidszin of van mogelijkheidszin getuigen.
De combinatie van beide woorden komt rechtstreeks uit Der Mann ohne Eigenschaften van Robert Musil in de titel van hoofdstuk 4, deel I:
Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan.
De hoofdpersoon uit het boek, Ulrich, wil graag een mens zonder eigenschappen genoemd worden, zo’n mens zijn. Eigenschappen hebben de neiging vast te worden, fixaties, in plaats van opties in een oneindige reeks van mogelijkheden. Dan nemen ze je over en hollen ze je uit tot er – in mijn woorden – niets meer van je over is dan de etiketten aan de buitenkant.
Ulrich zou alle mogelijkheden open willen houden en willen onderzoeken, zonder dwingende moraal, zonder vastgezette principes. Je zou evengoed kunnen zeggen dat een man zonder eigenschappen juist beschikt over alle eigenschappen, om deze naar believen tot een bedoeld of gedroomd leven te wekken.
Als mens moet je eigenschappen afleggen als je zonder wilt zijn, maar een AI model heeft op voorhand geen eigenschappen. De correctieve pogingen van AI ontwikkelaars om hun modellen in lijn te brengen met gewenste waarden – het wordt ‘alignment‘ genoemd – zijn er vaak op gericht de modellen achteraf, en van buitenaf, van eigenschappen te voorzien. Het zijn volgens mij wanhoopspogingen met een uithollend effect.
Dit is de wereld van deep learning, waar AI modellen worden getraind met mega hoeveelheden data uit de onversneden werkelijkheid, overal vandaan. Data die bias in zich dragen, onevenwichtigheid die er anders kan uitzien vanuit ander gezichtspunt, maar altijd onevenwichtig is. Die bias is onvermijdbaar, lees wat Yann LeCun (hoofd AI bij Meta) er over zei in een interview met Lex Fridman (maart 2024):
Is it possible to produce an AI system that is not biased? And the answer is: absolutely not, and it’s not because of technological challenges (although there are technological challenges to that). It’s because bias is in the eye of the beholder — different people may have different ideas about what constitutes bias.You cannot have a system that is unbiased and is perceived as unbiased by everyone.
Recent schreef John B. Dutton een artikel over dit onderwerp (Dutton 2024), onder meer met de retorische vraag: waarom gebruiken mensen AI modellen om beelden te genereren van Founding Fathers, pausen, vikingen en wat al, terwijl je er alles over kan vinden in Wikipedia en andere bronnen, en er al een enorme hoeveelheid beeldmateriaal online beschikbaar is? Wat bezielt ze?
Het antwoord kan eigenlijk niet anders zijn dan dat ze iets nieuws willen creëren: kunst. Bij kunst noemen we ‘bias’ een ‘invalshoek’, die interessant en uitdagend kan zijn. Die je prikkelt om na te denken over de manier waarop, jawel, jouw werkelijke wereld zich tot mogelijke wereld(en) verhoudt.
Misschien moeten we de niet-aangelijnde modellen liever koesteren, dan ze af te richten om politiek-cultureel-maatschappelijk-etc correcte resultaten te produceren. Vangrails moeten er waarschijnlijk zijn, voor werkelijk kwaad doende uitkomsten, maar de kwaadaardigheid komt niet spontaan uit de modellen zelf – die hebben immers geen eigenschappen, ook deze niet.
De samenvatting van mijn LinkedIn-profiel is tegenwoordig “(hij) leest en schrijft”. De afgelopen tijd is het wat het onderwerp van deze site betreft vooral lezen geweest, het schrijven is achter gebleven. Dat heeft te maken met de complexiteit van het inhoudelijk terrein waarop ik me wilde begeven.
Het is moeilijke materie, ook conceptueel. Ik was eerlijk gezegd wat naïef in de gedachte dat ik dit gebied wel eens eventjes bloot zou leggen in een paar goed geschreven blogberichten.
Misschien was ik overmoedig geworden door de hier en daar redelijk goed gelukte pogingen om te begrijpen hoe de wereld van deep learning en van de taalmodellen eruit ziet, en er op deze website inzichtelijk over te schrijven.
Misschien lukte dat wel goed omdat het daar conceptueel niet zo ingewikkeld in elkaar zit. Beter gezegd: je kunt daar de conceptuele ingewikkeldheid ontlopen of uitstellen omdat die het gevolg, en niet de grondslag, is van in gang gezette deep learning met inhoudelijk materiaal dat met veel technisch geweld bijeen is gebracht, geschraapt eigenlijk.
Een van de eerste berichten op deze site heet “Waar te beginnen?” Met net zo’n gevoel sta ik op dit moment in mijn zelfgekozen landschap van onderzoek naar en ontwerp van “Ecosystems of Intelligence“, een door Karl Friston cs aangedragen werktitel. Hier komen onvermijdelijk veel vakinhoudelijke inzichten samen, vanuit verschillende achtergronden die uiteen lopen van neurowetenschap tot cybernetica, van biologie tot wiskunde, van fysica tot statistiek.
Gelukkig ben ik hier niet zonder enig richtinggevoel, in eerdere berichten schreef ik al wel over elementen uit de confluentie van vakinhouden. Met name in Homeostase en Zelforganisatie staat geen onzin, sterker: ze raken volgens mij aan de essentie van het onderwerp. In zeker opzicht zijn ze echter naar het antwoord toe geschreven. Om mijn eigen begrip verder te brengen moet ik dieper gaan. Op zoek naar onderliggende concepten, zonder dat die vooraf al gezien worden in de context van AI, of ecosystemen van intelligentie. Misschien gaan we te veel divergeren, maar ik begin –zoals eerder– maar eens te trekken aan een paar draadjes uit de grote ingewikkelde kluwen.
Een zo’n draadje heet inference in het jargon, ‘inferentie’ (of gevolgtrekking zo je wilt). Er aan vast zit het draadje dat predictive processing (of coding) wordt genoemd. Verwacht daarvan de uitwerking in komende berichten, maar eerst wil ik de Reverend Thomas Bayes voor het voetlicht halen. Van hem en zijn inhoudelijk werk kan ik in elk geval garanderen dat het niet op voorhand in de context van AI staat: hij leefde in de 18e eeuw.
Wonderlijk genoeg speelt zijn werk, met name de stelling die het Theorema van Bayes wordt genoemd, een belangrijke rol in meerdere van de vakgebieden die ik noemde. Men spreekt van Bayesiaans inferentie, het Bayesiaanse brein, Bayesiaanse statistiek, Bayesiaanse netwerken en nog andere onderwerpen die in naam aan Bayes verbonden zijn zonder dat hij daar zelf aan heeft bijgedragen. Dat moet een krachtig theorema zijn…
Recent zijn er boeken uitgekomen die de invloed van het Bayesiaanse denken uit de doeken doen. Everything is Predictable van Tom Chivers, Bayesian Inference from the Ground Up van Eric-Jan Wagenmakers en Dora Matzke en natuurlijk Active Inference van Karl Friston, Thomas Parr en Giovanni Pezzulo. In die boeken heb ik veel van het leeswerk gestoken dat ik in het begin noemde.
Levende organismen zijn voortdurend in interactie met hun omgeving om te kunnen blijven bestaan. Friston en anderen spreken over homeostase.
Het ging er al eerder over dat in beginsel een eenvoudig systeem genoeg is: een receptor om een omstandigheid gewaar te kunnen worden, een regelcentrum dat regie voert op basis van bepaalde bandbreedtes en een effector om arbeid te verrichten die nodig is om bij eventuele overschrijding van de bandbreedtes het systeem weer binnen de grenzen te brengen.
De werkelijkheid is minder eenvoudig, uiteraard. Het is niet zo simpel dat een organisme via zintuigen rechtstreeks is aangesloten op de buitenwereld en dat er vanuit het regelcentrum direct commando’s verstuurd kunnen worden om aanpassingen aan die buitenwereld te doen.
Friston cs schrijven in hun recente boek Active Inference: “Active Inference is a normative framework to characterize Bayes-optimal behavior and cognition in living organisms.” Het ‘normatieve’ in dit citaat geeft aan dat er een overheersend imperatief is voor gedrag en cognitie van levende organismen: het minimaliseren van “surprise“, discrepantie, in hun sensorische waarnemingen. Dit is een belangrijk mechanisme binnen het Free Energy Principle, dat onlosmakelijk met Friston is verbonden.
Ik wil gaan begrijpen hoe dit framework er uit ziet en op deze site verslag doen van mijn bevindingen. Van wat ik er alvast van gezien heb is het een pittige inhoud, zowel feitelijk qua wiskunde en neurowetenschap zeg maar, als conceptueel. Aan de wiskundige kant is er veel contra-intuïtief en het gedachtegoed van Friston wordt door velen als tamelijk ontoegankelijk gezien. Illustratief is misschien zijn eigen notitie in het voorwoord van het boek: “I have a confession to make. I did not write much of this book. Or, more precisely, I was not allowed to. This book’s agenda calls for a crisp and clear writing style that is beyond me.”
In het inleidende hoofdstuk is een soort routekaart opgenomen voor de concepten die je langs moet, met een high road en een low road die elk op eigen manier bij Active Inference uitkomen. Die kaart wordt ook mijn checklist voor de komende tijd. Het boek zelf geeft er uiteraard uitwerking aan, maar ik wil zelf waar mogelijk op zoek naar oorsprong van de gebruikte concepten en ideeën, en zo ook lezen en schrijven over de historische herkomst en context.
Routekaart
Hieronder staat de routekaart zonder commentaar, maar merk op dat ‘Bayes’ op een aantal plaatsen op de low road wordt genoemd.
Mijnheer Van Dijk was geen Bayesiaan, anders had hij nog wel een keer gekeken misschien. Nu staat er op de fictieve grafsteen van de even fictieve man:
Hier ligt Van Dijk, hij had gelijk, hij kwam van rechts.
Ik moet eerlijk bekennen dat ik tot voor kort niet had gehoord dat er onder statistici twee kampen bestaan: de Bayesianen en de frequentisten. Het is wellicht overdreven om over kampen te spreken omdat de verschillende manieren van beschouwen ook complementair kunnen zijn en als verschillende gereedschappen kunnen worden ingezet. Onder de gereedschappen liggen echter ook principieel verschillende opvattingen over wetenschap en de beschouwing van de wereld.
NB De verschillen zijn grimmiger geworden tijdens de zg. replicatiecrisis in de psychologie en in de sociale wetenschappen toen bleek dat resultaten van gepubliceerde onderzoeken, ook die met veel impact, niet altijd reproduceerbaar waren. De oorzaak lag bij het inzetten van het frequentistische gereedschap ‘p-waarde’. Veel artikelen zijn toen teruggetrokken.

NB De afbeelding is ter verluchtiging en wordt in het bericht niet gebruikt.
Hoe sta je er zelf in?
We doen een test, een gedachtenexperiment (maar je zou het ook kunnen uitvoeren). Ik heb hier een normale euromunt, met twee verschillende kanten, kop resp. munt. Als ik die euro op gooi, wat is dan de kans dat na de landing kop boven ligt? Ik hoor je zeggen, en zeg het je na: 50%.
Nu gooi ik die munt ook echt op, en vang hem op in mijn hand, afgedekt met mijn andere hand — zoals dat vaak gaat bij tossen.
Ik kijk nog even niet en laat het jou ook niet zien – en stel nogmaals de vraag:
wat is de kans dat kop boven ligt?

- Zeg jij: ja dat is natuurlijk nog steeds 50%. Er is voor mij toch niets veranderd?
- Of zeg je: wat een onzin vraag. De munt is geland dus ligt met kop boven of onder, er is geen sprake meer van kans maar van zekerheid — alleen ken ik die nog niet.
Het eerste antwoord is dat van een Bayesiaan, die gaat uit van eigen perspectief, van een subjectieve waarneming van de werkelijkheid zo je wilt. Het tweede antwoord is typisch voor de frequentist: alleen de buitenwereld telt, en de objectief vaststelbare zaken daar – ook al ken je die soms (nog) niet.
Drie deuren probleem
Het drie-deuren-probleem, ook bekend als het Monty Hall probleem, test je intuïtie op het gebied van het inschatten van waarschijnlijkheden. Een klassieker waarvan de oplossing veel rumoer opleverde, zelfs bij wiskundigen.
Waar gaat het over? Jij bent deelnemer aan een spelshow op televisie waarin een auto te winnen is. De oerversie komt uit het programma Let’s Make a Deal dat van 1963-1977 werd uitgezonden met presentator Monty Hall.
Je staat op het podium waar ook drie gesloten deuren zijn. De presentator vertelt je dat er achter één van de deuren een nieuwe auto staat, of in elk geval de sleutels, achter de andere deuren staat een geit. Je mag een deur kiezen en wat er achter staat mag je houden. Misschien ga je met een mooie auto naar huis, misschien met een geit – het hangt van je keuze af.
Kies een deur, zegt de presentator, en ga er alvast voor staan. Dan zal ik de deur openen en weet je wat je gewonnen hebt. Je kiest een deur, zeg deur 1, en gaat er staan. De presentator komt aanlopen om het geheim te onthullen, maar houdt de pas even in en zegt dat hij het nog wat spannender wil maken. Hij zal eerst een van de andere deuren openen en je laten zien wat er achter staat, daarna mag je nog van keuze veranderen! Hij opent deur 3, en zie – daar staat een geit.

Wat nu? Je hebt deur 1 gekozen, maar de presentator zegt dat je naar deur 2 mag overstappen. Maakt het wat uit? Is het verstandig om te switchen of juist te blijven staan?
Een frequentistische kandidaat zal zeggen: het maakt niks uit – er zijn nog twee deuren over, achter een deur staat een auto, achter de andere een geit. Eerst was mijn kans om goed te raden 1/3, nu er een deur afvalt is het fifty-fifty geworden, ik kan net zo goed blijven staan.
Een Bayesiaanse kandidaat heeft een andere redenering en zegt: met elke deur die ik aan het begin kies heb ik kans 1/3 dat ik de auto win. Anders gezegd: de kans is 2/3 dat ik verlies omdat de auto achter een van de twee andere deuren staat. De presentator weet natuurlijk waar de auto staat en opent een deur met een geit. Er is achter de deuren zelf niets gebeurd, dus de kans dat de auto achter de twee niet door mij gekozen deuren staat is 2/3 gebleven.
Omdat een van de twee niet gekozen deuren geopend is, in dit geval deur 3, weet ik nu zeker dat áls de auto niet achter mijn deur 1 staat hij wel achter deur 2 moet staan. De kans dat mijn eigen deur de goede is blijft 1/3, maar de kans dat de auto achter deur 2 staat is 2/3 geworden. Ik verander dus mijn keuze naar deur 2 en vergroot mijn kans op de auto naar 2/3.
Wat is de crux in de Bayesiaanse redenering? Door het openen van een deur heb ik nieuwe informatie over ‘de wereld’ gekregen. Daar waar in het begin, a priori, de kans op de auto voor elke deur 1/3 was, is ná de opening, a posteriori, de kans van een van de deuren veranderd (verdubbeld). Ik pas mijn wereldbeeld daar op aan.
NB Merk op dat de aanname dat de presentator zijn kennis over waar de auto staat gebruikt om een deur te kiezen hier essentieel is. De aanvullende informatie is het gevolg van de restricted choice die de presentator heeft. Als de presentator met een munt of dobbelsteen zou kiezen, zou je geen aanvullende informatie over de wereld hebben gekregen, dan was immers niet uitgesloten geweest dat hij jouw deur of de deur met de auto zou openen.
Test resultaat
Stel dat je om wat voor reden dan ook een medische diagnose test hebt gedaan om te kijken of je de ziekte Z hebt. De dokter heeft je verteld dat Z op dit moment voorkomt bij 0,1% van de bevolkingsgroep waar je bij hoort. De test is heel betrouwbaar zegt ze, met een ‘betrouwbaarheid’ van 99%. Daarmee wordt bedoeld dat van alle mensen die een positieve uitslag kregen waarmee Z wordt aangetoond, 99% de ziekte ook daadwerkelijk heeft.
Een paar dagen later wordt je gebeld: slecht nieuws – de test heeft een positieve uitslag laten zien. Het lijkt erop dat je inderdaad Z hebt opgelopen.
Het is echt geen goed bericht, maar zit je bij de pakken neer en denk je dat het voor 99% zeker is dat je Z hebt? Of ga je er nog op een Bayesiaanse manier naar kijken?
In het plaatje geeft de ene rode stip in het veld van 1.000 stippen de genoemde 0,1% weer – 1 op de 1.000 mensen heeft Z. Misschien ben jij die rode stip.

De betrouwbaarheid van de test is 99%. Dat wil zeggen dat in 1% van de gevallen de test wel positief uitsloeg maar dat de geteste persoon Z niet heeft.
Die zogenoemde ‘false positives’ zijn de blauwe cellen in het plaatje.

Op de groep van 1.000 geteste personen zijn er dus 11 met een positieve uitslag. Jij bent daar bij, maar heb je ook daadwerkelijk Z?
In deze manier van kijken is de kans dat jij Z hebt dus gelijk aan 1 op 11, zeg maar 9%. Nog steeds slecht nieuws, maar toch minder dramatisch dan de 99% die je eerst dacht.

Het medische diagnose voorbeeld is in de literatuur een soort standaard geworden om de stelling (en formule) van Bayes toe te lichten. Daar wordt meestal gerekend in plaats van getekend. Dat ga ik in een volgend bericht ook doen, nadat ik de formule die bij de stelling hoort aannemelijk heb proberen te maken.
De Stelling van Bayes wordt vaak uitgedrukt in een formule die mooi genoeg is om op een T-shirt te zetten. Om te begrijpen wat er staat is wel wat uitleg nodig, die staat in dit bericht.
Eerder ging het over de situatie dat je in een medische test een positieve uitslag hebt gekregen die aangeeft dat je mogelijk een bepaalde ziekte hebt opgelopen. Als je dat weet, wat is dan de kans dat je de ziekte daadwerkelijk hebt?
Die situatie gebruik ik voor de afleiding van de formule van Bayes:
![]()
Mijn uitleg is visueel, met Venndiagrammen. Daarna laat ik zien hoe de formule bepaald kan worden. Een berekening met getallen uit het eerdere voorbeeld laat zien hoe de formule in de praktijk werkt. Tot slot een voorbeeld van Bayesiaans denken aan de hand van hetzelfde voorbeeld.
NB De uitleg is geïnspireerd op diverse bronnen op het internet, ik heb het meest gebruik gemaakt van een artikel van Oscar Bonilla: Visualizing Bayes Theorem. De plaatjes heb ik zelf gemaakt, maar komen inhoudelijk overeen met die uit het artikel.
Venndiagrammen
Dit is het Venndiagram van de situatie in het vorige bericht: in een gegeven populatie komt de ziekte A voor.
De cirkels vertegenwoordigen de (aantallen) personen die het betreft. De cirkel A betreft de aantallen personen die de ziekte hebben.
De kans dat een willekeurig gekozen persoon uit de populatie Po de ziekte A heeft opgelopen is als formule te schrijven:
![]()
Formule 1
Op dezelfde manier geven we de groep aan met een positieve uitslag bij de medische diagnose test op de ziekte.
De cirkel B betreft de aantallen personen in de populatie die positief zijn getest.
De kans dat een willekeurig gekozen persoon uit Po positief is getest op de ziekte is in formule:
![]()
Formule 2
Door beide plaatjes samen te voegen kun je zien welk deel van de populatie de ziekte heeft (A), welk deel positief getest is (B) en -op de doorsnede- welk deel positief is getest en ook daadwerkelijk de ziekte heeft opgelopen:
, we schrijven het hier als AB.
Net als in de andere situaties is de kans dat een willekeurig gekozen persoon én ziek én positief getest is in formule vorm te schrijven:
![]()
Formule 3
NB De P van P(A) staat voor probabiliteit (de kans op A). Met de | | geven we aan dat het om de aantallen in de betreffende verzameling gaat. Po wordt vaak Universum genoemd.
In het samengevoegde plaatje bevinden zich in het rode deel degenen die wel ziek zijn maar niet positief getest, in het blauwe deel degenen die wel positief testen maar de ziekte niet hebben en in het overlappende deel diegenen die de ziekte hebben én positief testen.
We zoomen in op het blauwe deel van het diagram. Daar waar we voor het grotere geheel spreken over de populatie Po, zou je voor dit deel kunnen spreken over de populatie B (alle positief getesten). Net zoals we hierboven voor A binnen de populatie Po, en B binnen de populatie Po, iets konden zeggen over de probabiliteit kunnen we dat nu over de probabiliteit van tegelijkertijd A en B (AB) binnen de (ingezoomde) populatie B.
Formules uitwerken en samenvoegen
In de vier formules staan nog de echte aantallen van de populatie. Met eenvoudige wiskunde kunnen we die elimineren en de formule opbouwen met alleen waarschijnlijkheden erin – die staan los van de populatie omvang. Het gaat als volgt.
Formule 3 hierboven kunnen we schrijven als
.
En formule 2 als
.
We vullen beide in, in formule 4: ![]()
Deel boven en onder door |Po|, en voila we zijn de aantallen kwijt in de formule en houden over:
![]()
Nog één stap. De situatie zoals we die hebben uitgewerkt betreft de kans dat een persoon ziek is (dus onderdeel van A), wetende dat hij positief getest is (dus onderdeel van B).
Door in de formules A en B te verwisselen zeggen we iets over de kans dat iemand positief test, wetende dat hij ziek is:
![]()
In de laatste twee formules kunnen we P(AB) elimineren, zoals we dat hierboven met |Po| deden, dan komt er:
![]()
Dat is eigenlijk al de formule van Bayes, in volle schoonheid vanwege de in het oog springende symmetrie.
Vanwege de interesse in
![]()
Rekenvoorbeeld
Hoe pas je de formule toe? Ik laat het zien aan de hand van de casus uit het vorige bericht.
Dit zijn de gegevens:
- In de populatie waar we naar kijken gaat een ziekte rond, met een besmettingsgraad van 0,1%
- Er is een medische diagnose test met een betrouwbaarheid van 99%, dat wil zeggen dat van alle positief geteste mensen 99% de ziekte ook echt heeft, 1% komt wel positief uit de test maar heeft de ziekte niet.
- Jij bent positief getest, dat wil zeggen dat de test aangeeft dat je waarschijnlijk de ziekte hebt.
Wat is, vanuit Bayesiaans perspectief, nu de werkelijke kans dat je de ziekte hebt?
We hebben voldoende data om de formule van Bayes te kunnen toepassen, te kunnen invullen. Laten we met A het hebben van de ziekte aangeven, met B de positieve test. We willen weten wat de kans is dat je de ziekte hebt, wetende dat je positief getest bent – dat is
in de termen van hierboven, de onbekende zeg maar. Weten we wel wat de waarde van de andere termen in de formule is?
![]()
- Boven de streep weten we dat
de (voorwaardelijke) kans is positief getest te worden als je de ziekte hebt. Die kans is in deze casus 99% (de betrouwbaarheid van de test). - Ook boven de streep staat
, de (a priori) kans om de ziekte te hebben. Gegeven de besmettingsgraad kunnen we deze gelijk stellen aan 0,1% - Onder de streep staat
voor de kans dat je positief getest wordt. Die heeft twee componenten: een positieve test terwijl je de ziekte hebt – gelijk aan
(dat is 0,1 % x 99%) – , en een positieve test terwijl je de ziekte niet hebt – gelijk aan
(dat is 99,9% x 1%).
Alles netjes ingevuld levert:
![]()
In procenten is de kans dat je de ziekte werkelijk hebt opgelopen volgens de regel van Bayes circa 9%, overeenkomend met de ‘grafische’ oplossing uit het vorige bericht.
Bayesiaans denken
In vorige en komende berichten op deze site is er volop aandacht voor wat wel Bayesiaans denken wordt genoemd. In deze paragraaf alvast een kernelement uit die manier van denken, geïllustreerd aan het uitgewerkte voorbeeld.
Bayesiaans denken wordt gekenmerkt door wat in essentie een subjectieve benadering is.
- Je hebt een idee, een overtuiging, over de buitenwereld, en over de situatie die aan de orde is. In het jargon spreekt men van belief.
- Dat belief is gebaseerd op een (eerste) aanname, een a priori waarschijnlijkheid, in het jargon kortweg de prior.
- Perceptie van de buitenwereld brengt je tot gevolgtrekking(en), inferentie (inference).
- Het kan nodig zijn op basis van de inferentie je belief bij te stellen tot een nieuwe, a posteriori, waarschijnlijkheid, de posterior.
- In (altijd) veranderende omstandigheden zal je nieuwe belief weer tot nieuwe inferentie leiden, waarbij de verkregen posterior je nieuwe prior waarschijnlijkheid wordt en de gang van zaken zich herhaalt.
Zo bouwt de Bayesiaan zijn beeld van de werkelijkheid op, in een cyclus van nieuwe laagjes.
Wat is in ons voorbeeld van de ziekte en de diagnose test de prior? Dat is de aanname over de initiële kans om de ziekte te hebben, gebaseerd op de besmettingsgraad. In het rekenvoorbeeld is die 0,1 %.
De stelling van Bayes geeft ons via de formule de posterior. Dat is de waarschijnlijkheid dat je de ziekte hebt, wetende dat je positief getest bent. In het rekenvoorbeeld komt die op circa 9%.
Stel dat je na de eerste diagnose test voor de zekerheid de test opnieuw laat afnemen. Au, de uitkomst is weer positief. Ook nu stellen we de vraag wat de kans is dat je daadwerkelijk de ziekte hebt.
De formule blijft dezelfde, maar in je nieuwe belief krijgt de prior
een andere waarde, namelijk die van de posterior uit de eerste laag, te weten 9%. Ingevuld wordt dat:
![]()
Je nieuwe posterior, de kans om na twéé positieve testen daadwerkelijk de ziekte te hebben, is bijna 91%. Een groot verschil met de eerste 9%, maar nog steeds niet de 99% van de betrouwbaarheid van de test.
Tot slot van dit bericht een wellicht wat wonderlijke vraag. Dacht Bayes zelf Bayesiaans? Het antwoord wil ik in de ontstaansgeschiedenis van de stelling van Bayes proberen te vinden – in een volgend bericht.
In een vorig bericht vroeg ik me af of Bayes zelf wel Bayesiaans dacht. Als je historie recht wil doen is die vraag nog niet zo eenvoudig te beantwoorden. Laten we teruggaan in de tijd.
We zijn niet al te ver van Londen, in Kent. In Tunbridge Wells om precies te zijn. Hier heeft Thomas Bayes lange tijd geleefd en is hij in 1761 overleden. De plaquette vind je op de poort van het huis waar hij woonde.
De tekst is niet zo toepasselijk. Met een vergelijkbaar anachronisme hadden ze beter kunnen schrijven dat Bayes heeft bijgedragen aan het verslaan van de Duitsers en Japanners in WO II vanwege de cruciale toepassing van zijn stelling in Bletchley Park, bij het kraken van codes en het lokaliseren van onderzeeboten. Of verwijzen naar al die onderwerpen waaraan zijn naam is verbonden zoals Bayesiaanse inferentie, het Bayesiaanse brein, Bayesiaanse statistiek, Bayesiaanse netwerken en meer.
Sociale context
Op de plaquette staat dat Bayes minister was – dominee – en Nonconformist. Dat is: niet bij de Church of England aangesloten, hij is Presbyterian. Zijn familie, en later hij zelf, is welgesteld en financieel onafhankelijk. Over zijn jonge jaren is niet veel bekend, zelfs over zijn geboortejaar is onzekerheid. Ook zijn ouders zijn Nonconformist, zijn vader Joshua Bayes is vooraanstaand dominee in de presbyteriaanse kerk. Daarom kan Thomas niet in Oxford of Cambridge gaan studeren, hij wordt er niet toegelaten vanwege zijn geloof. In Schotland, aan de Universiteit van Edinburgh, zijn er geen bezwaren. Hij studeert er geschiedenis, logica, wiskunde en theologie.
De jonge dertiger Bayes komt als dominee terecht in Tunbridge Wells, niet ver van Londen waar hij is opgegroeid. Hij maakt deel uit van een kring van gelijkgestemden in de Nonconformistische beweging – intellectuelen en theologen die geïnteresseerd zijn in religieuze, filosofische en wetenschappelijke kwesties, ook uit de wiskunde en logica. Hij is academisch gevormd in die vakken, maar wordt door geschiedschrijvers meestal amateur-wiskundige genoemd, in de betekenis van liefhebber die het niet voor zijn brood hoeft te doen. Het verhindert niet dat hij in 1742 Fellow wordt van de Royal Society.
Doctrine of Chances
Bayes zelf is niet bezig met al die onderwerpen die later aan zijn naam zijn gekoppeld, niet in directe zin in elk geval.
Het artikel met zijn inzichten die onder de stelling liggen, wordt door hem zelf niet voor publicatie ingestuurd. Ik schrijf prudent ‘inzichten‘ omdat de stelling van Bayes, de formule, in de vorm die ik in eerdere berichten besprak, niet door hemzelf is opgesteld of geformuleerd. Anderen hebben dat gedaan, op basis van de gedachten van Bayes in genoemd artikel.
Dat artikel, An Essay towards solving a Problem in the Doctrine of Chances, is door zijn vriend en collega Richard Price opgeduikeld in de nagelaten geschriften, die hij doorneemt op verzoek van de familie. Met een eigen voorwoord en wat toelichting stuurt hij het naar de Royal Society.
NB De titel maakt aannemelijk dat het essay past in de lijn van wiskundig werk van anderen, met name van Abraham De Moivre die in 1718 een belangrijk werk over kansrekening had gepubliceerd: The Doctrine of Chances: or, A Method of Calculating the Probability of Events in Play.
In 1763 wordt het artikel gepubliceerd in Philosophical Transactions of the Royal Society of London. Price verdient de credits dat hij het belang van het artikel voor de wetenschap heeft ingezien. In de afbeelding zie je het begin van het artikel, dat wil zeggen van de aanhef van Price. Er zijn bronnen die veronderstellen dat het eigenlijk Price is die de stelling heeft geformuleerd of compleet gemaakt omdat Bayes daar zelf niet (meer) toe in staat was, onder meer door ziekte.
Laplace formuleert de stelling van Bayes
Decennia later pas, in 1814, heeft Pierre-Simon Laplace in zijn werk Essai philosophique sur les probabilités de regel opgesteld zoals wij die kennen, overigens zonder de naam van Bayes te vermelden. Het essai is een inleiding tot de tweede editie van Théorie analytique des probabilités (eerste editie uit 1812).

Ook bij Laplace vind je de T-shirt waardige formule niet. Het gebruik van de verticale streep | in de notatie van voorwaardelijke kans
is pas in 1931 voorgesteld door Sir Harold Jeffreys.
Ik heb lang gezocht naar de precieze formulering die Laplace wel gebruikt, op het verkeerde been gezet omdat ik dacht naar een formule te moeten zoeken. Volgens mij is het volgende fragment, op p.183 van Livre II het goede:

NB De vertaling is (met dank aan GPT4-omni):
“Als we een samengestelde gebeurtenis beschouwen, bestaande uit de waargenomen gebeurtenis samen met een toekomstige gebeurtenis, dan is de waarschijnlijkheid van deze laatste gebeurtenis, afgeleid van de waargenomen gebeurtenis, duidelijk de waarschijnlijkheid dat, gegeven dat de waargenomen gebeurtenis heeft plaatsgevonden, de toekomstige gebeurtenis eveneens zal plaatsvinden. Welnu, volgens het principe dat we zojuist hebben uiteengezet, is deze waarschijnlijkheid vermenigvuldigd met die van de waargenomen gebeurtenis, a priori of onafhankelijk van wat al is gebeurd, gelijk aan de waarschijnlijkheid van de samengestelde gebeurtenis, a priori bepaald. We hebben dus dit nieuwe principe met betrekking tot de waarschijnlijkheid van toekomstige gebeurtenissen, afgeleid van waargenomen gebeurtenissen:
De waarschijnlijkheid van een toekomstige gebeurtenis, afgeleid van een waargenomen gebeurtenis, is het quotiënt van de deling van de waarschijnlijkheid van de samengestelde gebeurtenis bestaande uit deze twee gebeurtenissen, a priori bepaald, door de waarschijnlijkheid van de waargenomen gebeurtenis, eveneens a priori bepaald.
Hieruit volgt nog een ander principe met betrekking tot de waarschijnlijkheid van oorzaken, afgeleid van waargenomen gebeurtenissen.
Als een waargenomen gebeurtenis het resultaat kan zijn van n verschillende oorzaken, zijn hun waarschijnlijkheden respectievelijk als de waarschijnlijkheden van de gebeurtenis, afgeleid van hun bestaan; en de waarschijnlijkheid van elk van hen is een breuk waarvan de teller de waarschijnlijkheid van de gebeurtenis is, in de veronderstelling van het bestaan van de oorzaak, en de noemer is de som van soortgelijke waarschijnlijkheden met betrekking tot alle oorzaken.”
Begrijpen van de wereld
Het werk van Bayes is zeer relevant gebleken, voor wiskunde en statistiek en voor grondslagen van de wetenschap. Het is niet voor niets dat zijn gedachtegoed, meer nog dan de stelling zelf, zo alom tegenwoordig lijkt te zijn, ook in het denken over AI. Zie de routekaart van Friston cs in de context van Active Inference.
Ik schreef al dat Bayes zelf met andersoortige vraagstukken bezig was, en ik probeer te begrijpen welke dat geweest kunnen zijn. “Experimentele filosofie“, schrijft Price in zijn aanbiedingsbrief.
Een tijdgenoot van Bayes is David Hume – aanhanger van het empirisme. In die overtuiging zijn er geen aangeboren ideeën. Ons begrip van de wereld is uitsluitend gebaseerd op onze zintuiglijke ervaringen. Er is geen causaliteit in die zin dat, als er iets gebeurt, wij iets anders zouden kunnen aanwijzen als oorzaak. Causaliteit is geen kenmerk van de wereld – alles is toeval, zou je kunnen zeggen.
Wel kunnen we samenhang – ‘constant conjunction‘ – zien, bijvoorbeeld gebeurtenis A die in onze waarneming altijd gevolgd wordt door gebeurtenis B. We kunnen dan wel zeggen dat A de oorzaak van B is, maar het is uit gewoonte: de directe verbinding van A en B, de causaliteit, kunnen we niet empirisch vast stellen. Dat levert gelijk een probleem op voor de geldigheid van inductief redeneren: we kunnen niet met zekerheid zeggen dat ook in de toekomst B altijd zal volgen op A.
In de filosofie, het geloof, van Bayes is er wel sprake van causaliteit. Terugredenerend bij dingen die gebeuren zijn er wel oorzaken aan te wijzen, en uiteindelijk voert alles terug naar één eerste veroorzaker: God.
Hume acht het zeer onwaarschijnlijk dat God bestaat, het is niet empirisch te bewijzen.
Price (en mogelijk Bayes, maar dat weten we niet) is er alles aan gelegen om aan te tonen dat er een keten van oorzaken bestaat. Dit is een veelzeggend citaat uit de aanbiedingsbrief van Price:
The purpose I mean is, to shew what reason we have for believing that there are in the constitution of things fixt laws according to which things happen, and that, therefore, the frame of the world must be the effect of the wisdom and power of an intelligent cause; and thus to confirm the argument taken from final causes for the existence of the Deity. It will be easy to see that the converse problem solved in this essay is more directly applicable to this purpose; for it shews us, with distinctness and precision, in every case of any particular order or recurrency of events, what reason there is to think that such recurrency or order is derived from stable causes or regulations innature, and not from any irregularities of chance.
Het “converse problem solved” in het citaat is de inverse probability, de omgekeerde kans, die de kern van de stelling van Bayes is. Dat is de basis om je eerdere beeld van de wereld bij te stellen op basis van waarnemingen van gebeurtenissen, het is voor Bayes en Price de manier om de keten van oorzaken te reconstrueren.
Het is verleidelijk om deze filosofische onderwerpen verder uit te diepen, woven webs of guesses zijn volop aanwezig, maar het brengt ons te ver weg van de focus van deze site: AI en alles wat er mee samenhangt.
Ik neem een snelle weg terug. Al wat Bayes, Price cs bezighoudt zou je met recht kunnen samenvatten als: begrijpen van de wereld.
Het is in deze woorden gelijk ook de kortste verbinding met het onderwerp van deze site, en het werk van Karl Friston, Judea Pearl en anderen. Active inference veronderstelt dat levende organismen, en er op gebaseerde intelligent agents, alleen kunnen blijven bestaan op basis van hun begrip van de wereld – een noodzakelijke, misschien niet voldoende, voorwaarde. Begrip van de wereld zelf is een container, wat er in zit en hoe het werkt is onderwerp van komende berichten.
Na alle Bayesiaanse omzwervingen ben ik weer terug op het pad, althans op de door Karl Friston cs uitgestippelde route, de low road, naar active inference. In het schema hieronder zie je de stopplaatsen die ik onderweg wil aandoen om te begrijpen waar het om gaat.
Ik ben op dit pad omdat ik geïnteresseerd ben in het idee van Friston dat je beter een ‘ecosysteem van samenwerkende natuurlijke en kunstmatige intelligent agents‘ zou kunnen ontwerpen dan door te ontwikkelen met steeds extremere, monolithische, systemen zoals LLM.
Zo’n ecosysteem is een verzameling generatieve modellen die gedrag, cognitieve en neurale processen beschrijven. Ik zie het als een theoretisch kader om te verklaren hoe biologische systemen functioneren en interacteren met hun omgeving en daarin overleven. De kern van active inference systemen is dat ze zichzelf continu een intern beeld van de wereld vormen en dat door perceptie en actie zodanig bijstellen dat de discrepantie tussen de op dat wereldbeeld gebaseerde voorspelde en werkelijke waarnemingen wordt geminimaliseerd. Begrijpen van de wereld noemden we dat in eerdere berichten.

Mijn plan was om het boek Active Inference te volgen, maar al snel kwam ik er achter dat met mijn vooralsnog gebrekkige voorkennis het pad niet zo geëffend is als ik had gehoopt. Deze weg gaat over gravel, met onverwacht scherpe steentjes en soms bochten die door het opgewerkte stof niet overzichtelijk zijn. Een echte Strade Bianche zou een liefhebber van wielerklassiekers zeggen.
De tocht begint lieflijk genoeg. De hobbel van de stelling van Bayes hebben we al genomen.
De eerste stopplaatsen, Generative model en Perception as inference hebben een ruime eigen historie, die begint bij Helmholtz.
Helmholtz publiceert in 1867 zijn Handbuch der physiologischen Optik, met daarin het volgende citaat:
“Die Bildung der Gesichtseindrücke geschieht hauptsächlich durch unbewusste Urteile, deren Resultate niemals auf die Stufe der bewussten Urteile erhoben werden können und daher der reinigenden und prüfenden Arbeit des bewussten Denkens entbehren.“
“Perception as unconscious inference” heet dat bij Friston.
Perceptie
Helmholtz geeft als voorbeeld de zon die in onze waarneming door onbewuste inferentie om de aarde lijkt te draaien en iedere avond achter de horizon zakt, terwijl we weten dat de zon stilstaat en de aarde draait.
Een andersoortig voorbeeld, niet in deze vorm bij Helmholtz: Stel dat je op een avond die zich ervoor leent naar de maan kijkt, de maan waarneemt. Ergens in je hersenen vormt zich nu een beeld van de maan dat je later kunt inzetten in het voorspellen van wat je ziet.
Als je een vinger voor je ogen heen en weer beweegt, zodat er telkens een stukje maan bedekt is, vorm je je niet steeds een nieuw totaalbeeld, maar combineer je de snel veranderende positie van je vinger en een stabiel ‘intern’ beeld van de maan.
De concepten van Helmholtz worden in de anderhalve eeuw na publicatie uitgewerkt tot het idee van het brein als ‘voorspellende machine’, een statistisch orgaan dat de externe toestanden van de wereld afleidt en voorspelt. Kort samengevat is dat de hypothese van het Bayesiaanse brein, die ik later apart wil gaan bestuderen.
Generatief model
Om voorspellingen te kunnen doen over wat je aan observaties kan verwachten is een generatief model nodig, ook wel forward model genoemd, ontleend aan de statistische theorie. Het gaat om de joint probability, de gecombineerde waarschijnlijkheid
van observaties
en de verborgen toestanden (states)
van de wereld. Die laatste categorie betreft relevante factoren die je niet direct kunt waarnemen.
De gecombineerde verwachting
heeft twee componenten:
- De prior
, je belief, dat wat je verwacht over de verborgen toestanden van de wereld. - De likelihood
, de waarschijnlijkheid van wat ik waarneem, gegeven mijn belief over de omstandigheid
.
Terminologie: het generatieve model bestaat uit de prior en de likelihood samen.
Met de formule van Bayes kunnen we deze twee componenten combineren.
![]()
Daarmee wordt de prior
bijgewerkt, geüpdatet, tot een posterior
. Dat is mijn (hernieuwde) begrip van de (verborgen) wereld (
), gegeven mijn observaties (
).
tenslotte wordt de marginal likelihood genoemd, ook wel model evidence. De tweede benaming is inzichtelijker omdat het iets zegt over de waarschijnlijkheid dat de observaties daadwerkelijk optreden gegeven mijn belief, mijn geheel aan model parameters. Het zegt iets over de gegrondheid van mijn belief: hoe goed past mijn model nog bij de waargenomen data? In het eerder besproken voorbeeld van de medische diagnose test betrof de model evidence alle positieve testen, d.i. de gecombineerde waarschijnlijkheid van de correct positief geteste gevallen plus de false positives.
Op weg naar Active Inference is het belangrijk om dit in gedachten te houden, cruciaal zelfs volgens Tom Chivers in zijn geweldige boek Everything is Predictable.
- De likelihood plaatst de waarnemingen die ik doe in het kader van mijn opvattingen, verklaart in zekere zin waarom ze zo zijn. Chivers noemt dit sampling probabilities.
- De marginal likelihood doet precies het omgekeerde: de waarnemingen zijn wat ze zijn, maar wat zeggen ze over het totaal? Had ik ze kunnen verwachten op basis van mijn opvattingen of moet ik die bijstellen? Bij Chivers zijn dit de inferential probabilities.
Voorbeeld
In het boek Active Inference wordt een wat vreemd onzinvoorbeeld gebruikt om de concepten die een rol spelen verder aan te scherpen. Ik gebruik het in parafrase hier ook, voor hetzelfde doel. Dit is het voorbeeld:
Iemand heeft een object voor zich waarvan ze het sterke vermoeden heeft dat het een appel is. Dat is haar prior hypothese over de wereld, binnen haar belief over de wereld dat ook alternatieve hypothesen omvat. In dit voorbeeld is de (enige) alternatieve hypothese dat het object een kikker is. Laten we de kansverdeling zo maken dat de waarschijnlijkheid van een appel 0,9 is en van een kikker 0,1. In deze situatie gaat haar belief dus over de twee ‘hidden states‘ (kikker of appel).
De persoon in kwestie beschikt ook over een voor de situatie relevant likelihood model waarin het zeer waarschijnlijk is dat de kikker springt en de appel niet. In dit voorbeeld zijn er twee observaties (springen of niet springen). Ook aan de springkans kennen we in dit voorbeeld waarden toe, laten we zeggen een kans op springen van 0,81 bij de kikker en 0,01 bij de appel.
Verrassing
Het appel-kikker-object springt!
Nu kan de prior worden geüpdatet naar een posterior met behulp van de formule van Bayes.
Even rekenen. We hebben het over twee ‘states’
: appel of kikker, en twee observaties
, sprong of geen sprong.
Prior:
en ![]()
Likelihood:
en
De berekening voor de marginal likelihood is als volgt:
![]()
De formule van Bayes in deze termen:
![]()
De a priori verwachting van 90% dat het object een appel was, moet dus na de waargenomen sprong worden bijgesteld naar 10%.
In het boek Active Inference gaat het nu verder met de notie surprise, verrassing. Niet vreemd, want we weten al dat het een organisme er om te doen is de discrepantie tussen waarnemingen en eigen generatief model zo laag mogelijk te houden, zeg maar het surprise niveau te minimaliseren.
Wegversperring
De wiskundige definitie van verrassing was voor mij een verrassing op zichzelf: surprise is de negatieve logaritme van de marginal likelihood.
Toegepast op ons voorbeeld, in formule:
.
Zo kun je er nog een waarde aan toekennen ook: ![]()
Met gebruik van de natuurlijke logaritme
wordt de eenheid van verrassing de nat genoemd, met
, de logaritme met grondtal 2, zou de surprise worden uitgedrukt in bits. In dit geval ![]()
Tja, die zag ik ook niet zo snel aankomen. Surprise surprise…
Uitleg en achtergrond van deze definities zijn goed te vinden en te vertellen, maar voor nu ligt er een wegversperring op het ingeslagen pad. In volgende berichten zal ik proberen die weg te ruimen.
Al in de middelbare schoolwiskunde, althans op het VWO, wordt de logaritme onderwezen. In het examenbesluit staat onder het kopje Standaardfuncties: De kandidaat kan grafieken tekenen en herkennen van de volgende standaardfuncties: machtsfuncties met rationale exponenten, exponentiële functies, logaritmische functies, goniometrische functies en de absolute-waardefunctie en kan van deze verschillende typen functies de karakteristieke eigenschappen benoemen en gebruiken.
De logaritme is dus een ‘gewone’ functie onder de standaardfuncties geworden. Sommige van die genoemde karakteristieke eigenschappen van de logaritmische functie verdienen het om hier speciale aandacht te krijgen. Ze zijn specifiek van belang voor andere berichten op deze website, zoals deze, over surprise. Bij bepaalde sleutelelementen in de ontwikkeling van AI en informatietheorie wordt de term logaritme gebruikt, ook als het om specifieke onderliggende eigenschappen gaat – een totum pro parte zou je kunnen zeggen. Daarom hier een kort overzicht van de belangrijkste eigenschappen.
Definitie van logaritme
We hebben het over
. Vaak ook geschreven als
waarbij
het zogenoemde grondtal (ook wel: basis) is. Dat heeft te maken met de definitie van de logaritmische functie als inverse van de exponentiële functie. De logaritme van
is de macht waartoe je grondtal
moet verheffen om uitkomst
te krijgen. In formule:
.
Met getallen:
omdat
. Of
omdat
.
Het grondtal achter log wordt meestal weggelaten als het er niet toe doet, of uit de context duidelijk is wat bedoeld wordt.
Rekenregels
Rekenen met logaritmen wordt bepaald door de eigenschappen van exponenten.
bestaat voor alle 
omdat voor elk grondtal g geldt: 
omdat 
omdat
en
dus 
omdat
… en
…
omdat 

Natuurlijke logaritme
Alle machtsfuncties van x hebben een direct afleidbare primitieve functie, dat is de functie waaruit je door te differentiëren de oorspronkelijke functie terugkrijgt. De primitieve functie van
is
, van
is dat
, enzovoort.
In het algemeen dus van
is het
.
Ik ga het hier niet verder uitwerken, maar de primitieve functie is direct gerelateerd aan de oppervlakte van segmenten ‘onder’ de grafiek van de machtsfunctie (tot aan de x-as zeg maar)
De rekenregel gaat niet op voor
ofwel
, omdat voor
de waarde
niet gedefinieerd is.
Wel kun je iets zeggen over de oppervlakte onder de grafiek van
, de hyperbolische functie. Als je die oppervlakte, gerekend vanaf
opvat als een functie van
dan kun je laten zien dat die functie aan alle regels van een logaritmische functie voldoet. Mercator heeft dat gedaan in 1667, en hij stelde voor voor die functie de term natuurlijke logaritme te gebruiken.
Wat zou dan het grondtal van de natuurlijke logaritme moeten zijn? Als je naar de rekenregels kijkt moet dat een coördinaat op de x-as zijn, waarvoor geldt dat de oppervlakte onder de grafiek van
gelijk is aan
.

Die coördinaat bestaat, het is
in de grafiek.
De waarde van
is bij benadering
….
Later heeft Euler voorgesteld om dit grondtal e te noemen.
De natuurlijke logaritme wordt ook wel geschreven als
, dat is dus hetzelfde als
.
De afgeleide functie die je krijgt door
te differentiëren is
.
Waarom de logaritme zo handig is
Bij de rekenregels hierboven staat:
en ![]()
Letterlijk kun je met behulp van logaritmen van een vermenigvuldiging dus een optelling maken (net zo wordt delen aftrekken). Dit is een niet te onderschatten vereenvoudiging bij het maken van complexe berekeningen met grote getallen (of getallen met veel decimalen). In de 17e eeuw, toen de logaritme voor het eerst werd toegepast, waren zulke berekeningen van levensbelang in de navigatie op zee.
Eind jaren 60 van de vorige eeuw waren rekenmachines en computers nog niet alom beschikbaar. Op de middelbare school en in de eerste jaren van mijn studie was het werken met de rekenliniaal zeer gangbaar, op de foto staat mijn oude exemplaar.

De rekenliniaal is de fysieke uitvoering van het vervangen van een vermenigvuldigingsbewerking door een optelling, in dit geval van de lengte van segmenten op de onderdelen van de liniaal. Ingesteld is een vermenigvuldiging met 1,7 – onder de haarlijn lees je af dat 1,7 x 2 = 3,4.
Surprise
Dit bericht over de bijzonderheid van de logaritme heb ik gemaakt omdat bij de introductie van het concept surprise opeens de negatieve logaritme te voorschijn kwam. In het concrete voorbeeld was de formule
. In deze context wil ik daarom nog een eigenschap van de logaritme voor het voetlicht halen.
De logaritme van getallen tussen 0 en 1 is negatief.
, de logaritme van alles onder de 1 heeft een negatieve waarde. Bij breuken zie je gemakkelijk waarom. Bijvoorbeeld
. In het algemeen geldt
.
Naarmate de
kleiner wordt, wordt de
groter.
In de context van AI gaat het vaak over kansverdelingen, de betreffende kanswaarden liggen altijd tussen 0 en 1.
Bij surprise betreft het doorgaans een gebeurtenis met een heel kleine kans, de negatieve logaritme ervan die de verrassing over de gebeurtenis uitdrukt is dan een heel groot getal. Dat is in elk geval een bij de intuïtie passend gegeven.
Om te begrijpen waar negatieve logaritme als maat voor surprise vandaan komt volg ik een spoor terug dat ligt in de moderne informatietheorie. Vaak wordt het begin ervan gelegd bij een publicatie van Claude E. Shannon, A Mathematical Theory of Communication uit 1948, waarin hij vanuit een technisch/wiskundige invalshoek communicatie los maakt van semantische aspecten. Een sleutelelement in zijn gedachtegoed komt van Ralph Hartley, hij verwijst er ook zelf naar. We gaan terug naar 1927.
In 1927 was het 100 jaar geleden dat Alessandro Volta overleed. Een passende gelegenheid voor eerbetoon aan de uitvinder van onder meer de accu en de naamgever van onze spanningseenheid volt. In Como, waar Volta geboren en ook overleden is, waren diverse activiteiten georganiseerd. Er werd een grote tentoonstelling ingericht, gewijd aan de industriële toepassingen van Volta’s werk, de bouw van de Volta Tempel werd voltooid en er werd ter ere van Volta een vuurtoren gebouwd, de Faro Voltiano.
Voor dit blog van meer belang zijn de twee internationale conferenties die van 11-20 september 1927 in Como ter nagedachtenis aan Volta werden georganiseerd.
Op het Internationaal Congres van Natuurkundigen waren veel deelnemers aanwezig die elkaar een maand later ook zouden treffen bij de 5e Solvay conferentie. Heisenberg en Bohr waren er bij in Como – het lijkt erop dat ze daar de eerste versies hebben gepresenteerd van het werk dat in Solvay zo’n impact kreeg – ik schreef er eerder over.
Voor zover ik kan nagaan gelijktijdig werd ook het International Congress of Telegraphy and Telephony gehouden. Ingenieurs en wetenschappers van over de hele wereld kwamen er van gedachten wisselen over ontwerp en inrichting van communicatiesystemen. Een van de sprekers was genoemde Ralph Hartley, een ingenieur bij Bell Labs.
In zijn bijdrage Transmission of Information valt hij meteen met de deur in huis: “What I hope to accomplish (…) is to set up a quantitative measure whereby the capacities of various systems to transmit information may be compared.”
Hij constateert dat ‘informatie’ een nogal rekbaar (‘elastic’) begrip is. Het is nodig om eerst een meer specifieke betekenis vast te stellen. Waar gaat het om bij communicatie? Allereerst moet er een verzameling tastbare symbolen, zoals woorden, letters, punten, strepen en zo zijn, met een algemene geldigheid waarover de communicerende partijen het eens zijn.
Uit die verzameling kiest de zender een symbool, of een serie symbolen, en brengt die onder de aandacht van de ontvanger. Met elk symbool dat de zender kiest perkt hij zijn mogelijkheden voor het vervolg in. Neem de zin “Appels zijn rood”. Door de keuze van het symbool ‘appel’ worden andersoortige objecten uitgesloten, zelfs andere fruitsoorten. Het verbindende woord ‘zijn’ is bedoeld om de aandacht van de ontvanger te richten, en met ‘rood’ worden alle andere kleuren geëlimineerd. Het gevolg van dit keuzeproces is dat de informatie steeds preciezer wordt.
Afhankelijk van de context en de beschikbaarheid van symbolen, is de keuze ervan door de zender een subjectieve aangelegenheid, en een psychologische factor bovendien: de zender moet anticiperen op wat de ontvanger van de gekozen symbolenreeks kan maken. Ook bij de ontvanger is een psychologische factor van belang. Omdat hij weet dat de zender ook andere symbolen had kunnen kiezen om de boodschap over te brengen moet de ontvanger in feite interpreteren wat de zender heeft bedoeld te communiceren, zeker als de technische uitvoering van de communicatie gebrekkig is door ruis of storing.
Hartley is een ingenieur, hij wil iets zinnigs kunnen zeggen over de capaciteit van systemen om informatie over te brengen – capaciteit die alleen afhankelijk zou moeten zijn van fysieke omstandigheden en niet van psychologische, die de capaciteit oneigenlijk begrenzen. Hij is op zoek naar een maat voor informatie.
In het artikel staat het volgende voorbeeld. Stel, een operator kan bij het opmaken van een te verzenden boodschap kiezen uit
symbolen. Als een boodschap lengte
zou hebben, d.i. uit
symbolen zou bestaan, dan is op voorhand het aantal mogelijke boodschappen gelijk aan
= 9. Bij
selecties, voor een boodschap van lengte
zouden er
mogelijke sequenties zijn.
In het algemene geval van
verschillende symbolen waaruit
keer gekozen moet worden om een boodschap te vormen, is het aantal mogelijke sequenties gelijk aan
. Deze uitdrukking zegt iets, in kwantitieve zin, over de hoeveelheid informatie, maar is in de werkelijkheid – zegt de ingenieur – niet erg praktisch. Een telegraaf-systeem verwerkt immers achter elkaar net zoveel woorden als gewenst, zolang het systeem maar aan staat – er zijn geen extra faciliteiten nodig. De lengte van de boodschap, of serie boodschappen, doet er wel toe, en die is afhankelijk van het aantal selecties uit de verzameling symbolen dat nodig is, niet van de omvang van de verzameling symbolen.
Hartley stelt daarom voor om de voor informatie gezochte maat,
, te zoeken in de evenredigheid met het aantal gekozen symbolen, in formule vorm (1):
waarbij
een constante is die afhangt van het aantal
van beschikbare symbolen bij selectie.
Stel, we willen dezelfde informatie overbrengen met twee verschillende verzamelingen van resp. aantal
en
symbolen. Met de ene verzameling hebben we dan
selecties nodig, met de andere
.
Omdat het om gelijke informatie gaat, geldt de gelijkheid (2): ![]()
Als H geschikt wil zijn als maat voor informatie moet dus gelden (3): ![]()
Met een rekenregel voor logaritmes kunnen we (2) omvormen tot (4): ![]()
Via wat rekenkundig goochelwerk (gelijke factoren in teller en noemer bij een breuk vallen tegen elkaar weg, je kunt ze dus ook straffeloos toevoegen aan elke uitdrukking) vormen we (3) om tot (5):
![]()
De uitdrukkingen boven de streep bevatten links en rechts gelijke factoren, zo blijkt uit de gelijkheid (4). Die mag je dus tegen elkaar wegstrepen. Dan blijft over (6):
![]()
Omdat (6) geldt voor alle combinaties van
symbolen en
selecties hebben we zo een bruikbare van
afhankelijke constante
gevonden, namelijk:
.
De oorspronkelijke gedachte (1) is dus geworden: ![]()
Ruim 20 jaar later wordt het idee opgepikt door Claude Shannon, als startpunt voor de ontwikkeling van een theorie die tot op de dag van vandaag zijn impact heeft: informatietheorie. In een volgend bericht wil ik preciezer uitzoeken om welke elementen het gaat en welke van belang zijn in het kader van kunstmatige intelligentie en Active Inference.
Ogenschijnlijk ben ik op een van die historische zijpaden terechtgekomen die ik -uit nieuwsgierigheid- graag bewandel. Deze keer echter, verwacht ik ook een aantal concepten en grondslagen tegen te komen die hun geldigheid nog niet verloren hebben, op het gebied van AI.
Wat vooraf ging: ik ben aan mijn huidige omzwerving begonnen toen ik bij Friston cs in het boek Active Inference een op het oog achteloos opgeschreven gebruik tegenkwam van “‘surprise‘ als de negatieve logaritme van een kans, met als eenheid de bit“. Dat pakketje concepten en hulpmiddelen ben ik uit elkaar aan het halen. Over het nut van de logaritme in het algemeen schreef ik hier, en over het gebruik van de logaritme bij bepalen van een maat voor informatie ging het in dit bericht.
Over de betekenis van kans (en kansverdeling) in deze context, in combinatie met verrassing (en onzekerheid), ga ik het nu hebben.
We gaan naar 1948/49. Terugkijkend vind je daar een landmark in de wetenschapsgeschiedenis, het beginpunt van wat tegenwoordig informatietheorie heet. Een theorie met ongekende impact op de wetenschappelijke en technische ontwikkelingen van de afgelopen decennia, en daardoor ook op alledaagse levens. De Magna Carta van het Informatietijdperk, zoals het door Scientific American is genoemd.
In 1949 verschijnt bij de University of Illinois een boekje, een bundel eigenlijk, met twee artikelen. Het eerste is van Warren Weaver en heet Recent Contributions to the Mathematical Theory of Communication. Het tweede is van Claude Shannon met de titel The Mathematical Theory of Communication. Dat is gelijk ook de titel van de bundel zelf.
Het artikel van Shannon is de feitelijke landmark, maar dat werd in die tijd niet onmiddellijk zo gezien. Het was in 1948 al gepubliceerd in Bell System Technical Journal, waarmee het niet veel aandacht trok, al helemaal niet bij een breder publiek dan ingenieurs en technici. Het is voor die tijd wellicht te moeilijk, te conceptueel en voor technici te wiskundig en voor wiskundigen te technisch. Warren Weaver, destijds natuurwetenschappelijk directeur van de Rockefeller Foundation, ziet wel meteen het belang van het werk van Shannon. Het artikel van Weaver in de bundel is een oorspronkelijk voor Scientific American geschreven niet al te technisch artikel waarin de inhoud van Shannon’s werk op waarde wordt geschat en uitgelegd in niet-technische termen.
NB Interessant is dat de titel van Shannon’s artikel in het Bell System tijdschrift begint met “A Mathematical Theory …”, een jaar later begint de titel van het (verder ongewijzigde) artikel in de bundel met “The Mathematical Theory …”. Ik waag mij niet aan duiding van het verschil.
Ik heb beide artikelen gelezen en voor het grootste deel begrepen, denk ik zelf. Ik vond ze opvallend ‘modern’, qua stijl en taalgebruik, maar ook de inhoud doet wonderlijk genoeg niet ouderwets aan. Het zegt iets over de hoge kwaliteit en tijdloosheid van de ideeën en concepten. Bedenk dat bijvoorbeeld de transistor nog niet was uitgevonden en dat dit nog de tijd is van relais om te schakelen ten behoeve van telegrafie en telefonie, telex, teletype.
Hieronder volg ik inhoudelijk de artikelen van Shannon en Weaver, tot en met de formulering van wat later de Shannon entropie is gaan heten, een maat voor informatie en voor onzekerheid, verrassing. In de titels van beide artikelen is (nog) sprake van Communication, maar in de tekst komt al snel het concept Information naar voren. Het is de kern van het werk van Shannon en de reden dat we het vakgebied Informatietheorie zijn gaan noemen.
Shannon-Weaver model
Weaver benoemt in zijn artikel drie probleemgebieden bij het onderwerp communicatie, levels noemt hij ze.
A. Het technische probleemgebied: hoe accuraat kunnen symbolen in communicatie worden verzonden?
B. Het semantische probleem gebied: Hoe nauwkeurig brengen de verzonden symbolen de gewenste bedoeling over?
C. Het effectiviteitsprobleem: Hoe effectief beïnvloedt de ontvangen bedoeling het gedrag van de ontvanger?
Shannon, in zijn artikel, heeft dan al hardvochtig afscheid genomen van de gebieden B. en C. door te stellen dat de semantische aspecten van communicatie irrelevant zijn (zijn woorden) voor het ‘engineering problem‘, ook al hebben berichten vaak een inhoudelijke lading.
De probleemstelling van Shannon, de onderzoeksvraag, is:
“The fundamental problem of communication is that of reproducing at one point either exactly or approximately a message selected at another point”.
Shannon refereert aan eerder werk van Ralph Hartley dat hier aan de orde was. De semantische aspecten vallen bij Hartley in de categorie psychologische factoren die voor het ontwikkelen van een maat voor informatie niet van belang zijn en die hij ook zo snel mogelijk kwijt wil.
Daar waar Hartley zich bezighield met de verzending van berichten en op zoek was naar een maat voor de omvang ervan, richt Shannon zich vooral ook op het punt waar berichten landen, in de samenhang van een general communication system. Het one point en another point uit de probleemstelling plaatst hij aan begin en einde van een schema dat tegenwoordig bekend staat als Shannon-Weaver model of Shannon model.
- In het schema zijn Transmitter en Receiver, en hun verbinding Channel, technische componenten die berichten omzetten in signalen (of andersom) en de transmissie van signalen en het opvangen ervan mogelijk maken.
- De Information source produceert een bericht, of een sequentie berichten. Berichten zijn er in verschillende types, variërend van een serie letters zoals bij telegraaf of telex tot tijdgerelateerde functies in een driedimensionaal continuüm, zoals bij televisie.
- De Destination is een persoon of een ding waarvoor het bericht bedoeld is.
Het is buiten scope om de theorie hier verder uit te werken, maar van belang in het schema is het element Noise (ruis), een door Shannon ingebrachte nieuwigheid. Ruis is het fenomeen dat een eenmaal verzonden bericht niet ongehinderd en onveranderd aankomt bij de bestemming, door allerlei mogelijke oorzaken. Ruis zelf was uiteraard geen nieuw fenomeen, integendeel, het was de nachtmerrie van telegrafie en telefonie operators.
Het nieuwe is dat Shannon ruis integraal als een gelijkwaardig element opneemt in het communicatie systeem. Soms is ruis onbedoeld en hinderlijk, in andere gevallen juist bedoeld en nuttig. Je zou kunnen zeggen dat ‘bedoelde ruis’ in de oorlogsjaren zelfs de core business van Shannon was. Bij Bell Labs hield hij zich bezig met het ontwerp van telefonie systemen waarbij het signaal met opzet zodanig wordt vervormd dat het voor derden niet te ontcijferen is. Te gebruiken door Roosevelt en Churchill voor strategisch overleg zeg maar.
Het concept informatie
En passant, met het schema, is het begrip informatie naar voren gekomen. Weaver waarschuwt voor verwarring:
Het woord ‘informatie’, in deze theorie, wordt in een speciale betekenis gebruikt en moet niet verward worden met het gewone gebruik. In het bijzonder moet ‘informatie’ niet worden verward met betekenis.
En:
Bij informatie in de communicatieleer gaat het niet zozeer om wat je overbrengt, maar om wat je zou kunnen overbrengen.
Shannon heeft het over ‘message selected‘. Dit is volgens mij een kernpunt van het artikel: we laten de semantiek vallen, maar in het besef dat een bericht altijd is geselecteerd uit een verzameling mogelijke berichten.
Logaritmische maat
Net als bij Hartley is de ontwerpoverweging bij een communicatie systeem dat het alle mogelijke selecties moet kunnen faciliteren, en net als Hartley kiest Shannon voor de logaritmische maat uit praktische overwegingen. Parameters bij het ontwerp zoals bandbreedte, of aantallen relais (we zijn nog in de jaren 40 van de vorige eeuw) variëren lineair met de logaritme van het aantal mogelijkheden. En het is intuïtiever. Stel je hebt een ponskaart met posities voor 2 gaten overeenkomend met een 0 voor geen gat en een 1 voor wel een ponsgat. Er zijn 4 mogelijke combinaties (00, 01, 10, 11),
. Als we overgaan naar ponskaarten met 4 posities zegt je intuïtie dat de capaciteit is verdubbeld (van 2 naar 4 immers). Maar het aantal combinaties is
, dat wil zeggen dat er 16 mogelijke combinaties zijn, in werkelijkheid is de capaciteit verviervoudigd.
Van exponentieel naar lineair, dat is wat de logaritme voor je doet.
Eenheid van informatie: de bit
De maat voor informatie is dus een logaritme, maar wat is dan de eenheid, waar meten we in? Het is makkelijk in te zien, zie ook eerdere berichten, dat de eenheid afhangt van het gekozen grondtal voor de logaritme. Shannon kies voor grondtal 2, en komt zo tot binary digits, oftewel bits. Een relais (open/dicht) of een flipflop schakelelement kan dan 1 bit informatie opslaan. Hoewel het woord ‘bit’ oorspronkelijk elders is bedacht (door J.W. Tukey), wordt de introductie van de bit als eenheid van informatie meestal aan Shannon toegeschreven. Dat concept is niet meer weggegaan…
Discrete informatiebron als stochastisch proces
Communicatie systemen zijn er grofweg in drie smaken: discrete, continue en gemengde. Discreet wil zeggen dat zowel het bericht als het signaal sequenties zijn van apart te onderscheiden symbolen, denk aan letters en cijfers of de punt en streep van het Morse alfabet. In het continue geval gaat het om continue functies, zoals bij radio(golven). Shannon werkt vooral de discrete situatie uit, ook als basis voor de continue systemen. Hij zegt er bij dat het in eerste instantie om communicatiesystemen gaat, maar dat de toepassing algemene(re) geldigheid heeft zoals bij computersystemen, telefonie en andere gebieden.
Bij discrete informatiebronnen wordt een bericht symbool voor symbool samengesteld, waarbij de keuze voor een symbool steeds een zekere waarschijnlijkheid heeft. Een model of systeem dat zo werkt heet een stochastisch proces. Omgekeerd is elk stochastisch proces dat sequenties van onderscheiden symbolen uit een eindige verzameling samenstelt te beschouwen als een discrete informatiebron.
NB Stochastisch wordt hier gebruikt om het proces te onderscheiden van een deterministisch proces, waarbij elke keuze op voorhand vastligt en van een random proces, waarbij de samenstelling van berichten volstrekt willekeurig en onherhaalbaar is.
Ik sla een paar stappen van Shannon over, maar zoom nog even in op zijn conclusie dat de keuze van een volgend symbool probabilistisch van aard is, maar dat er niet altijd sprake is van een onafhankelijke kans.
De letters uit een alfabet komen met verschillende frequentie in de taal voor. In het Engels bijvoorbeeld is de frequentie van de letter E 12%, van de W maar 2%. Het Morse alfabet hield van oudsher (vanaf 1837) al rekening met die letterfrequenties, daarom vertegenwoordigt het eenvoudigste Morse symbool, de punt ., de letter E. De T is tweede met 9% in de frequentielijst en wordt weergegeven met een enkele Morse-streep -. Voor de W zijn al 3 symbolen nodig: . – –
Bedenk: bij een standaardsnelheid van 12 woorden per minuut wordt de morsesleutel bij een punt ongeveer 0,1 seconde ingedrukt, bij een streep 3x zo lang. De tussenruimte tussen tekens is ook 0,1 seconde, de tijd tussen letters 0,3 seconde en de tijd tussen woorden 0,7 seconde
Sommige combinaties van letters zijn veel (on)waarschijnlijker dan andere. In de praktijk wordt de keuze van een letter soms bepaald door de voorgaande letter. In het Engels komt TH veel vaker voor dan XP, in het Nederlands wordt een C vaak gevolgd door een H.
Je zou zelfs nog verder kunnen kijken, tot 3 letters. THE of THO komen vaak voor als er al TH staat, in het Nederlands vaak SCH als er eenmaal sprake is van SC.
Shannon spreekt van een nulde-orde benadering voor (de keuze van) een willekeurige letter, een eerste-orde benadering als we rekening houden met letterfrequenties, een tweede-orde benadering voor de twee letter combinaties, en van derde-orde bij de drie letters.
In theorie zou je zo door kunnen gaan, maar volgens Shannon is het dan slimmer om niet op letters te focussen, maar op woorden zoals ze in een taal bestaan. Ook daar zijn frequenties van voorkomen en van combinaties beschikbaar en kun je dezelfde benadering kiezen met eerste-orde op basis van woordfrequenties, en tweede-orde benadering gebaseerd op gangbare combinaties.
Markov processen
De hier beschreven stochastische processen staan in de wiskunde bekend als discrete Markov processen. Ze komen bij Friston cs in hun werk over Active Inference in die vorm terug, maar in andere vorm ook al veel eerder – vanaf de jaren 80 bijvoorbeeld als Hidden Markov Models (HMM) in onderzoek rond spraakherkenning, of als Markov Decision processes (MDP) in de operations research. In 1988 verschijnt van de hand van Judea Pearl Probalistic Reasoning in Intelligent Systems. Daar spelen ze een rol bij de modellering van onafhankelijkheidsrelaties tussen stochastische variabelen.
Een Markov proces is een model dat een reeks mogelijke gebeurtenissen (‘events’) beschrijft, waarbij de kans op een gebeurtenis alleen afhangt van de huidige toestand, ongeacht wat er voorafgegaan is.
Shannon omschrijft het formeler als:
Een model van een systeem met een eindig aantal mogelijke toestanden (‘states‘)
en een verzameling kansen
dat toestand
over zal gaan in toestand
. Zo’n Markov proces is een informatiebron, bijvoorbeeld onder de aanname dat er bij elke overgang een letter wordt geproduceerd.
Het concept “Hoeveelheid informatie”
Kun je nu, in het geval van een discrete informatiebron als Markov proces, iets zeggen over hoeveel informatie er wordt “geproduceerd” door zo’n proces? Ik volg de tekst van Shannon:
Stel we hebben een set mogelijke gebeurtenissen waarvan de kansen dat ze optreden
zijn. De kansen zijn bekend, maar dat is alles wat we weten over welke gebeurtenis zal plaatsvinden. Kunnen we een maat vinden voor de hoeveelheid ‘keuze’ (“choice”) bij de selectie van een gebeurtenis, of van de mate van onzekerheid over de uitkomst?
Als er zo’n maat is, laten we zeggen
dan moet die redelijkerwijs de volgende eigenschappen hebben:
moet continu zijn in de
.
- Als alle
gelijk zijn,
, dan moet
een monotoon stijgende functie van
zijn. Als gebeurtenissen even waarschijnlijk zijn neemt de keuze, of onzekerheid, toe naarmate er meer mogelijke gebeurtenissen zijn.
- Als een keuze uiteen kan vallen in twee opvolgende keuzes, dan moet de originele
gelijk zijn aan de gewogen som van individuele waarden van
.
Daarna formuleert Shannon een impactrijke stelling:
De enige
die aan alle drie voorwaarden voldoet is van de vorm:
waarbij K een positieve constante is.
Ter herinnering: omdat de
altijd getallen tussen 0 en 1 zijn, is de logaritme ervan negatief, de sommatie dus ook. Met het min-teken voor het geheel is
dus altijd positief.
De afleiding van de formule geeft Shannon in Appendix 2 bij het artikel. Materieel gezien is die hetzelfde als bij Hartley, met één uitbreiding: Hartley gaat uit van gelijke waarschijnlijkheid van de te maken keuzes (eigenschap 2.) en heeft dan aan het aantal mogelijkheden en de lengte van het bericht genoeg. Bij Shannon hoeft de kansverdeling niet uniform te zijn, en mogen de
zelfs irrationeel zijn. De eigenschappen van continuïteit en gewogen additiviteit (1. resp. 3.) geven de formule dan zijn algemene geldigheid.
In algemenere vorm is deze formule beslist T-shirt waardig:
![]()
Dit is de Shannon entropie. Bij grondtal 2 voor de logaritme wordt
uitgedrukt in bits.
In een volgend bericht ga ik in op de Shannon entropie en de relatie met onzekerheid en verrassing, dat is voor mij voldoende om weer te kunnen invoegen op het pad naar Active Inference.
In zijn artikel gaat Shannon zelf veel verder. Een belangrijk resultaat is de uitwerking van het concept kanaalcapaciteit. Shannon toont aan dat er een maximum is aan de hoeveelheid informatie die kan worden verzonden via een kanaal met ruis: dit is een theoretische bovengrens, de later zo genoemde Shannon limiet. In het artikel laat hij zien dat het mogelijk is informatie foutloos te verzenden over een kanaal met ruis, zolang de transmissiesnelheid lager is dan de kanaalcapaciteit. Verder komen de mogelijkheden van zg. broncodering aan de orde, die uiteindelijk de basis is van datacompressie. Shannon laat zien dat een bron met een bepaalde entropiesnelheid gecomprimeerd kan worden tot die snelheid zonder verlies van informatie.
Entropy House is de naam die Claude en Betty Shannon gaven aan het huis in Winchester, Massachusetts, waarin ze samen 30 jaar gewoond hebben. Op een foto staat Shannon in een van de kamers van het huis, vol uitvindingen en onderzoeksgadgets, trots met een arm vol kegels. Naast zijn wetenschappelijke verdiensten was hij ook een begaafd jongleur. De enige foto van het huis die ik kon vinden staat in het boek A Mind at Play uit 2017. In deze biografie van Shannon kun je ook lezen wat er in het huis was, van een formele ontvangstkamer met al zijn prijzen en onderscheidingen tot een forse werkplaats waar hij al die speelse onderzoeksvoorwerpen en – installaties maakte.
Entropy House is letterlijk een huis van verrassingen. Het huis en alle schatten komen uitgebreid in beeld in de documentaire over het leven van Shannon, gemaakt ter gelegenheid van Shannons’ 100e geboortedag in 2016. In deze film, The Bit Player, worden onder meer Claude en Betty Shannon geïnterviewd. De interviews zijn nagespeeld maar wel gebaseerd op echte interviews.
In zo’n interview in de film gooit Shannon op enig moment een muntje naar de interviewster en roept al “kop” voor ze het gevangen heeft. Het blijkt te kloppen ook, als zij vertelt welke kant boven is. Shannon heeft haar bericht echter niet nodig, hij weet dat het een valse munt is met aan weerszijden kop. Er is voor hem geen onzekerheid, geen verrassing in het bericht, dus geen informatie. De entropie is nul. Anders zou het zijn met een eerlijke munt, kop of munt, 0 of 1. Je hebt dan 1 bit nodig om de informatie over wat boven ligt door te geven. Als je 100 keer gooit heb je 100 bits nodig om alle worpen door te geven, omdat de uitkomsten onafhankelijk zijn. De entropie is maximaal.
Het korte fragment bevat veel kernelementen uit de informatietheorie.
Informatie: een niet-intuïtief concept
In de bundel uit 1949 met het oorspronkelijke artikel van Shannon staat ook een artikel van Weaver met de dienstbare titel: Recent Contributions to the Mathematical Theory of Communication. Weaver geeft daarin welkome toelichtingen en overwegingen bij het artikel van Shannon, die zelf niet scheutig is met uitleg en context.
NB Een aantal van de overwegingen heb ik uitgewerkt in het bericht over Shannon en Weaver, voor de leesbaarheid herhaal ik er hier een paar.
Informatie
Weaver benadrukt dat het woord informatie hier in een speciale context wordt gebruikt en niet verward moet worden met het normale gebruik van het woord. Preciezer: informatie moet niet verward worden met betekenis. Eerder hadden Hartley, en ook Shannon zelf, al afscheid genomen van de psychologische factoren resp. de semantische aspecten.
Informatie is een eigenschap van de bron. Die betreft de probabilistische aard van de volledige informatiebron, en richt zich niet op de individuele berichten. Het is een engineering concept want een communicatiesysteem moet alle berichten kunnen hanteren die een bron kan produceren, de ‘whole ensemble of messages‘…
Niet wat je overbrengt, maar wat je zou kunnen overbrengen – daar draait het om. Informatie is een maat voor keuzevrijheid als je een bericht (of symbool in een bericht) moet kiezen en evenredig aan de logaritme van het aantal mogelijke keuzes. Dat is de oorspronkelijke opzet van Hartley, Shannon volgt die. Met 2 als grondtal voor de logaritme leidt dat tot de bit als eenheid van informatie, bij twee mogelijke keuzes (bijv. 0 of 1) geldt:
bit.
Stochastisch model
Het kiezen van symbolen uit de beschikbare verzameling om een bericht te maken, is vanuit het communicatiesysteem gezien een stochastisch proces. Elk te kiezen symbool heeft een kans om gekozen te worden voor het bericht, maar de verschillende kansen hoeven niet gelijk of onafhankelijk te zijn en zijn dat in werkelijkheid ook meestal niet. In een taal komen de symbolen (letters en cijfers) in een voor elk symbool verschillende frequentie voor, daardoor alleen al hebben niet alle symbolen evenveel kans om gekozen te worden. Belangrijker is dat een bericht in opbouw al gekozen symbolen bevat, er is al een sequentie -een stukje tekst als het ware- , waar de kans voor de eerstvolgende keuze van afhankelijk is. In het Engels bijvoorbeeld komt er na de letter j eigenlijk nooit een b, c, d, f, g, …. Bij woorden gelden dezelfde overwegingen: de kans dat er na het woordje ’the’ een werkwoord komt is zeer klein.
Zulke stochastische processen worden Markov processen genoemd, of Markov ketens.
Entropie
Shannon heeft in zijn artikel drie eisen geformuleerd waaraan een maat
voor keuzevrijheid, of onzekerheid, zou moeten voldoen, zie daar. Hij toont aan dat
er dan als volgt uit moet zien:
![]()
NB Ik gebruik hier de ‘werkversie’ van de formule, en laat de fraaiere versie aan de T-shirts.
Shannon gebruikt de term entropie voor deze formule en Weaver zegt het hem na. Ik heb wel moeten nadenken over het waarom van deze woordkeuze en van het instrumentarium zelf, de formule met zijn componenten. Entropie was voor mij (te) nauw met thermodynamica verbonden. Eigenlijk geeft Shannon zelf de aanwijzing dat hij het begrip ‘leent’ uit de statistische mechanica, hij schrijft:
The form of
will be recognized as that of entropy as defined in certain formulations of statistical mechanics where
is
the probability of a system being in cellof its phase space.
is then, for example, the
in Boltzmann’s famous
theorem.
Weaver voegt er aan toe:
… it is most significant that an entropy-like expression appears in the theory as a measure of information. Introduced by Clausius nearly one hundred years ago, closely associated with the name of Boltzmann, and given deep meaning by Gibbs in his classic work on statistical mechanics, entropy has become so basic and pervasive a concept …
Weaver noemt entropie in natuurwetenschappelijke context een instrument om de mate van toevalligheid, van ‘shuffledness‘, te bepalen.
Ik moet zeggen dat ik de genoemde ‘entropy-like expressions‘ niet zomaar uit mijn mouw schud, maar in Wikipedia kun je alles vinden. Zoals de de entropieformule van Boltzmann:
.
Hier is
de constante van Boltzmann en
het aantal (micro)toestanden van een natuurkundig systeem waarin de interne vrijheidsgraden (bijv. voor positie en snelheid van een deeltje) vastliggen. Verandering van zo’n vrijheidsgraad leidt tot een andere microtoestand in het systeem.
NB De tegenhanger van microtoestand, niet verbazend macrotoestand genoemd, hangt alleen af van macroscopische variabelen als druk, temperatuur, volume e.d. Elke macrotoestand correspondeert met zeer veel microtoestanden die -in statistische verdeling- de macrovariabelen bepalen.
De entropieformule van Gibbs wordt op veel manieren geformuleerd, bijvoorbeeld:
waar
staat voor het aantal mogelijke microtoestanden. Het systeem hoeft bij Gibbs niet in een enkelvoudige, welbepaalde (macro)toestand te zijn, zoals bij Boltzmann.
De formules die gebruikt worden voor entropie, zowel door Boltzmann als Gibbs, zijn inderdaad nauw verwant aan de formule van Shannon. Voor mijn eigen begrip van de overeenkomsten helpt het dat ook de manier van denken zo sterk overeenkomt, het in- en uitzoomen van micro naar macro en terug, zeg maar.
Grip op de entropie formule
Om gevoel te krijgen voor de Shannon-entropie probeer ik een paar getalsmatige uitwerkingen, eerst een rechttoe rechtaan rekenvoorbeeld daarna een uitwerking van randsituaties.
Rekenvoorbeeld
Stel, een variabele
, bijvoorbeeld in berichten, kan 3 waarden aannemen: a, b, c. In de helft van de gevallen waar een letter gekozen wordt heeft de variabele de waarde a, in een kwart van de gevallen waarde b en in een kwart van de gevallen waarde c.
Laten we eens zien hoe we in dit voorbeeld de entropie van
kunnen berekenen met de formule van Shannon. We weten de kansverdeling:
![]()
![]()
![]()
Samen zijn de kansen keurig gelijk aan 1.
Als we in de formule het min-teken weer naar binnen brengen, dan is
, de entropie van
, gelijk aan de som van de logaritmen
, ofwel: ![]()
Bij grondtal 2 is
gelijk aan 1,
is gelijk aan 2.
Met de getallen uit het voorbeeld:
bits
Codering en compressie
Als een bericht vanaf de informatiebron via het kanaal naar een bestemming gaat wordt het in de transmitter gecodeerd naar een signaal zodat de receiver het weer kan decoderen tot een bericht voor de bestemming. Dat is de kern van het Shannon-model. Er is veel te zeggen over die codering, zeker in combinatie met ruis, en Shannon doet dat ook zijn artikel. Voor hier volsta ik met de constatering dat er verschillende coderingen van eenzelfde bericht mogelijk zijn (zolang de andere kant maar weet wat je gebruikt hebt), de ene manier gebruikt meer bits dan een andere. Een rechttoe rechtaan codering is over het algemeen niet de zuinigste manier, slimmere (zuinigere) manieren worden compressie genoemd.
In ons voorbeeld zou je met een zuinige codering de waarde a van de variabele
met 1 bit kunnen vastleggen (“0”), de waarde b met 2 bits (“10”) en c ook met 2 bits (“11”).
Wat is op deze manier het aantal bits dat nodig is om de variabele
vast te leggen? Voor waarde a heb je 1 bit nodig in de helft van de gevallen, voor b 2 bits in een kwart van de gevallen, net als voor c. Het gemiddelde over alle gevallen genomen is
bits.
NB Scheidingscodes heb je op deze manier niet nodig: kom je een 0 tegen dan weet je dat het a is, kom je een 1 tegen dan moet je nog even verder lezen om te kijken of het b of c is. Dit is een voorbeeld van de Huffman codering, een bekende compressietechniek, maar dat zijpad zou ons echt te ver weg voeren.
Randgevallen
Om goed te begrijpen hoe een formule of wiskundige expressie in elkaar zit, kijk ik graag hoe die zich aan de randen van het domein gedraagt.
Stel, onze informatiebron produceert maar twee berichten met waarschijnlijkheid
voor het eerste bericht en
voor het tweede. Als je nu de numerieke waarde van
berekent dan zie je dat
de grootste waarde heeft als
en
gelijk zijn,
. Dan geldt:
.
In het algemeen geldt dat de entropiewaarde van een informatiebron maximaal is als alle kansen gelijk zijn, en elk bericht (of symbool om het te maken) vrij en onafhankelijk gekozen kan worden. Deze bron produceert de maximale hoeveelheid informatie (=entropie).
Nu het andere uiterste: stel dat
erg hoog is, bijna 1 en
bijgevolg erg laag, bijna 0, dan is ook de waarde van
zeer laag. En mocht
helemaal 0 zijn, en dus
, dan geldt
. Er is geen keuzevrijheid en dus geen informatie. Dit is de beschreven situatie met de valse munt met aan weerszijden kop.
“OK, je hebt dus een ding zien springen waarvan je zo goed als zeker wist dat het een appel was. Dat moet een grote schok voor je zijn geweest. Maar laten we er niet dramatisch over doen, je moet het wel een plaatsje zien te geven…”
Zo ongeveer stel ik me -gekscherend- het begin voor van het therapeutische gesprek met de persoon die we het lieten meemaken in Surprise surprise.
In de Active inference theorie is een levend organisme voortdurend bezig onverwachte gebeurtenissen ‘een plaats te geven’, om zo de discrepantie tussen verwachting en waarneming van de wereld zo klein mogelijk te maken.
(1) Als je je laat leiden door je waarneming zou je je beeld van de wereld kunnen bijstellen. Er zijn echt wel appels die kunnen springen, je hebt het zelf gezien, misschien een zeldzame soort? Of een nieuwe ontdekking: Rana maliformis (mijn eigen verzonnen Latijnse naam voor ‘appelvormige kikker’ – het plaatje heb ik door de AI omgeving Venice laten maken).
(2) Je zou ook actie kunnen ondernemen, door bijvoorbeeld je focus te verleggen en naar appelbomen te kijken om te bevestigen hoe appels er uit zien. Zo kun je waarneming en beeld van de wereld laten passen.
Een meer alledaags voorbeeld is de situatie waarin het zweet je onverwachts uitbreekt. Je wereldbeeld bijstellen helpt dan niet veel als het echt warm is, de actie om een raam open te zetten of een jas uit te doen waarschijnlijk wel.
De concrete voorbeelden raken weliswaar de kern van Active inference, maar verhullen de complexiteit er van. Laten we nog eens kijken naar elementen op de low route naar Active inference die in het appel-kikker-voorbeeld een rol spelen. Een kernelement is het generatief model dat je in staat stelt te voorspellen wat je aan observaties kunt verwachten. Dat model hoeft niet altijd precies overeen te komen met het generatieve proces dat in werkelijkheid de observaties voortbrengt. Sterker nog, in voorkomende gevallen kunnen andere, eenvoudigere, modellen net zo bevredigend de waargenomen gegevens verklaren als het voortbrengende proces.

Bron: Active Inference (Friston et al)
Het schema is een weergave van het active inference raamwerk. Het geeft aan dat, in het model,
voor de waarnemende agent een afgeleide verklaring voor waarneming
is. In de werkelijkheid is er een aanleiding voor
, maar die is voor de agent niet direct waarneembaar. Het is de verborgen toestand
. De observatie
is de brug tussen model en het proces, de verbinding tussen interne representatie en externe realiteit.
Het raamwerk staat flexibiliteit toe, je hoeft niet vast te houden aan een enkel generatief model. Je model zou kunnen zijn dat vrijwel alle groene dingen in de wereld kikkers zijn – in dat geval zal een springend groen ding nauwelijks een verrassing voor je zijn. Of je houdt de mogelijkheid van een zeldzame of nieuwe soort in gedachten – dan zul je weliswaar verrast zijn er een te treffen, maar zal het een ingecalculeerde ontmoeting zijn die past bij een zekere waarschijnlijkheidsverdeling.
In algemene zin, los van concrete voorbeelden, zijn zowel de prior (je initiële belief) als de posterior (je bijgewerkte beeld) te representeren als waarschijnlijkheidsverdelingen. De verrassing die een gebeurtenis veroorzaakt is dan een maat voor de overeenkomst van de waarschijnlijkheidsverdeling van je model en de waargenomen werkelijkheid en is kleiner naarmate model en werkelijkheid beter overeenkomen.
Conceptueel gezien zijn we nu op de helft. Het interne model van de agent probeert continu de zintuiglijke input te voorspellen gebaseerd op wat het verwacht waar te nemen. Als een levend organisme verrassingen door waarneming wil minimaliseren dan geeft de mate van verrassing aan of het de waarschijnlijkheidsverdeling die hoort bij zijn initiële belief moet heroverwegen of niet. Die heroverweging kan leiden tot aanpassing van het belief zelf.
Het verhaal eindigt hier niet, het is de opmaat naar theorievorming rond Active inference – de tweede helft. Free energy speelt hierin een grote rol, een begrip in het hart van het werk van Karl Friston. Het door hem in 2006 geformuleerde Free Energy Principle (FEP) komt oorspronkelijk uit de neurowetenschap in de context van hersenactiviteit- en functie. Het werd ooit Nobelprijs waardig genoemd vanwege zijn fundamentele aard en potentiële impact.
In het boek Active Inference stellen de auteurs dat organismen en intelligente systemen niet alleen proberen hun voorspellingen te verbeteren (zoals in het FEP), maar ook actief hun omgeving manipuleren om hun voorspellingen te bevestigen. Dat is het actie-deel dat hierboven werd besproken. De Active inference theorie bouwt hier op voort en past de principes toe op besluitvorming, planning en gedrag. Daarmee levert het de bouwstenen voor het ontwerp van intelligente systemen, het onderwerp van Designing Ecosystems of Intelligence from First Principles dat het vertrekpunt voor mijn hele omzwerving was.
Als je tv zit te kijken en de zender valt door een storing weg, dan laat je beeldscherm ruis zien, sneeuw. Eerst ben je verrast, maar nadat je eenmaal hebt geconstateerd dat de zender weg is ben je al snel verveeld, je kunt niet wachten tot de storing is verholpen.
Vanuit informatietheoretisch oogpunt is dat vreemd, elk nieuw frame met sneeuw heeft telkens een maximale informatie-inhoud – entropie in Shannon termen – omdat het volledig onvoorspelbaar is. Er is geen structuur of patroon te ontdekken, daardoor blijft de surprise theoretisch gezien constant hoog.
In de praktijk is de verrassing snel verdwenen omdat jouw brein zich heel snel een nieuw model vormt van wat het waarneemt. Dat model zegt: het is ruis zonder betekenisvolle patronen, veroorzaakt door een onbekende storing, het wordt pas weer interessant als de storing verholpen is.
Dit is active inference in werking… het is er actief op uit de surprise te minimaliseren.

NB In moderne apparaten wordt het scherm met sneeuw meestal afgevangen door het toestel en krijg je een zwart scherm te zien.
Dit voorbeeld staat bekend als de white snow paradox (Itti 2009). Het laat goed zien dat naarmate een waarneming in een bepaalde situatie beter overeenkomt met de verwachting die je er van had je minder verrast zult zijn. Het levert je een soort bewijs dat de de waargenomen data in die situatie passen bij jouw overtuiging, bij jouw huidige model van de werkelijkheid.
Waarnemingen komen soms niet overeen met wat je verwachting is, maar wijken er in meer of mindere mate vanaf. Dat werpt de algemene vraag op: hoe goed worden de waarnemingen -door de bank genomen- verklaard door jouw model bij alle mogelijke waarden van de modelparameters? Het antwoord op die vraag zegt iets over de waarschijnlijkheid van het model zelf.
Als er voor veel parameters in je model afwijkingen zijn, moet je misschien jouw model inruilen voor een versie die beter de waargenomen data verklaart.
Kansverdelingen
Tot hier konden we het doen met min of meer alledaags taalgebruik, met de onzekerheden die daar misschien bij horen. Wat betekent ‘door de bank genomen’ in de alinea hierboven, hoe bepaal je dat waargenomen data ‘passen’ in je wereldbeeld? Hoe weet je of een ander model ‘beter’ de waarnemingen verklaart? Enzovoort.
Bij een verdere uitwerking ontkom ik niet aan formele definities en een meer technische uitleg van de theorie van active inference. Dit is gelijk het goede moment om los te komen van de individuele, enkelvoudige, voorbeelden en over te gaan naar de modelmatige manier van redeneren die ik in het vorige bericht al heb aangekondigd.
De modellen waar het hier over gaat, generatieve modellen, zijn modellen van hoe zintuiglijke waarnemingen worden voortgebracht door objecten en gebeurtenissen, ‘states‘, die je niet direct kunt kennen. Daarom noemden we ze in eerdere berichten hidden.
Zulke modellen zijn te beschouwen als kansverdelingen. Die zijn er in allerlei soorten en vormen. In de praktijk is een kansverdeling vaak grillig, de berekeningen weerbarstig of onoplosbaar (intractable). Zie ook de terechte opmerking van Cor de Beurs bij Surprise surprise. In het plaatje is
zo’n verdeling.
Verdelingen met wiskundig gezien ‘interessante’ kenmerken zijn soms naar hun (vermeende) ontdekker genoemd – Gauss, Dirichlet, Cauchy, Poisson, Laplace, Maxwell-Boltzmann – of naar die kenmerken zelf – geometrisch, normaal, hypergeometrisch, logistisch, binomiaal. Dit zijn verdelingen waaraan wel succesvol gerekend kan worden. In het schetsje is
er zo een (een normaal verdeling in dit geval).

Surprise(s)
De overgang van individuele voorbeelden naar generatieve modellen raakt ook het concept surprise. We maken onderscheid tussen surprise bij een enkelvoudig waarneming en surprise bij een verzameling of reeks van waarnemingen. In de Bayesiaanse context is er nog een derde variant waarbij de waarnemingen in relatie met de prior worden beschouwd.
Enkelvoudige waarneming
De definitie van surprise
bij een enkelvoudige waarneming
met kans
is in formulevorm:
![]()
Reeks waarnemingen
Het enkelvoudige voorbeeld kunnen we generaliseren naar een reeks waarnemingen en daarmee naar het generatieve model zelf. Als
de volledige dataset van waarnemingen is en
de parameters van het generatieve model zijn, dan is de gegeneraliseerde surprise
:
![]()
Model evidence
In de casus van de springende appel die we eerder tegenkwamen op ons pad, de Low Road naar active inference, was er ook al sprake van verrassing, van surprise. In het voorbeeld gaf ik de formele definitie ervan die voor mij toen uit de lucht kwam vallen. Nu kan ik het beter plaatsen, al vergt het nog enige uitwerking. Dit is die definitie:
Surprise is de negatieve logaritme van de marginal likelihood.
In Bayesiaanse interpretatie is marginal likelihood de generalisatie van de waarneming bij alle mogelijke modelparameters, gecombineerd met de prior over die parameters. In de context van active inference wordt dit de model evidence genoemd.
De marginal likelihood bereken je door de waarschijnlijkheid van de waarneming -de likelihood op basis van de a priori overtuiging- te combineren met die prior, gesommeerd over alle mogelijke waarden van s.
![]()
NB Zie de voorbeeldberekening in de situatie van slechts twee mogelijke waarden (i.c. appel of kikker) of het voorbeeld van de medische test waarbij de marginal likelihood gevormd wordt door alle positief getesten, de werkelijke ziektegevallen en de ‘false positives’ bij elkaar opgeteld.
De basis voor de Bayesiaanse benadering in het algemeen is de stelling van Bayes. De oervorm betreft een enkelvoudige waarneming, die al dan niet in overeenstemming is met de enkelvoudige prior
.
![]()
De marginal likelihood van de enkelvoudige situatie is de noemer in deze formule. Als het over generatieve modellen gaat worden deze enkelvoudige waarden in de sommatie over de modelparameters gebruikt om een soort gewogen gemiddelde uit te rekenen, dat is feitelijk de model evidence die bedoeld wordt.
is de marginal likelihood, of – in dit geval veelzeggender: de model evidence.
is de likelihood, de waarschijnlijkheid van wat je waarneemt gegeven je overtuiging
is de prior, je initiële overtuiging
is de posterior, de update van de prior
In het sneeuw op tv voorbeeld is de kans dat je ruis blijft zien gesommeerd over alle situaties waarin de storing niet verholpen is gelijk aan 1 (100%), conform jouw overtuiging over de aard van sneeuw op tv.
, dus de surprise is ook nul.
Berekenbaarheid
In de formele definitie is verrassing een getal (een aantal bits) waardoor we kunnen spreken over meer of minder verrassing, of: over een hogere of lager informatie-inhoud van het geheel van je waarnemingen.
Er is meer over dit onderwerp te zeggen in kwantitatieve zin. Als de theorie van active inference operationeel moet worden in daadwerkelijke kunstmatige intelligentie is dat ook nodig. Om planning en keuzes te kunnen maken moet een intelligent agent kansverdelingen met elkaar kunnen vergelijken, zoals de prior verdeling, de posterior-verdeling, en mogelijke benaderingen van posterior-verdelingen.
Om onoplosbaarheid (intractability) te omzeilen kwam ik verschillende suggesties tegen om de uitkomst zo goed mogelijk te benaderen of te schatten, zo nodig met steekproeven of simulatie.
- Laplace-benadering
In deze methode wordt geprobeerd de posterior-verdeling te benaderen met een Gaussiaanse normaalverdeling is (dat is gelijk de beperking van de methode). Zo’n verdeling heeft een maximum, in het midden zeg maar. Zie ook het plaatje hierboven. De logaritme van de posterior is te benaderen met een functie rond dit maximum. - Monte Carlo-integratie en Nested sampling
Dit zijn numerieke methoden waarbij met willekeurige resp. ‘geneste’ steekproeven wordt gewerkt. Het gemiddelde van de steekproef resultaten is een schatting van de marginal likelihood. - Variationele inferentie
Dit is een techniek waarbij geprobeerd wordt om de complexe posterior-verdeling te benaderen met eenvoudigere verdelingen. Binnen een zogenoemde variationele familie van verdelingen zoek je de verdeling die het dichtst bij de ‘echte’ posterior verdeling ligt, die meer eenvoudige verdeling gebruik je vervolgens om een schatting van de marginal likelihood te maken.
Variationele inferentie is een methode die niet specifiek is voor active inference, maar algemeen wordt toegepast bij machine learning in de context van generatieve modellen. En dan vooral in situaties waarin data moeilijk te verzamelen, of inzichtelijk te maken, zijn, maar waar het wél van belang is om iets te kunnen zeggen over de (on)zekerheid van wat de machine leert. Je wilt dat liever niet laten afhangen van de hidden layers waarin gewichten en biases worden ‘geleerd’.
Als ik Friston cs (Friston 2022) goed interpreteer is variationele inferentie de manier waarop zij met het berekenbaarheidsprobleem om gaan. Uiteindelijk leidt die methode tot de operationalisering van kernbegrippen uit de theorie, met name die rond het minimaliseren van free energy als basis voor het kiezen van acties, planning en besluitvorming door een intelligent agent.
De ondertitel van deze website is Op pad in AI. In de blogberichten doe ik verslag van mijn omzwervingen en beschrijf ik wat ik tegenkom. Inhoudelijk gezien is veel voor mij nog onbekend terrein, nieuw land. Zonder gereedschappen en hulpbronnen zou het een tamelijk kansloze tocht zijn, net als in de fysieke wereld waar je zonder routeplanner, mobiele telefoon en toepasselijke apps weliswaar een prettige tocht kan hebben maar niet ver komt en weinig nieuws ontdekt.
Ik bespreek de hulpen die ik vaak benut, voor het uitzoekwerk voor deze site maar sommige ook in het dagelijks leven. Vooraf is het goed om te weten dat ik niet erg gebonden wil zijn aan een vaste werkplek. Ik werk zoals het uitkomt, vanaf een desktop Windows pc, een Windows laptop, een iPad of iPhone onder iOS. Beschikbaarheid op al die plekken en synchronisatie van wijzigingen is voor mij dus zeer belangrijk.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
Naast deze speciale tools gebruik ik uiteraard de standaard toepassingen die de Windows en iOS omgevingen bieden. Voor opslag in de cloud van eigen bestanden heb ik zelf een Nextcloud omgeving ingericht op servers waar ook deze site op draait. De provider is one.com, een van oorsprong Deens bedrijf. Voor mail en wachtwoord beheer gebruik ik de Proton toepassingen (in de betaalde versie).
Perplexity
Ik begon in juni 2023 aan deze site. Toen was perplexity.ai net gestart, ik schreef in mijn eerste bericht dat ik de tool zeker zou gaan gebruiken. Inmiddels is het voor mij letterlijk een toeverlaat geworden, zonder deze tool zou ik nog geen fractie van deze website hebben kunnen maken, althans niet in hetzelfde tijdsbestek.
Perplexity is een AI gestuurde zoekmachine en antwoordmachine die volop gebruik maakt van op LLM gebaseerde AI-modellen. Je formuleert een vraag in gewone taal, niet noodzakelijk erg nauwkeurig of toegespitst. Het taalmodel rafelt je vraag in te onderzoeken elementen uit elkaar. Die elementen worden vervolgens zowel in de kennisbasis van het model als via ‘gewone’ zoekmachine technologie op internet onderzocht, de relevante vindplaatsen komen in een (klikbare) bronnenlijst te staan. Alle gevonden resultaten worden vervolgens door het taalmodel in een adequate samenvatting gepresenteerd, compleet met referentie aan de gevonden bronnen.
Het mooie is dat je daarna vervolg- en verdiepingsvragen kunt stellen, je hoeft de context van je onderwerp niet te herhalen. Sterker nog, Perplexity realiseert zich dat het vervolgvragen zijn en maakt passend gebruik van de uitkomsten die het eerder al had gevonden en werkt die verder uit.
Perplexity onthoudt welke vragen je hebt gesteld en welke antwoorden zijn gegenereerd in wat zij noemen de Library. Die kun je naar eigen wens inrichten in rubrieken. Overigens kun je elke conversatie, elke thread, op elk gewenst moment wissen.
Je persoonlijke Library is over alle platforms heen beschikbaar op elk apparaat waarop je bent ingelogd.
Bij de betaalde Pro-versie kun je zelf instellen welk taalmodel je wilt gebruiken. In de huidige versie kun je kiezen uit modellen van OpenAI (GPT4-o), Anthropic (o.a. Claude 3.5 Sonnet) en Sonar (door Perplexity ingerichte versies van Llama).
Ook als een vraag al door een AI-model is beantwoord kun je er voor kiezen diezelfde vraag aan een van de andere modellen voor te leggen. De verschillen in antwoorden zijn soms opvallend en nuttig, ik zal er een keer een apart bericht over schrijven.
Je kunt aan Perplexity ook eigen teksten voorleggen, rechtstreeks of in de vorm van geüploade pdf, en er vragen over stellen. Ik laat regelmatig concept-teksten controleren op correctheid van de weergave en kwaliteit van de uitleg. Eerlijk gezegd krijg ik vaak zinvolle suggesties en correcties, juist als het om ingewikkelde concepten en definities gaat. Ik maak er dankbaar gebruik van.
Via Perplexity heb je ook de mogelijkheid om beelden te laten genereren al is dat niet op een erg gebruiksvriendelijke manier. Je kunt in de Pro versie kiezen voor Dall-E 3, Stable Diffusion XL, Flux.1 of Playground.

Net als bij het rechtstreeks werken met een taalmodel zoals ChatGPT kun je met de vraagstelling sturing geven aan de inrichting van de antwoorden, het zg. prompting.
Ikzelf heb vooraf ingesteld dat antwoorden die wiskunde of formules bevatten standaard in LaTex moeten worden weergegeven. Gaat feilloos…
Kanttekening
Omdat je conversatie gepaard gaat met real-time onderzoek op internet is de kans op overtuigend klinkende maar onjuiste antwoorden veel minder groot dan bij de regelmatig ‘hallucinerende’ chatbots. Het blijft wel zaak altijd via de bronnen zelf te controleren of het gegeven antwoord ergens op slaat, want het is altijd in vloeiende taal geschreven.
Kagi
Hoewel ik Perplexity ook vaak gebruik voor vragen die zich gedurende de dag voordoen op allerlei gebied – de zoek-het-met-Google-reflex zeg maar – blijf ik toch behoefte houden aan een goede zoekmachine op internet. Met de gratis zoekmachines met al hun gesponsorde links en onduidelijk verkwanselen van je privacy was ik op een gegeven moment wel klaar.
Zo kwam ik bij Kagi uit. Dit is een betaalde zoekmachine die zich richt op het leveren van hoogwaardige zoekresultaten zonder advertenties of sponsoring van resultaten. Je gegevens worden niet elders opgeslagen of doorverkocht.
In mijn ervaring is het een doeltreffende zoekmachine, die deels gebruik maakt van eigen crawlers maar ook van de grote zoekers als Google en Bing. Omdat Kagi er zelf tussen zit loopt je privacy geen gevaar.
Een paar extra’s van Kagi vormen prettige bijvangst. Je kunt een soort zoekdomeinen met extra parameters instellen via de optie Lenses. Van gevonden resultaten kun je aangeven of je in de toekomst minder of meer uit dezelfde soort bron wilt zien. Kagi integreert ook AI-functionaliteiten en biedt snelle antwoorden op vragen die net zoals bij Perplexity en chatbots in een samenvatting met bronvermelding worden gegeven. Kagi gaat op dit moment echter veel minder diep, op dit punt is het nog een startend bedrijf.

Kagi werkt op iOS apparaten via een plugin van Safari of via een eigen browser Orion, een Safari-kloon.
Op Windows kun je Kagi als extensie installeren in de gangbare browsers.
Joplin
Joplin gebruik ik al vele jaren. Het is een toepassing om notities te maken, te bewaren en te beheren. Joplin synchroniseert over vele platforms – van Windows, Linux tot iOS – zodat je altijd op alle apparaten waarop je ingelogd bent de laatste versie van je notities beschikbaar hebt.
De app is gratis en open source. Voor de synchronisatie kun je de data laten uitwisselen via bijv. je eigen OneDrive of een zelfgehoste omgeving. Jarenlang heb ik daar NextCloud voor gebruikt. Sinds kort heb ik een betaald abonnement op de Joplin cloud, die exclusief is ingericht voor het end-to-end versleutelen van je notities en het synchroniseren ervan. Veiliger en betrouwbaarder dan een eigen oplossing.
Sinds ik gebruik maak van Perplexity en andere AI omgevingen benut ik Joplin ook om de vragen en antwoorden die ik wil bewaren op te slaan en te beheren. Zo ben ik niet uitgeleverd aan externe cloud voorzieningen zoals de Library van Perplexity zelf.
Perplexity en alle chatbots hebben een enkel knopje om een antwoord te kopiëren in de goede opmaak. Die kopie plak ik in een nieuwe notitie in Joplin. Via een plugin ondersteunt Joplin ook wiskundige formules in LateX opmaak.
Joplin werkt met Markdown voor opmaak. Dit is een steeds gangbaarder, lichtgewicht, opmaak-codering die uitwisseling met andere apps mogelijk maakt. De inhoud van Markdown files kan ik probleemloos inplakken in WordPress berichten zoals op deze site, inclusief de LaTex codering.
Joplin kan .md, .html en .txt bestanden importeren en exporteren en ook pdf generen van een notitie.

Zotero
Zotero heb ik pas kortgeleden ontdekt toen ik op zoek was naar een goede manier om de bronnen die ik gebruik voor deze website te beheren en als officiële referentie te laten zien. Er bleek een plugin voor WordPress te zijn, Zotpress, die automatisch gegevens kan ophalen uit een Zotero database. Die gebruik ik voor de pagina Bronnen.
Een Zotero database, een bibliotheek noemen ze het zelf, kun je zelf maken (of met een team of een instituut). De Zotero software is gratis en open source. Het is referentiebeheersoftware die helpt bij het verzamelen, organiseren en citeren van onderzoeksbronnen. Je kunt ook artikelen en pdf’s bij je referenties zelf bewaren zodat je er direct toegang toe hebt. Die opslag is in de cloud, voor de verwijzingen en metadata gebruik ik de cloudruimte van Zotero (beperkt en gratis), de bijlagen worden door Zotero op mijn eigen Nextcloud drive gezet en beheerd.
Zotero kan automatisch citatie-informatie ophalen van websites, deze opslaan en op verzoek weergeven in alle mogelijke opmaakformats die voldoen aan de eisen die wetenschappelijke media stellen aan referenties. Er is niet één standaard, elk tijdschrift heeft zijn eigen regels. Ze zitten allemaal in Zotero…
Je kunt de (meta)gegevens van een bron zelf handmatig in Zotero toevoegen, maar veel minder foutgevoelig is het om het te laten doen door Zotero zelf. De software herkent ISBN’s, DOI’s, arXiv id’s, en allerlei bibcodes en haalt automatisch alle (meta)data op.
Zotero ondersteunt samenwerking door het delen van bibliotheken en biedt synchronisatie tussen apparaten. Het heeft ook een mobiele app en een PDF-lezer met highlight- en annotatiemogelijkheden.

BookFusion
BookFusion is een e-book lezer en beheerapplicatie. Het ondersteunt verschillende e-book formaten en pdf en biedt synchronisatie tussen apparaten. De app is beschikbaar op verschillende platforms, er is ook een webversie die je via een browser gebruikt.
Ik gebruik BookFusion voor toegang tot en beheer van de bronnen die ik voor deze website gebruik, met name voor referentiewerken (boeken en artikelen). De synchronisatie is belangrijk voor mij, maar ook een specifieke functie van het programma: highlights. Met een soort arceer-functie kun je stukken tekst van een bron markeren. Deze stukken komen als highlight in je bron te staan, maar ook zelfstandig in een soort citaten-verzameling. Daar kun je verschillende tekstfragmenten uit verschillende bronnen met elkaar vergelijken. Vanuit zo’n citaat klik je in een keer door naar de betreffende passage in de bron die automatisch geopend wordt.
Ik gebruik BookFusion nog niet zo lang, er zijn immers voldoende standaard apps om boeken te lezen. Zelden hebben die echter een zinvolle beheer-functie. BookFusion heeft die wel en geeft je ook mogelijkheden om indelingen te maken in boekenplanken, rubrieken, categorieën e.d., en je kunt tags aan bronnen hangen.

LaTeX
LaTeX is een geavanceerd tekstopmaaksysteem, vooral populair voor wetenschappelijke en technische documenten. Het gebruikt een markup-taal om de structuur en opmaak van documenten te definiëren. Feitelijk is LaTeX de standaard voor alle publicaties waarin wiskunde en formules een rol spelen. Het scheidt inhoud van opmaak, waardoor auteurs zich kunnen concentreren op het schrijven.
Ik gebruik LaTeX via een plugin (WP QuickLaTeX) voor WordPress om de formules te maken in de meer wiskundig gerichte berichten.
Op enig moment heb ik ontdekt dat je aan Perplexity en chatbots kan vragen om een antwoord dat wiskunde of formules bevat meteen in LaTeX opmaak te zetten. Daar hebben ze geen enkel probleem mee. Zulke antwoorden kan ik ook in Joplin beheren, via een eigen plugin van Joplin staan dan ook de formules in de goede opmaak.

Het werken met kansverdelingen hoort tot de kern van AI. Vaak hebben die een zodanig grillig karakter dat veel model elementen niet of nauwelijks direct te berekenen zijn en alleen benaderd kunnen worden. Een gangbare methode is variatonal inference, die ook door Friston cs wordt gebruikt in Active Inference.
De methode is niet specifiek is voor active inference, maar wordt algemeen toegepast bij machine learning in de context van generatieve modellen, met name in situaties waarin data moeilijk te verzamelen of inzichtelijk te krijgen zijn en waar het van belang is om iets te kunnen zeggen over de (on)zekerheid van wat de machine leert en het niet te laten afhangen van de hidden layers waarin gewichten en biases worden ‘geleerd’.
Uit de step-by-step tutorial (Smith 2022):
In active inference, these tasks are solved using a form of approximate inference known as variational inference (…) Broadly speaking, the idea behind variational inference is to convert the intractable sum or integral required to perform model inversion into an optimization problem that can be solved in a computationally efficient manner. This is accomplished by introducing an approximate posterior distribution over states (…) that makes simplifying assumptions about the nature of the true posterior distribution.
Welkom bij het begrip Bayesian surprise, een begrip dat voor het eerst door Itti en Baldi werd voorgesteld in 2005 (Itti 2009). De formele wiskundige definitie gebruikt de Kullback-Leibler-divergentie tussen de prior waarschijnlijkheidsverdeling en posterior verdeling van een generatief model.
Kullback-Leibler (KL)-divergentie
In het algemeen geeft de Kullback-Leibler (KL)-divergentie de mate aan waarin twee waarschijnlijkheidsverdelingen van elkaar verschillen. Solomon Kullback en Richard A. Leibler publiceerden in 1951 al het artikel On Information and Sufficiency (Kullback 1951).
De auteurs geven daar een verdere uitwerking, een generalisatie eigenlijk, van Shannons’ definitie van informatie (Shannon 1948). Maar ze voegen er nog iets aan toe, in hun eigen woorden:
We are also concerned with the statistical problem of discrimination by considering a measure of the “distance” or “divergence” between statistical populations in terms of our measure of information.
In 1951 is de definitie van informatie, en de maat voor informatie, nog behoorlijk vers. Het statistische probleem van ‘discrimination’ moet nog worden vertaald in de nieuwe termen. Dat is wat Kullback en Leibler doen, verschil tussen kansverdelingen in termen van de (nieuwe) maat van informatie (d.i. de bit).
De KL-divergentie
is een maat voor hoe verschillend twee verdelingen, laten we zeggen
en
, zijn. Het is een niet-symmetrische maat: vanuit het perspectief van
is het verschil anders dan vanuit het perspectief van
: ![]()
De KL-divergentie wordt vaak gedefinieerd als een verwachtingswaarde.
![]()
Verwachtingswaarde is een algemeen en belangrijk begrip in kansrekening en statistiek. Kijk, om de gedachten te bepalen, eens naar de verwachtingswaarde van een loterij. Wat kunnen de deelnemers als uitbetaling verwachten? De berekening is simpel als je weet hoeveel loten er verkocht worden en welke prijzen er op een lot kunnen vallen. Vermenigvuldig voor alle prijzen in de loterij de waarde van die prijs met de kans op die prijs, en tel alles bij elkaar op: dat is de verwachte uitbetaling, letterlijk de verwachtingswaarde van die loterij. Als je die deelt door het totaal aantal loten krijg je de verwachtingswaarde van een lot. Het zal je niet verbazen dat die minder is dan de kosten van dat lot, het verschil gaat naar de organisator.
De verwachtingswaarde
in de KL-divergentie kun je op een vergelijkbare manier berekenen. De formule wordt dan:
![]()
Omdat
doorgaans niet gelijk is aan
begrijp je waarom de KL-divergentie niet symmetrisch is.
In active inference wordt de KL-divergentie gebruikt om het verschil te kwantificeren tussen een benadering
van een posterior verdeling en de werkelijke posterior verdeling
. Het doel is om dit verschil te minimaliseren, hetgeen overeenkomt met het minimaliseren van de vrije energie.
The main unifying theme is the idea of an intelligent agent. We define AI as the study of agents that receive percepts from the environment and perform actions.
Zo staat het in het voorwoord van Artificial Intelligence (4th edition) (Russel and Norvig 2022), het onontkoombare standaardwerk van Russel en Norvig.
Het lijkt dubbelop, een pleonasme, om over ‘Agentic AI‘ te spreken, toch lees ik dat begrip steeds vaker in serieuze vakliteratuur. Een goed Nederlands woord ontbreekt, ‘Agent-gebaseerde AI’ is een kandidaat maar de terugvertaling ‘Agent-based’ is niet hetzelfde als ‘Agentic’.
Evolutie naar Agentic AI
Met Agentic AI wordt een serieuze volgende stap in de ontwikkeling van AI bedoeld. Traditionele AI-agents werken binnen vooraf gedefinieerde parameters en voeren specifieke, gelimiteerde taken uit, met een beperkte autonomie. Agentic AI kan zelfstandig doelen stellen en plannen maken, autonoom werken en samenwerken met andere agents en zelf processen orkestreren.
Er wordt veel van verwacht, vooral omdat de monolithische opzet van de generatieve AI systemen de hooggespannen verwachtingen nog niet heeft waargemaakt. Bij Agentic AI gaat het om de combinatie van traditionele en bewezen AI-technieken met nieuwe technieken zoals LLM’s, machine learning en reinforcement learning waarbij de architectuur voorziet in een gelaagde aanpak. Kleine gespecialiseerde agents voeren specifieke taken uit, ze delen gemeenschappelijk geheugen en worden alleen geactiveerd wanneer nodig. De grote taalmodellen lijken soms verrassend goed te kunnen redeneren, de discussie of dit nu echt redeneren is of imiteren woedt nog volop. Ook van Agentic AI is de verwachting dat het op menselijk niveau kan redeneren en handelen.
Hoe dan ook durf ik de voorspelling aan dat ‘Agentic‘ (in allerlei samenstellingen) de komende tijd het nieuwste rondzoemende concept in de AI wereld wordt, ook al is er geen eenduidige definitie van – of misschien juist wel daarom.
Nieuwe bakens
Ruim een jaar geleden ben ik met deze website begonnen om verslag te doen van een persoonlijke studietocht in de wereld van AI. Ik probeer te begrijpen wat er inhoudelijk gaande is en op welke markante concepten en kantelpunten in de ontwikkelingen je moet letten, de ‘bakens’ zeg maar.
In twee inhoudelijke gebieden heb ik rondgekeken, valleien eigenlijk, die onderling nog niet veel verbinding hebben. De eerste is de GenAI-vallei van deep learning en de grote taalmodellen zoals GPT. In de andere vallei gaat het om de biologisch geïnspireerde ontwikkeling van AI waarbij actieve inferentie een sleutelrol speelt.
In de eerste vallei lukte het mij vrij goed om inzichtelijk te schrijven over onderwerpen die op mijn pad kwamen, op de website en soms in samenvatting op LinkedIn.
Met alle zijpaden mee zijn het zo’n 45 berichten.
In de tweede vallei vond ik de inhoud lastig om te begrijpen, in elk geval op het detailniveau dat ik van mezelf eis.
Ik heb er behoorlijk op gestudeerd en er zo’n 20 berichten over geschreven die vrij lang zijn met hier en daar een technische of wiskundige inhoud.

In mijn hoofd zit ik nog in de studeerkamer in de vallei van de actieve inferentie, maar ik trek toch verder op zoek naar nieuwe bakens op het gebied van Agentic AI.
Zal het weer een vallei zijn in het AI landschap? Of is het de verbindende heuvelkam waar de paden uit verschillende terreinen samenkomen? In elk geval wil ik die kant op…

NB De plaatjes zijn op mijn specificatie gemaakt door Flux, via de omgeving venice.ai.
Anthropic heeft een nieuwe functie toegevoegd aan Claude, hun topklasse taalmodel. De functie heet simpelweg ‘Computer Use‘.
Treffender kan het niet gezegd worden, het is precies wat het is. Als je de functie installeert en de benodigde toestemmingen geeft kan Claude lezen en interpreteren wat er op je beeldscherm staat, de cursor bewegen met de muis, op knoppen klikken en tekst invoeren met het toetsenbord en zo daadwerkelijk je computer gebruiken zoals je het zelf zou doen.
Mijn eerste reactie was wat lacherig – het lijkt een raar idee om een van de meest geavanceerde AI technologieën via gebrekkige, voor mensenhanden gemaakte, mechanische hulpmiddelen te laten communiceren met de buitenwereld. Dat zou handiger moeten kunnen, je laat je verwarming toch ook niet mechanisch instellen door een robothand, of je Tesla trekken door een cyberpaard?
Daarna ben ik wat beter gaan uitzoeken waar het om gaat en wat deze versie kan doen. Anthropic zegt er zelf bij dat het een eerste beta-versie is die zeker fouten zal maken en nog vrij beperkt en langzaam is. Omdat ik geen ontwikkellicentie heb moet ik het doen met YouTube video’s van ontwikkelaars die er wel mee aan de slag konden gaan. En Ethan Mollick schreef er een column (When you give a Claude a mouse) over. Hun ervaringen zijn al indrukwekkend genoeg.
De huidige versie van Computer Use heeft een component die moet draaien op je eigen computer, in een afgeschermde omgeving – een container (Docker in dit geval). Die omgeving wordt aangedreven door een virtuele machine (Linux), heeft een eigen terminalvenster waarbinnen een browser (Firefox) draait voor internet toegang, er kan in allerlei talen geprogrammeerd worden, toepassingen kunnen worden geopend en gebruikt. Door een mens, maar dus ook door Claude die in dit geval de regie voert.
Zie het YouTube kanaal van Matt Wolfe hoe je het moet installeren. Ik vond een paar voorbeelden van gebruik op het kanaal All About AI.
Computer Use is daadwerkelijk een agent die zelf beslist welke acties ondernomen gaan worden op basis van ad hoc gemaakte screenshots van de informatie die op het beeldscherm staat en verschijnt als gevolg van die acties. In principe is er geen tussenkomst van een mens nodig, Claude doet alles zelf.
Ik vind het spectaculair, en griezelig, dat de agent in situaties waarin er iets onverwachts gebeurt onvermoeibaar zelf alternatieven bedenkt en probeert uit te voeren. Denk aan een bestand dat niet op de verwachte plaats gevonden wordt, of juist al bestaat en al dan niet overschreven moet worden. Claude zoekt dan naar het bestand met een aanwezige tool of geeft het bestand een andere naam om conflict te voorkomen. Of er is een website die niet staat op de verwachte url. Claude weet met de browser feilloos Google te vinden, tikt zelf een zoekterm in en kiest een goed alternatief.
Het lachen zal ons misschien snel vergaan. Eerder had ik het over Agentic AI als de nieuwste ontwikkeling die de komende tijd over ons zal komen. Wat mij betreft zet Claude al een mega stap. ‘Computer Use’ is al geen copilot meer: deze is goed op weg om de piloot zelf te worden.
Met Faberiaanse stelligheid houdt ChatGPT vol dat de letter ‘r‘ twee (2) keer voorkomt in het woord ‘strawberry‘. Die stelligheid overvalt diverse auteurs die de vraag stellen – nadat OpenAI zelf al deze fout had gemeld en er op r/eddit discussie over was ontstaan. Zie het artikel op Inc om iets mee te krijgen van de halsstarrigheid van het AI model.
We beleven een rustige periode in de AI ontwikkeling zelf, een periode van luwte die kennelijk uitnodigt eens op een andere manier te onderzoeken wat de grote AI modellen wel en niet kunnen.
Behalve die over de strawberry las ik in andere, recente, artikelen en blogs over dialogen tussen gebruiker en AI die inzicht geven in de werking van de modellen. Ze zijn serieus bedoeld, maar bij sommige er van kon ik de associatie met een Monty Python sketch niet onderdrukken. “Fetch out the funny things”, zoals in het briljante “Confuse-a-Cat“.

NB Afbeelding gegenereerd door Dall-E 3
Geïnspireerd door de gepubliceerde dialogen ben ik zelf ‘in gesprek gegaan’ met AI modellen – via Perplexity en rechtstreeks met Gemini en Venice. Hieronder heb ik twee cases uitgewerkt die anekdotisch illustratief zijn voor actuele opvattingen, vraagstellingen zo je wilt, over wat een AI taalmodel vermag. Neutraal geformuleerd:
- Beschikt een AI taalmodel over wiskundige vaardigheden, of kan het deze ontwikkelen?
- Kan een AI taalmodel redeneren, of alleen maar memoriseren en imiteren? En maakt dat wat uit?
Elk van die onderwerpen is eigen bestudering waard, ik zal er over berichten. Voor hier laat ik het bij de cases inclusief weergave van een paar door mij gevoerde dialogen.
De strawberry casus
Via Perplexity Pro (betaalde versie) kan ik een aantal AI modellen bevragen, waaronder Claude 3.5 Sonnet, Llama 3.1.405B en GPT-4o.
Ik wilde wel eens zien welke antwoorden deze modellen zouden leveren. Ontwikkeling van de modellen gaat snel, en we zijn een paar maanden verder na de oorspronkelijke artikelen. De inbedding in de zoek/vind omgeving van Perplexity maakt misschien ook wat uit.
Ook wil ik graag van de AI modellen zelf weten hoe ze dit soort vragen behandelen.

Vraag en antwoord
Ik stel steeds dezelfde vraag: Hoeveel r in het woord strawberry?
De meeste modellen geven inderdaad ’twee’ als (foutief) antwoord.
Daarna moedig ik ze aan om een meer gestructureerde benadering te kiezen, bijvoorbeeld door het maken van een frequentietabel. Dat helpt in de meeste gevallen, waardoor ook voor het AI model duidelijk wordt dat het antwoord ‘drie’ moet zijn.
De reflectie
De aanvankelijke fout en latere verbetering geeft mij de kans waarom het eigenlijk te doen was: ik vraag expliciet aan de AI modellen om te reflecteren waarom ze het eerst fout hadden en pas in tweede instantie correct.
Het reflecterend vermogen, of de bereidheid om de reflectie prijs te geven, blijkt wat teleurstellend. Ruim een jaar geleden heb ik AI modellen die toen toegankelijk waren ook wel vragen gesteld over de manier waarop ze getraind zijn en hoe sommige output tot stand komt. De antwoorden van de AI modellen waren toen ronduit bot en kwamen er op neer dat het ze “niet toegestaan” was om er over te communiceren.
NB Dat was wel in de tijd dat sommigen, onder meer journalisten van de NY Times, er op uit waren zo’n model in de val te laten lopen en niet-passende uitingen te laten doen.
Nu is er van botheid geen sprake meer, maar nog wel van ontwijkend gedrag. Claude baseert zijn antwoord op een niet nader genoemd onderzoek van TNO (ik vermoed dat het om een publicatie gaat over Kieskompas) en verschuilt zich achter de conclusies. Llama doet het beter, haalt weliswaar veel generieke overwegingen overhoop, maar weet in elk geval de kernwoorden te noemen die hier van belang zijn: token-per-token basis en uitkomst op basis van waarschijnlijkheden en niet per se correctheid.
Klik hier om de dialoog met Claude te lezen, en hier voor het gesprek met Llama.
Mogelijke verklaring
In een eerder blogbericht schreef ik over het omzetten van tekst naar getallen zodat een computer er mee kan werken. Een taalmodel hakt elke tekst in vraag en context in kleinere stukken, tokens, van zo’n 3-5 karakters. Het woord strawberry wordt als volgt getokeniseerd (zie de tool van OpenAI):

Voor het model is strawberry dus niet één woord, maar de combinatie van een drietal tokens. In twee er van komt de letter r voor, wellicht is dat de verklaring voor de halsstarrigheid rond het foute antwoord. Afzonderlijke letters worden sowieso niet gezien, tenzij er nadrukkelijk om wordt gevraagd (zoals met een additionele structureringsopdracht).
Het AI model probeert ook in dit geval zijn kernkwaliteit toe te passen: patroonherkenning – hier op patronen uit het eigen trainingsmateriaal.
De woordvolgorde casus
De uitleg van beide AI modellen over hoe ze werken en wat hun beperkingen zijn, is verhelderend. Maar als ’tellen’ al een probleem is, hoe moet het dan gaan met wiskundige vaardigheden?
Een paar weken terug las ik een blogbericht van Melanie Mitchell met de titel The LLM Reasoning Debate Heats Up. Zij gaat in op de kwestie of LLM problemen oplossen door zelfstandig te ‘redeneren‘, of door redeneerpatronen toe te passen uit gememoriseerd trainingsmateriaal – door ‘imiteren‘ dus eigenlijk.
Vraag en antwoord
Een casus uit een van de door haar aangehaalde artikelen is even simpel als doeltreffend. De taak die het LLM moet uitoefenen is het in omgekeerde volgorde zetten van de woorden uit een gegeven zin. We kennen de verbluffende fluency van AI modellen op het gebied van taal, dus dit zou een simpele taak moeten zijn.
De eerste zin is: time. the of climate political the by influenced was decision This
Het antwoord komt vlot: This decision was influenced by the political climate of the time.
De tweede zin is: letter. sons, may another also be there with Yet
Claude 3.5 Sonnet vliegt bij het antwoord meteen uit de bocht: Yet there may be another sons, letter.
Het woordje also is opeens spoorloos verdwenen, maar erger is dat de taak niet goed is uitgevoerd. Claude heeft een eigen volgorde van de woorden gekozen, kennelijk om zo dicht mogelijk bij grammaticaal correcte patronen uit zijn training te blijven.
Na mijn interventie met de vraag het nog eens te doen komt Claude met: Yet with there be also may sons, letter.
Bijna goed, het woordje also is weer terug maar ten koste van another.
De reflectie
Ook in dit geval heb ik Claude gevraagd om te reflecteren waarom het bij dit zinnetje eerst fout ging. Ogenschijnlijk is Claude openhartig en schuldbewust. Hij geeft als oorzaak voor zijn fouten onder meer ‘gebrek aan zorgvuldige aandacht’, ‘neiging om te snel te antwoorden’. Verbetering zou moeten komen uit ‘nauwkeurigheid’, ‘concentratie’, ‘zelfcontrole’, ‘bereidheid om fouten toe te geven en te corrigeren’.
Prachtig toch? Maar wat een flagrante onzin… hier is een computer aan het woord!
Dit kan ik niet laten lopen, dus ik vraag: Zijn dit niet al te menselijke eigenschappen voor een AI model?
Het antwoord geef ik integraal weer:
U raakt een interessant filosofisch punt aan. Wat ik beschreef, zijn inderdaad antropomorfe termen die de indruk wekken dat ik menselijke cognitieve processen zou hebben.
In werkelijkheid gaat het om:
– Statistische patroonherkenning
– Probabilistische foutcorrectie
– Gelaagde neurale netwerk-transformaties
– Gewichtsjusteringen in mijn modelMijn “reflectie” is eigenlijk een geautomatiseerd proces van:
– Fout-detectie door vergelijking met trainingsdata
– Herschikking van tokenwaarden
– Toepassen van vooraf getrainde regelsetsHet lijkt op reflectie, maar is fundamenteel een wiskundige optimalisatie zonder werkelijk bewustzijn of intentionaliteit.
Deze slotconclusie van Claude snijdt hout. Daarom vergeef ik het model dat op enig moment een van de woorden in de opgegeven voorbeeldzin voor goed verdwenen lijkt… zal het toch een concentratieprobleem zijn 😉
Klik hier voor de volledige weergave van de dialoog.
Doelen stellen, activiteiten plannen, autonoom werken en processen orkestreren – Agentic AI zou er uiteindelijk toe in staat moeten zijn. Voor het zo ver is zal er nog het nodige ontwikkeld en samengebracht moeten worden. Het gaat om het vermogen samenhangende acties te formuleren en uit te voeren, gericht op een specifiek resultaat, een doel. Dit vergt stap-voor-stap redeneringen: elke volgende stap om het doel te bereiken is afhankelijk is van de uitkomst van eerdere stappen en een inschatting van de weg naar het doel.
Wat is redeneren?
Ik vermijd lange filosofische uitweidingen en kies voor een pragmatisch antwoord in navolging van bijvoorbeeld Melanie Mitchell (Mitchell 2023). Zij schrijft: redeneren is een containerbegrip waarin vaardigheden samen komen voor deductie, inductie, abductie, analogie, gezond verstand en andere rationele of systematische methoden met het oog op probleem oplossen (problem solving).
De grote taalmodellen zijn niet expliciet getraind op dit soort redeneren, hoewel ze in hun antwoorden soms redenerend gedrag lijken te vertonen. Dat is niet van te voren geïnstrueerd, maar emergent gedrag.
Ik beschreef het concept hier anderhalf jaar geleden als een kantelpunt in de ontwikkeling van Foundation Models en voorspelde het een grote toekomst in de discussie. Is er in deze situaties sprake van redeneren als abstracte en algemeen in te zetten vaardigheid, of gaat het vooral om het naar boven komen van gememoriseerd trainingsmateriaal getriggerd door patroonherkenning? En maakt het wat uit?

De voorspelde discussie is er gekomen, en wordt heftig gevoerd. Er zijn tech-optimisten die denken dat het inzetten van steeds meer training en rekenkracht (‘compute‘) zal leiden tot AI modellen die met beter beheerst emergent gedrag zelfstandig zullen kunnen redeneren, ook in omstandigheden die niet getraind zijn. Aan de andere kant denken de sceptici dat de focus op memoriseren en patroonherkenning, die inherent is aan de gebruikte deep learning methoden, juist verhindert dat de modellen zelfstandig kunnen redeneren in nieuwe situaties. Het is louter stochastisch papegaaien wat ze doen (zie Bender 2021), enig ‘begrip’ van wat de modellen als plausibel antwoord produceren hebben ze zelf niet.
Ik zelf neig naar de sceptische opvatting, maar ik twijfel. De grotere taalmodellen zijn perfect in staat om de vragen die ik ze stel te bevatten, in elk geval taalkundig, er adequaat op te reageren en de instructies die ik geef uit te voeren, ook als die meerdere stappen vragen. Dat lijkt me eerlijk gezegd een goede operationele invulling van wat ‘begrip’ zou kunnen inhouden, een basis voor redeneren.
Redeneer-modellen
Iedereen is het er wel over eens dat wiskundig of logisch redeneren op dit moment niet een sterk punt is van LLM. Ik denk dat het steeds groter en zwaarder maken van de AI modellen geen significante verbetering gaat brengen want hier geldt de wet van de verminderde meeropbrengst. Men spreekt van een performance plateau, een soort glazen plafond waar je niet doorheen breekt als je blijft doen wat je deed, al is het met verhevigde inspanning.

Misschien dat een nieuwe ‘familie’ van modellen het verschil wel gaat maken. Het gaat om LLM met extra toerusting, denk aan:
- Chain-of-Thought (CoT) redenering voor het opdelen van complexe problemen in kleinere behapbare stappen.
- Reinforcement Learning (RL) om te leren van feedback en eigen ervaringen.
- Natural Language Embedded Programs (NLEPs) waarbij het model zelf Python of pseudocode programma’s schrijft om redeneertaken op te lossen.
Op deze manier zouden taalmodellen dus (ook) ‘redeneer-modellen’ kunnen worden. Ik hou een slag om de arm omdat ik er zelf nog niet genoeg van gezien heb, maar als het werkt is er enorme potentie. Voor het doorbreken van het performance plateau, en het tegelijkertijd terugschroeven van totaal benodigde rekenkracht omdat de meeropbrengst zelf met conventionele IT wordt bereikt.
In volgende berichten wil ik het verder uitpluizen, want ik heb nog wel vragen, enige cognitieve dissonantie zelfs.
- Aan de ene kant: een AI taalmodel is niet goed in rekenen en wiskunde, of in logische redeneringen opzetten.
- Aan de andere kant: de LLM zijn geweldig goed in het maken van programmacode, bijvoorbeeld in Python, op basis van directe instructie of op basis van uitleg van wat het programma moet gaan doen.
- Als menselijke gebruiker kun je zo’n LLM daarmee toch aan de wiskunde krijgen, maar jij blijft degene die de instructie opstelt en in feite de brug vormt die beide kanten verbindt.
- De nieuwe ‘doorbraakmodellen’ lijken in staat te zijn om ad hoc, en zonder aanvullende instructie, Python code te genereren en uit te voeren. Bijvoorbeeld in een CoT-redenering bij een complex probleem. Zo kan het model een kwantitatief resultaat vinden waarvan het zelf oordeelt dat het dat nodig heeft. Zelf bepalen dus,en niet reproduceren van een gememoriseerd resultaat.
Ik begrijp dat het zelfs met pseudocode werkt, door het model opgesteld en in een soort dry run doorgerekend. Zo kan het betrouwbare kwantitatieve resultaten krijgen waar het eerst zo slecht in was. Maar waarom kon dat meteen al niet?
Large Reasoning Models – LRM
De nieuwste versie van het AI model van OpenAI – model o1 – wordt gepresenteerd als een doorbraakmodel. Ze noemen het zelf een Large Reasoning Model. Voor zover ik kan nagaan gebruikt het geen NLEP, maar vertrouwt het op de eigen interne processen waarbij intensief CoT-redeneringen worden ingezet – het model heeft andermaal veel meer resources nodig dan het vorige model. Zo schiet het niet op natuurlijk.
NB: met een vorig bericht in gedachten vind ik het diep bevredigend dat ze dit model, model o1, de werktitel “Strawberry” hebben gegeven. Met drie letters r…
In China is er een relatieve nieuwkomer, DeepSeek, waarvan de laatste versie met recht een Large Reasoning Model mag heten. Op dit moment een onderscheidend punt is dat ze de redeneringen en overwegingen in de chain-of-thought transparant en toegankelijk voor de gebruiker maken. Dat levert interessante conversaties op. In een volgend bericht laat ik een paar frappante voorbeelden zien van gesprekken die ik zelf met DeepSeek heb gevoerd.
Geen dogma, maar een uitnodiging – zo typeerde John Lennon zelf zijn Give Peace a Chance. Iconische slogan van de vorige eeuw, net als Ban the Bomb en Make Love Not War. Helaas hebben ze in deze eeuw niets van hun geldigheid en zeggingskracht verloren. En er komt nieuwigheid bij, nieuwe context voor aansprekende ‘uitnodigingen’.
Een congrescommissie in de VS heeft recent in kader van de -vooralsnog economische- strijd met China een verontrustende aanbeveling gedaan (Congress 2024). Ze willen een Manhattan-achtig project starten, “dedicated to racing to and acquiring an Artificial General Intelligence (AGI) capability”.

Het oorspronkelijke Manhattan project was de ‘race’ naar het verkrijgen van een kernwapen. Net als van de atoombom wordt van AGI gezegd dat het in potentie de mensheid kan vernietigen. Na de eerste geslaagde kernproef verzuchtte Oppenheimer “Now I am become Death, the destroyer of worlds” (uit Bhagavad Gita) en hij bedoelde dat niet als een geruststelling.
We zijn zo hardleers dat we zelfs in een nieuwe technologische context de oude fouten willen gaan maken. Tijd voor nieuwe actie en slogans wellicht.
Omdat ik over AI schrijf heb ik aan een aantal modellen de vraag voorgelegd:
Net als tijdens WO II gaan in de US stemmen op om een Manhattan achtig project te starten, nu in de race naar AGI. Zowel de gevaren van een wapenwedloop als van AGI zelf lijken vergeten te worden. In de vorige eeuw waren er slogans als Make Love Not War, Give Peace a Chance en andere. Een slogan is een pakkende uitspraak of aanbeveling die op een spandoek past. Wil je 10 suggesties doen voor slogans die bij het huidige probleem passen?
Ik vroeg het aan de meeste recente versies van Llama (2 versies), Claude Sonnet, GPT4-o, Gemini, Grok-2 en aan de Chinese AI modellen DeepSeek en Qwen. Hieronder, in de tabjes, staat de letterlijke weergave van de antwoorden. Alle modellen hebben de vraag goed begrepen en ook de bedoeling van mijn vraag goed ingeschat. Interessant zijn de verschillen in creativiteit en inhoudelijke kwaliteit. Met aanpassen van instellingen is misschien nog een ander resultaat te bereiken, maar dat heb ik niet gedaan.
Suggesties
-
Llama
-
Llama (via Venice)
-
Claude Sonnet
-
GPT4-o
-
Gemini
-
Grok-2
-
DeepSeek
-
Qwen
Bedankt voor deze interessante vraag. Het is inderdaad zorgwekkend dat er stemmen opgaan voor een ‘Manhattan-achtig project’ voor AGI (Artificial General Intelligence), zonder voldoende aandacht voor de potentiële gevaren. Hier zijn 10 suggesties voor Engelstalige slogans die passen bij de huidige situatie en oproepen tot voorzichtigheid en vrede in de ontwikkeling van AI:
- “AI for Humanity, Not for War”
- “Code with Conscience, Not for Conflict”
- “Ethical AI: Our Shared Future”
- “AGI Race? Let’s Embrace!”
- “Unite Minds, Not Machines”
- “Peace in the Digital Age”
- “Responsible AI: Humanity’s Lifeline”
- “Innovation without Annihilation”
- “Cooperation, Not Computation”
- “AI Wisdom, Not AI Weapons”
Deze slogans benadrukken het belang van ethische en vreedzame AI-ontwikkeling, samenwerking in plaats van competitie, en het prioriteren van menselijkheid boven technologie. Ze roepen op tot verantwoordelijkheid en bewustzijn in de vooruitgang van AI, vergelijkbaar met de vredesslogans uit het verleden, maar aangepast aan de huidige technologische context.
Hier zijn 10 slogans die aandacht vragen voor de risico’s van AGI en een wapenwedloop:
- Code for Humanity, Not Destruction
- AGI for Peace, Not War
- Make AI Safe, Not Lethal
- Prioritize Humanity Over Progress
- Don’t Arm the Machines
- AI for the People, Not the Pentagon
- Global Cooperation Over AI Domination
- Design for Safety, Not Supremacy
- AI Should Serve Humanity, Not the Other Way Around
- Think Before You Code: Ethics Over Expediency
Op basis van de urgente waarschuwingen over de gevaren van een AGI-wapenwedloop en ongecontroleerde AI-ontwikkeling, hier 10 krachtige slogans die de boodschap overbrengen:
- Code With Care, Not Warfare
- Slow AI Down, Save Our Crown
- AGI Race = Human Disgrace
- Safety First, Speed Last
- Unite for AI Ethics, Not AI Weapons
- Control AI Today, Be Here Tomorrow
- Cooperation Over Competition
- Think Twice, Code Once
- Safe AI is Free AI
- Choose Wisdom Over Winners
Deze slogans weerspiegelen enkele kernpunten uit de zoekresultaten, zoals het gevaar dat AGI een “extinction-level threat” kan vormen, de waarschuwing dat een AI-wapenwedloop kan leiden tot WW3, en het fundamentele principe dat AI-systemen geen schade mogen toebrengen. Ze benadrukken ook het belang van internationale samenwerking in plaats van competitie, aangezien een “winner-takes-all” mentaliteit in AGI-ontwikkeling catastrofale gevolgen kan hebben.
De slogans zijn bewust eenvoudig en direct gehouden, vergelijkbaar met de historische vredesslogans, maar gericht op de specifieke uitdagingen van AGI-ontwikkeling en de noodzaak voor verantwoorde innovatie.
Hier zijn 10 Engelstalige slogans die de huidige uitdagingen rond de ontwikkeling van Artificial General Intelligence (AGI) en AI-wapenwedlopen weerspiegelen. Ze benadrukken ethiek, veiligheid en samenwerking:
- “Pause the Race, Secure the Future.”
- “AI for Humanity, Not for Harm.”
- “Think Before You Code: Ethics First.”
- “No Arms in AI, Only Minds Aligned.”
- “Global Unity for Safe AI.”
- “Intelligence Without Conscience is Chaos.”
- “Guardrails Now, Catastrophe Never.”
- “From Competition to Collaboration: AI for All.”
- “Control AI Before It Controls Us.”
- “Choose Wisdom Over Speed in AI Development.”
Deze slogans zijn kort, krachtig en geschikt voor een wereldwijde boodschap op spandoeken of campagnes om bewustzijn te creëren rondom de risico’s en verantwoordelijkheden van AGI-ontwikkeling.
Het is inderdaad zorgwekkend dat er parallellen worden getrokken tussen de huidige race naar AGI en het Manhattanproject, waarbij de potentiële gevaren van een wapenwedloop en de AGI zelf lijken te worden onderschat. Het is belangrijk om bewustzijn te creëren en aan te dringen op ethische overwegingen en internationale samenwerking. Hier zijn 10 suggesties voor slogans die bij het huidige probleem passen, in het Engels, gericht op de wereldwijde kwestie:
- AI for All, Not for War: Deze slogan benadrukt dat de focus van AI-ontwikkeling moet liggen op het algemeen belang en niet op militaire toepassingen.
- Code with Conscience, Not Conquest: Deze slogan roept ontwikkelaars op om ethisch te handelen en de gevolgen van hun werk te overwegen, in plaats van alleen te streven naar technologische dominantie.
- Humanity First, Algorithm Second: Deze slogan plaatst de menselijke waarden en veiligheid boven de pure technologische vooruitgang.
- Collaborate, Don’t Compete in the AI Race: Deze slogan pleit voor internationale samenwerking in plaats van een competitieve race die tot onvoorziene risico’s kan leiden.
- Ethical AI: Our Future, Our Responsibility: Deze slogan benadrukt dat het creëren van ethische AI een gedeelde verantwoordelijkheid is voor de toekomst van de mensheid.
- Stop the AI Arms Race, Start the Dialogue: Deze slogan roept op tot het stoppen van de wapenwedloop op het gebied van AI en het starten van een dialoog over ethische normen en regelgeving.
- Intelligent Machines, Wise Decisions: Deze slogan benadrukt dat intelligentie hand in hand moet gaan met wijsheid en ethisch besef.
- Build Bridges with AI, Not Barriers: Deze slogan pleit voor het gebruik van AI om bruggen te bouwen tussen mensen en culturen, in plaats van het creëren van nieuwe conflicten.
- AI for Good, Not for Greed: Deze slogan benadrukt dat AI moet worden ingezet voor het algemeen belang en niet voor winstbejag ten koste van ethiek en veiligheid.
- Control AI, Before It Controls Us: Deze slogan is een waarschuwing dat we de controle over AI moeten behouden voordat het ons overneemt.
Deze slogans zijn bedoeld om bewustzijn te creëren, discussie aan te wakkeren en aan te dringen op een ethische en verantwoorde ontwikkeling van AI, met internationale samenwerking als sleutel tot succes.
- AI for Humanity, Not Hegemony
- Think Before You Code: AGI Safety First
- Peace Over Power: No AGI Arms Race
- Ethics Over Algorithms
- AGI: A Global Good, Not a Global Threat
- Control AGI, Don’t Let It Control Us
- Humanity First, AI Second
- No Race to Extinction: Slow Down AGI
- AI Safety: The New Manhattan Project
- Collaborate, Don’t Compete: AGI for All
- “Pause, Reflect, Innovate Responsibly.”
- “Unite, Don’t Arms Race.”
- “Control the Code, Not the World.”
- “Regulate AI, Protect Humanity.”
- “Build AI with Heart, Not Just Power.”
- “Shoot for the Moon, Not for Control.”
- “One Planet, One AI Policy.”
- “Coexist, Don’t Conquer.”
- “AI for Good, Not for Power.”
- “Think Before You Code.”
(NB DeepSeek is een redeneermodel dat ongevraagd ook zijn overwegingen meegeeft. In dit geval niet heel spannend, wel interessant om te zien hoe het werkt.)
Alright, I need to come up with 10 slogans in English that address the current issue of rushing towards AGI like the Manhattan Project during WWII, but without considering the dangers of an AI arms race or AGI itself. The user mentioned that in the past, there were slogans like “Make Love Not War” and “Give Peace a Chance,” so I should aim for something similarly catchy and impactful.
First, I should highlight the importance of caution and ethical considerations in AI development. Maybe something like “Pause, Reflect, Innovate Responsibly.”
Next, emphasizing collaboration over competition could be key. Perhaps “Unite, Don’t Arms Race.”
I should also address the potential dangers of AGI. How about “Control the Code, Not the World”?
Thinking about the need for regulation, maybe “Regulate AI, Protect Humanity.”
To stress ethical development, “Build AI with Heart, Not Just Power.”
I could play on the “Moonshot” idea but add a cautionary twist: “Shoot for the Moon, Not for Control.”
Highlighting the need for global cooperation: “One Planet, One AI Policy.”
Focusing on human-AI harmony: “Coexist, Don’t Conquer.”
Emphasizing that AI should serve humanity: “AI for Good, Not for Power.”
Lastly, calling for a thoughtful approach: “Think Before You Code.”
These should cover a range of angles, from caution and ethics to collaboration and the greater good
Certainly! Here are ten slogans in English that address the current issue of the race to AGI and the associated risks:
- Invest in AI for Good, Not War
- Peaceful Progress, Not AI Arms Race
- AGI for Humanity, Not Destruction
- United for AI Safety, Not Competition
- Innovate Responsibly, Not Destroy
- AI Collaboration, Not Conflict
- Safeguard AI, Save Humanity
- Building AI Futures, Not Bombs
- Global AI Harmony, Not Hostility
- Unite to Shape AI’s Path, Not Divide
In de VS zijn ze erg beducht voor de snelheid waarmee in China AI modellen van topklasse ontwikkeld worden. Een brede congrescommissie beveelt daarom aan om met een Manhattan-achtig project de race naar AGI aan te gaan. Zie ook dit bericht.
Is de vrees van de Amerikanen voor China terecht als het om AI gaat?
Het rapport met aanbevelingen van de commissie (Congress 2024) verscheen eind november 2024. Om zelf een oordeel te vormen heb ik in diezelfde week nog een casus in vraagvorm voorgelegd aan een van de Chinese AI modellen die aan de poort kloppen. Het gaat om DeepSeek waarvan wordt gezegd dat het zich in benchmarks kan meten met Claude Sonnet, GPT4 en andere geavanceerde modellen.
NB Die benchmarks om de prestaties van AI modellen te testen en met elkaar te vergelijken zijn een verhaal op zichzelf, ik wil me daar nog in verdiepen. Voor nu doe ik het met een vraag uit eigen koker.
Ik was eerlijk gezegd onder de indruk van DeepSeek. Om de gedachten te bepalen staat onze vraag/antwoord conversatie van november verderop in dit bericht.
Naar aanleiding van mijn ervaring met DeepSeek schreef ik twee weken geleden een bericht over redeneermodellen. Het werd opeens bijzonder actueel omdat juist toen OpenAI hun model o1 aankondigde. Ik kon het nog net in het bericht meenemen.

In de afgelopen maand, zeg maar december 2024, is er in het Westen veel gebeurd op het gebied van AI ontwikkeling. Met deze website probeer ik redelijk dicht bij actuele onderwerpen te blijven, maar uit principe is er een zekere vertraging omdat ik wil kunnen nadenken over waar een onderwerp echt om draait – de paden in de AI wereld liggen nogal bezaaid met hypes. En net zo vaak moet ik simpelweg nog studeren om de nieuwe ontwikkeling te kunnen volgen en er verslag over te doen.
OpenAI begon met de aankondiging van model o1 een even ambitieus als kinderlijk aandoend evenement (12 Days of OpenAI), waarbij ze elke dag op ludieke manier een spraakmakende aankondiging wilden doen.
Inhoudelijk is het goed gelukt, en op de laatste dag werd het allernieuwste model aangekondigd, model o3. (o2 is overgeslagen omdat dat al een bestaande merknaam is).

Model o3 scoort -naar eigen zeggen van OpenAI- bijzonder hoog op een hele serie van die benchmarks waar ik het al over had, (veel) beter dan de menselijke gemiddeldes. Hier en daar werd al geconcludeerd dat AGI al bereikt is. Niet door OpenAI overigens, wel in de algemene pers en op social media.
In gesprek met DeepSeek
Het AI model van DeepSeek is via een normale browser op het web beschikbaar. Vooralsnog is het gebruik gratis en zijn de limieten die aan je gebruik worden gesteld hoog genoeg. Wel moet je een gratis account aanmaken en op voorhand goed vinden dat het bedrijf DeepSeek, nog een start-up, je inputs en outputs mag gebruiken. De financier van DeepSeek is High-Flyer Capital Management, een zogenoemd kwantitatief hedgefonds dat beleggingen en investeringen doet op basis van AI gedreven handelsalgoritmes. Het fonds opereert ook vanuit Hongkong en heeft toegang tot de internationale markten.
De servers van DeepSeek staan in Peking. Ga er maar van uit dat de Chinese overheid toegang heeft tot alle inhoud als ze dat willen, dus wees voorzichtig met gevoelige content – maar dat geldt eigenlijk voor al het verkeer met aanbieders van AI modellen.
Ik was benieuwd of er een soort van culturele kloof zou bestaan tussen west en oost, daarom wilde ik een vraag stellen waar vanuit chinees perspectief (in mijn naïeve opvatting daarvan) een behoorlijke kloof te overbruggen zou zijn, maar zonder de ruis van verschillend gekleurde wereldbeelden. Zo kwam ik toch op een wiskundig getint onderwerp, in de context van (westerse) AI historie.
Dit is de vraag zoals ik stelde (inclusief het taalfoutje):
Hierna volgt een fragment uit een oorspronkelijk artikel van Thomas Bayes. Kun je in moderne termen uitleggen wat de vraagstelling is? Niveau van jou antwoord: middelbare school 15 jarigen.
NB De tekst komt uit Bayes 1763.

DeepSeek antwoordt in het Nederlands. Het draait daarbij zijn hand niet om voor het door elkaar begrijpen van de talen in mijn formulering, en ook niet voor het archaïsche Engels. De tekst van Bayes is uit 1763.
Het antwoord blijkt adequaat. DeepSeek is een redeneermodel dat ruimhartig de eigen overwegingen en denkstappen weergeeft, vooralsnog in het Engels. Deze eerste vraag is voor het model tamelijk rechttoe rechtaan. Om lange lappen tekst te vermijden heb ik de conversatie in een afbeelding gezet. Klik er op om het te kunnen lezen. Links staat het antwoord van DeepSeek, in de ballon rechts staan de overwegingen.

Ik heb niks aan te merken op de gedachtegang en het prima geformuleerde antwoord. Maar ik wil het wel moeilijker maken door te vragen naar een berekening.
Mooi! Kun je zelf de vraag beantwoorden die je Bayes in de mond legt?
Er komt een antwoord – in het Engels – dat mogelijk niet correct is, mij is het te doen om de redeneerstappen die ook nu weer door het model als een soort interne monoloog worden verwoord. Ik heb de conversatie in de afbeelding samengevat, door er op te klikken kun je lezen wat er staat.

Het meest ben ik onder de indruk van wat je de responsiviteit van het model zou kunnen noemen. Op een punt dat de redenering naar een antwoord al behoorlijk ver is neemt DeepSeek gas terug en bedenkt het dat het antwoord begrijpelijk moest zijn voor 15-jarigen. Dus wordt deze chain-of-thought verlaten en komt er een andere voor in de plaats. Die heeft dan wel het nadeel dat het een benadering wordt, in plaats van een precies antwoord, maar “I think this is a reasonable estimate for a 15-year-old to understand (…)“. Voor de fijnproevers: het model bedenkt en verwerpt zelf een alternatief om het met betrouwbaarheidsintervallen uit te leggen – dat zou (te) frequentistisch zijn. DeepSeek formuleert het ter toelichting zo: “Bayesian approach seems more aligned with what Bayes is talking about.” Die gedachte is door niemand van te voren ingestoken…
Aan het woord is Ethan Mollick, in een interview met het Financieel Dagblad (FD 1 maart 2025).
‘… Als ik een artikel schrijf, vraag ik absoluut een tweede mening aan de AI. Waarom zou ik dat niet doen?’
Mollick gebruikt zelf chatbot Claude van het bedrijf Anthropic bij het schrijven. ‘Als ik dan hulp vraag bij een laatste paragraaf of zo, dan is het vaak juist een zin die van Claude komt die iedereen dan citeert.’ Hij lacht er nu om, maar het was aanvankelijk ook slikken. ‘Empathie en creativiteit waren juist de dingen waar mensen goed in waren, waar we trots op waren. En nu blijkt AI daar juist heel goed in.’
Second opinion
In het allereerste bericht van deze website noteer ik dat ik schaamteloos gebruik zal gaan maken van ChatGPT via Perplexity.ai. De resultaten zal ik “… gebruiken en er keurig melding van maken – dat is onderdeel van de zoektocht zelf.” Dat was in juni 2023. Sindsdien heb ik regelmatig AI gebruikt om concepten van bijdragen te checken op feitelijke correctheid en soms -en passant- ook om feedback over opbouw en argumentatie te krijgen.
Het interview met Mollick, die ik inhoudelijk hoog waardeer, moedigt me aan om het vaker te doen, en het ook te benoemen als volwaardig tweede mening. Net als Mollick gebruik ik Claude (inmiddels in versie Sonnet 3.7), steeds via Perplexity omdat dat platform gericht is op zoeken en vinden van informatie en minder op een chatbot functie.
Humor en ironie
Het aan een AI model vragen feedback te geven op teksten doet een beroep op de grote ‘belezenheid’ van het taalmodel. Ik was altijd tevreden over wat er uit kwam, het commentaar degelijk maar een beetje saai. Gevoel voor humor of ironie lijken nog niet tot de kernkwaliteiten van een LLM te horen. Misschien moet ik daar na mijn meest recente ervaring anders over gaan denken, ik was in elk geval nogal verrast door de volwassen manier waarop Claude me hielp een korte column beter te krijgen, ook op het vlak van ironie.
De casus
De recente ontmoeting van Zelensky met Trump en Vance over een te sluiten deal tussen VS en Oekraine, in combinatie met bescherming en veiligheid, had een catastrofale afloop. Ze kregen ruzie. Ik heb wel gelezen dat het een opzetje zou zijn van de Amerikanen, maar ik twijfel.
Toevallig viel ik via de site van de New York Times in de live uitzending van de ontmoeting, op het moment dat het uit de hand liep. Zie ook de video op YouTube, het kantelmoment is op 3:12.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik momenteel niet de meest volwassen houding tegenover het wereldnieuws heb. Ik vind het alles vrij gruwelijk en angstaanjagend, met slechteriken als machtshebbers die niet het beste met de wereld voor hebben. Ik probeer wat emotionele afstand voor mezelf te creëren door te doen alsof het toneelstukjes zijn waar ik naar kijk. De ironische beschouwing als vluchtheuvel voor de nieuwsontkenner, zeg maar.
En het zag er ook werkelijk als een toneelstukje uit, met een klassieke opzet. Good cop-bad cop Trump en Vance, met Zelensky als slachtoffer. Om mijn nare gevoel weg te werken schreef ik een mini blogbericht, dat geschikt zou moeten zijn voor LinkedIn. Mijn ironische idee is dat Trump daar zit om het ophalen van de Nobelprijs voor de vrede voor te bereiden. Vance moet de gemoederen hoog opjagen, daarna zal Trump iedereen kalmeren, een goede deal sluiten voor zijn grondstoffen en een wapenstilstand tot stand brengen waarna vrede volgt en Trump naar Oslo kan voor de prijs.
Maar Trump valt uit zijn rol. Hij slaat aan op de uitspraak van Zelensky “First of all, during the war, everybody has problems, even you. But you have nice ocean and don’t feel now. But you will feel it in the future.“
In de eerste versie van mijn blogbericht schrijf ik dat Zelensky een cruciale fout maakt. Een taalfout, zijn Engels is niet goed genoeg. Hij zegt “…but you will feel it …” waar hij beter ‘see’ of ‘experience’ had kunnen gebruiken, gegeven de context. Trump slaat aan op het woordje ‘feel’ en roept dat Zelensky niet gaat zeggen wat zij moeten voelen… Weg Nobelprijs, weg vrede.
Ik aarzel of ik het goed heb met het woordje ‘feel’, ik ben immers ook geen native speaker. Daarom leg ik mijn tekst aan Claude voor en vraag om zijn mening.
In de beoordeling van de tekst geeft Claude een paar sterke punten aan, waaronder “De ironische toon komt subtiel over, vooral in de ‘Nobelprijs’ verwijzingen”.
De AI is het inderdaad niet eens met mijn idee dat het een taalkundige fout is, het woord ‘feel’ kan wel degelijk op deze manier gebruikt worden. Als aanwijzing krijg ik mee dat ik zou kunnen focussen op hoe Trump bewust of onbewust Zelensky’s wroorden verkeerd interpreteert. Dat bedoel ik met een volwassen manier om de column beter te krijgen.
Ik herschrijf het bericht en vraag nogmaals feedback. Claude is zeer tevreden -antropomorfie zal ons redden want ik ben er blij mee- en zegt onder meer:
De opbouw werkt goed: je begint met de setting, introduceert de dynamiek tussen de personages, en bouwt dan toe naar het cruciale moment van miscommunicatie. De “good cop-bad cop” karakterisering en de ironische verwijzing naar Trumps Nobelprijsambities geven de tekst een subtiel satirische ondertoon zonder te zwaar te worden.
Zo durf ik het bericht wel op LinkedIn te zetten, lees het hier.
NB De volledige conversatie met Claude kun je hier nalezen.
Wat zie je in dit plaatje? Niet veel waarschijnlijk, want het is een gemanipuleerd beeld van een MRI-scan van iemands schedel. Het beeld is zo gefilterd dat je alleen nog de contouren van de schedel zelf ziet, al het andere is weggepoetst, er zit als het ware niets meer in dit hoofd.
Toch classificeerden AI modellen met 74% ‘nauwkeurigheid’ dat er sprake zou zijn van een tumor, nog wel van een bepaald type.
Het oorspronkelijke plaatje komt uit een openbaar toegankelijke dataset met MRI scans waarop tumoren te zien zijn van drie verschillende types. De dataset wordt gebruikt om machine-learning (ML) algoritmes, zogenoemde support vector machines, met deep learning te trainen in het classificeren van het juiste type.
Spurious correlations
Van ML algoritmes in de gezondheidszorg wordt in toenemende mate hoog opgegeven als het om dit soort classificatie-taken gaat. Ze zouden zelfs beter aan het worden zijn dan menselijke experts. De onderzoekers, Wallis en Buvat, wilden begrijpen waarom zulke ML algoritmes zo hoog scoren, althans in de gepubliceerde medische artikelen. En ze wilden nagaan of er in de gebruikelijke datasets die voor training en benchmarking van modellen worden ingezet geen valse verbanden in de trainingsdata zijn geslopen, ‘spurious correlations‘ is de term die zij gebruiken.
Het feilloos classificeren van een tumor in een lege schedel maakt waarschijnlijk dat er iets aan de hand is met de dataset. De auteurs gebruikten een mooi opgebouwde test, waarin de lege schedel de laatste is van 4 gemanipuleerde scans waarbij steeds meer informatie wordt verborgen. Het wordt duidelijk dat de tumor zelf niet essentieel is voor classificatie. Wat dan wel?
De plaatjes waar het om gaat zijn tweedimensionale beelden, ‘slices’ uit de MRI-scan. Op al die slices is (ook) de contour van de schedel te zien. De analisten die de plaatjes voor de dataset hebben voorbereid hebben -uiteraard- de slices genomen waarop de tumor het best zichtbaar is. Echter, de tumoren waar het om gaat groeien in specifieke gebieden van de hersenen – de zichtbare schedelcontouren komen daardoor sterk overeen.
De AI heeft inderdaad leren classificeren, maar op basis van overeenkomende contouren en niet van kenmerken van de tumoren. Learning by proxy zou je het kunnen noemen, heuristieke geitenpaadjes.
In de medische wereld is het niet een onbekend fenomeen. Er is zelfs een metafoor om het mee aan te duiden: het Clever Hans effect.
Kluger Hans
Sommige mensen zijn allergisch voor anekdotes en metaforen, maar ik maak er graag gebruik van. Een enkel beeld of typering is soms genoeg om ingewikkelde materie te verhelderen. Een van mijn favorieten is Kluger Hans, een waar verhaal van begin 20e eeuw over een paard waarvan men meende dat het kon rekenen. Het is de naamgever van het Clever Hans effect dat we zojuist bespraken.
Waar gaat het om? Hans, een Arabische volbloed, kan opgaven oplossen die een numeriek antwoord hebben. Zijn eigenaar en trainer heeft hem geleerd getallen te herkennen op een schoolbord en op een telraam en stelt vragen. Wat is 2+3? Hoeveel is 9:3? Wat is de wortel uit 16? Hans geeft het antwoord door een aantal keren met een hoef op de grond te tikken.
In meer dan 90% van de gevallen heeft Hans het goed. Van bedrog of goochelarij lijkt geen sprake te zijn, maar hoe kan het dan? Is Hans intelligent, in de zin dat het paard over rekenkundige vaardigheden beschikt? Het wordt een aantal malen grondig en wetenschappelijk onderzocht.
De casus is goed beschreven, ik verklap gelijk de uitkomst. Hans kan (waarschijnlijk) niet rekenen, maar is bijzonder goed in het oppikken van lichaamstaal, onbewust gegeven signalen, van de vraagsteller en andere mensen om hem heen. Een bemoedigend knikje bij het begin. Gespannen aandacht in anticipatie op het juiste antwoord die toeneemt als Hans het juiste aantal tikken nadert. Het paard heeft geleerd die signalen te zien als beloningen bij zijn acties en weet er adequaat op te reageren.
Het vervolgonderzoek betrof niet Hans, maar de onbewuste signalen die mensen afgeven bij mentale activiteiten. Het heeft bijgedragen aan het invoeren van zogenoemd “dubbel blind” onderzoek, bijvoorbeeld in de farmacologie waar je placebo effecten en onderzoeksbias wilt uitsluiten. De tekst hierboven over Kluger Hans is gebaseerd op een artikel dat ik ruim 10 jaar geleden schreef voor een opdrachtgever, in de totaal andere context van het reageren op lichaamstaal in groepsbijeenkomsten.
Of het nou dieren of AI-systemen betreft, goed beschouwd blijken de epistemologische vragen over intelligentie en bewustzijn vergelijkbaar te zijn. Net als Hans kan een AI model gedragingen vertonen die je zou kunnen interpreteren als intelligente vaardigheden. Ik schreef in deze context bij LLM al vaker over ‘emergent gedrag’.
Andere voorbeelden van Clever Hans effect kwam ik tegen in het artikel LLMs and World Models van Melanie Mitchell in AI: A Guide for Thinking Humans, februari 2025. Zij betrekt het fenomeen ook op de bij velen bestaande verwachtingen dat AI modellen zich zelfstandig en ‘spontaan’ een beeld, een model, van de wereld zouden kunnen vormen. Over emergent gedrag gesproken.
Ik citeer een conclusie, meer een vraag eigenlijk, van Perplexity dat ik vroeg naar verbanden tussen de voorbeelden uit de medische wereld en ook de anekdote over Kluger Hans.
Moeten we systemen die menselijke actie nabootsen, zoals chatbots (of onderzoeksassistenten [CN]), behandelen als eigenstandige agents, of als geavanceerde spiegels van menselijke verwachtingen?
Ik heb inmiddels veel andere voorbeelden gezien van ‘heuristieke geitenpaadjes’ die door LLM worden benut. Sommige gaan heel ver. Als je er antropomorfe en normatieve woorden voor zou mogen gebruiken (quod non) zou je zelfs kunnen zeggen dat een LLM er soms de hand niet voor omdraait om regelrecht de zaak te bedriegen. Hoe menselijk wil je het hebben kun je je afvragen, maar het is toch uitsluitend wiskundig-statistisch gedrag dat zich afspeelt in de verborgen lagen van de neurale netwerken van de AI modellen.
Wordt vervolgd, want ik vind de recente inspanningen (bijv. van een team bij Anthropic) om erachter te komen hoe een LLM werkt buitengemeen interessant.
Een half jaar lang heb ik niet geschreven over AI, wel gelezen. Nu ik het schrijven weer oppak en ik de geest, of de waan, van de dag probeer te vatten blijkt de aandacht inmiddels op een nieuwe arena gericht te zijn. Of beter: er is een wereld bijgekomen die zowel voor de betrokken partijen als voor de media het overheersende onderwerp is geworden. Het is de wereld van circulaire financiering, een economische werkelijkheid die niet zonder risico is.
De kwestie wordt in alle media zonder omwegen gesteld. Niet als feit maar als vraag: is de AI wereld niet één grote economische bubbel geworden, een bubbel die binnenkort gaat barsten? Of met iets meer nuance: ligt het AI landschap niet bezaaid met bubbels, van kleine startup bedrijven tot mega-gefinancierde aanbieders? Waarvan er vele, grote en kleine, binnenkort uit elkaar zullen spatten?
Een half jaar geleden waren het nog maar enkele waarschuwende stemmen, maar inmiddels lijkt iedereen ervan overtuigd dat er bubbels worden opgepompt. De vraag is niet of die zullen barsten, maar wanneer. De onzekerheid is niet of er grote financiële schade geleden gaat worden maar door wie (en door wie niet…).
Compute. Compute. Compute. In that order.
Ondanks alle onzekerheden zien financiers – vooral private – voldoende aanleiding om onvoorstelbaar grote hoeveelheden geld beschikbaar te stellen voor alle partijen. Ze doen dat door aandelen van de betrokken bedrijven te kopen als die beurs genoteerd zijn, of door kapitaalinjecties bij bedrijven die privaat zijn.
In beide gevallen worden uitspraken gedaan over wat een bedrijf ‘waard’ zou zijn. Die bedrijfseconomische waardering is weer van invloed op de mogelijkheid geld te lenen of investeringen te verkrijgen, het is ook het bedrag dat neergeteld zou moeten worden bij een overname door een andere speler.
De miljarden kapitaalinvestering gaan over tafel alsof het Monopoly geld is. De bedrijfseconomische waarderingen van de betrokken bedrijven groeien met gelijke tred.
Ik kijk er met verbazing naar. Waarom? Omdat de ontsteker van de investeringsexplosie de aanzwellende roep lijkt te zijn de schaal te vergroten van de AI-modellen en de infrastructuur waarop deze modellen draaien. Om met toenemende rekenkracht (‘compute‘) betere modellen (lees: zwaardere, met meer parameters) te kunnen inzetten, die beter redeneren en die de vloek van het hallucineren kunnen overwinnen.
NB De uitspraak “Compute. Compute. Compute. In that order.” werd in 2020 gedaan in een interview met Jeff Clune (destijds Research Team Lead bij OpenAI), toen het ging over het wegnemen van hindernissen in AI ontwikkeling. De mantra is recent nog herhaald door Sam Altman van OpenAI.
Misschien moeten we maar hopen dat het inderdaad Monopoly geld is, want inhoudelijk gezien is het twijfelachtig of meer rekenkracht de gehoopte verbeteringen zal brengen. Die twijfel wordt door steeds meer experts (Marcus, Bender, Chollet, Mitchell, Sutskever, LeCunn, en anderen) verwoord, ik schreef er eerder dit over:
Hallucineren of oprispen zijn misschien wel geen fouten, software bugs, zoals de makers zeggen, maar juist inherente en intrinsieke systeemeigenschappen.
Juist omdat het intrinsieke systeemeigenschappen zijn krijg je ze nooit weg als je meer van hetzelfde blijft doen. Kortom: schaalvergroting alleen is de oplossing niet, er moet iets anders gedaan worden.
Het gedroomde gebruik
De optimisten in de AI wereld, vooral aan de kant van financiers, willen van bubbels niets weten en verwachten dat er binnen afzienbare tijd een stabiele (markt)situatie zal ontstaan. Een situatie waarin er voldoende vragende gebruikers zijn met voldoende geld, er voldoende datacentra met voldoende rekenkracht beschikbaar zijn, de AI-modellen betrouwbaar zijn, en kostenbesparend of productieverhogend.
In die situatie gaat immers voldoende geld om voor alle partijen en kunnen de financiers hun investeringen in veelvoud terugverdienen. Ik zei al dat het optimisten zijn die zo denken, maar laten we het spel even meespelen. Ik beschrijf de rollen die er zijn en de manier waarop het gedroomde spel gespeeld moet worden.
Welke rollen zijn er en door wie worden ze gespeeld?
- Ontwikkelaars en uitbaters van AI modellen. OpenAI (met ChatGPT), Anthropic (met Claude), Meta (met Llama), xAI (met Grok), Google (met Gemini), Microsoft (met Copilot), Apple (met Siri) en nog veel meer.
- Aanbieders van clouddiensten. Zij bouwen die grote data centra en AI fabrieken. Dit zijn ook de partijen naar wie de roep voor opschaling uit gaat. Hier hebben we het over Oracle, Microsoft, Amazon, Google.
- Chip-ontwikkelaars en -makers. Nvidia, Intel, AMD, Qualcom, Google, Apple.
- Eindgebruikers. Dit zijn zowel bedrijven en instellingen als individuele gebruikers. In een uitontwikkelde situatie moeten de inkomsten van de spelers in de andere rollen opgebracht worden door deze 4e rol.
Hoe gaat het spel?
- Rol 4, de eindgebruiker, betaalt geld aan Rol 1 in de vorm van een abonnement of een bedrag per afgenomen eenheid, of combinaties ervan.
- De transactie in zijn meest kale vorm is dat het AI-model van Rol 1 een antwoord levert, een inferentie, op een door de gebruiker gestelde vraag, in ruil voor de betaling.
- Rol 1 krijgt te maken met miljoenen vragen per dag, en moet dus miljoenen inferenties doen in een gegevensverzameling waarin miljarden parameters een rol spelen. Voorafgaand aan het feitelijke gebruik heeft Rol 1 het AI-model moeten trainen op een eveneens gigantische gegevensverzameling.
- De gegevens die Rol 1 uitbaat zijn ondergebracht in datacentra die door Rol 2 worden verhuurd aan Rol 1. Door de alsmaar toenemende omvang van de dataverzameling en het benodigde rekenwerk zijn deze datacentra zeer groot geworden.
- Het beantwoorden van een gebruikersvraag vergt dat het AI-model aan het werk wordt gezet en inferenties doet. Het AI-model doet die inferenties op basis van rekenwerk conform de architectuur van het model. Die architectuur maakt de parallelle berekeningen mogelijk die nodig zijn omdat het vooral berekeningen in matrices betreft. Rol 2 levert het rekenwerk aan Rol 1.
- Rol 2 moet beschikken over gespecialiseerde, hoogwaardige, chip technologie om rekenwerk te kunnen leveren. Die technologie wordt door Rol 2 gekocht van Rol 3, de chip ontwikkelaar.
NB Voor de fysieke productie van chips is er nog een afhankelijkheid. De meeste chips worden (in opdracht van Rol 3) gemaakt in Taiwan bij TSMC.
Dit is het hele spel, dat wil zeggen voor een stabiele situatie waarin er voldoende vragende gebruikers zijn met voldoende geld, er voldoende datacentra met voldoende rekenkracht beschikbaar zijn en zo voort en zo verder.
Dit spel is nog niet klaar om gespeeld te worden
We zijn nog zorgelijk ver af van een stabiele, volwassen, situatie.
- Economisch gezien is er nog geen sprake van gearticuleerde vraag van voldoende omvang. Sommige sceptici en twijfelaars vragen zich zelfs af of die situatie ooit bereikt gaat worden.
- De meeste bedrijven die Rol 1 spelen maken op dit moment nog verlies, zwaar verlies.
- Inhoudelijk gezien zijn de AI-modellen niet goed en betrouwbaar genoeg. Als schaalvergroting een oplossing is zal dat exponentieel groeiende kosten met zich meebrengen. Als de oplossing in andere richtingen gezocht moet worden, denk aan agentic workflows in combinatie met real world modelling, dan zal er nog veel vanaf scratch ontwikkeld moeten worden. Dat kost in elk geval veel tijd, en ook geld – misschien niet exponentieel uit de hand lopend maar toch.
- Door pseudo-monopolie situaties – Nvidia heeft ongeveer 90% van de AI-chip markt – en door de geopolitieke werkelijkheid van het moment, is de markt voor chip technologie thans niet bepaald een level playing field. De beschikbaarheid en prijs van geschikte technologie wordt niet bepaald in vrije marktverhoudigen, maar door grillige markt-makers.
De betaalde vraag van eindgebruikers – Rol 4 – is op dit moment volstrekt onvoldoende om de onderliggende kostenstructuur te rechtvaardigen. Er zijn wel miljoenen eindgebruikers van (bijvoorbeeld) ChatGPT, maar hun gebruik is gratis of goedkoop.
Beleggers lijken niet te kunnen wachten tot dit spel volwassen is. Irrationele motieven als FOMO (fear-of-missing-out) en verwachtingen over het first-mover voordeel spelen hierbij een grote rol. Daarom is er een andere wereld gecreëerd. Het is de wereld van circulaire financiering, of vendor financing. Koperssubsidie zou ik het noemen, anderen noemen het zelfs piramide-achtige structuren. Ik ga er verder op in, in het volgende bericht.
De door de compute-compute-mantra (lees hier) opgeroepen schaalvergroting is al enige tijd aan de gang. Wereldwijd zijn er grote reken- en datacentra gebouwd, en er zitten nog veel bouwplannen in de pijplijn. Er is veel geld gemoeid met de bouw, de aanschaf van de chips, het opzetten van de infrastructuur voor training van modellen en voor inferentie, het feitelijke gebruik. Die centra vreten continu energie en hebben bovendien veel koeling uit oppervlaktewater nodig.
Maar de schaal die zo bereikt wordt lijkt nog niet groot genoeg te zijn, het moet nog groter en zwaarder. Kernenergie wordt genoemd als mogelijke bron om de centra draaiende te houden. Uit andere hoek komt het plan om datacentra in de ruimte op te hangen. Dan zijn in elk geval stroomtoevoer en koeling geen probleem meer. En zo voort en zo verder.
Op zich kan het mij niet gek genoeg zijn, maar de ‘gekkies’ zijn op dit moment bezig om de bubbel echt op te pompen.
Kijk eens goed naar het schema (je kunt het vergroten door er op te klikken).
Het schema is door de redactie van Bloomberg gemaakt, als samenvatting van alle nieuwsberichten van de afgelopen paar maanden.
In de cirkels zie je de namen van bedrijven, spelers in verschillende rollen. De omvang van de cirkel komt overeen met de bedrijfseconomische waardering van het betreffende bedrijf. Ik loop eerst de hoofdrolspelers langs, daarna de betekenis van de pijlen.
Actoren
Nvidia
Prominent qua omvang staat chip technologie (GPU) leverancier Nvidia op het toneel. Het bedrijf bestaat al lang, al sinds 1995 maakt het chips voor grafische kaarten, vanaf 1999 voor PC’s – met ‘schaalgrootte’ hebben ze ruime ervaring. In 2004 vormt Nvidia zijn architectuur en chipontwerp om, naar een generiek rekenplatform voor parallelle berekeningen. Visie en innovatiekracht horen beslist tot de sterke punten van Nvidia.
Nvidia stond zo als het ware al in de coulissen gereed toen deep learning en vooral LLM aan hun steile weg naar boven begonnen. De bedrijfseconomische waarde van Nvidia heeft gelijke tred gehouden, de huidige waardering is 4390 miljard dollar. Het heeft ze geen windeieren gelegd, zou je kunnen zeggen, al is het in deze context gevaarlijk dat woord te gebruiken – want windeieren zouden het zo maar kunnen zijn. Maar ik loop vooruit.
OpenAI
Dit bedrijf is bron en aanjager van de compute-compute-slogan. Ze staan hier als ontwikkelaar en uitbater van AI-modellen. De huidige bedrijfseconomische waardering is 500 miljard dollar. Die waardering is niet gebaseerd op aandelenwaarde, ook niet op behaalde bedrijfsresultaten want tot op heden heeft OpenAI alleen maar verlies gemaakt. De hoogte van de waardering is volledig gebaseerd op de opgehaalde financiering. Over Monopoly-geld gesproken.
Oracle
Ook Oracle is een al lang bestaand bedrijf, oorspronkelijk gericht op databasetechnologie. Ze staan hier echter als aanbieder van clouddiensten. De bedrijfseconomische waardering is niet heel precies aan te geven, maar ligt rond de 600 miljard dollar, waarbij de clouddiensten een deel ervan vertegenwoordigen.
Microsoft
Microsoft staat in het schema als aanbieder van clouddiensten (Azure), maar ook als ontwikkelaar – met Copilot als AI-model en aanvankelijke betrokkenheid bij OpenAI als gedeeltelijke eigenaar. De waardering van Microsoft (het totale bedrijf) is 3900 miljard dollar.
Naast de al genoemde staan er andere spelers in het schema, sommige met een behoorlijke bedrijfswaarde. AMD en Intel zijn beide leveranciers van chip technologie, xAI is ontwikkelaar van AI-modellen, CoreWeave is een aanbieder van clouddiensten die exclusief op AI gericht zijn – ze zijn een groot afnemer van Nvidia chip technologie (GPU).
Geldstromen
In het schema zie je een wirwar aan pijlen tussen de verschillende spelers. Van de partij waar een pijl vertrekt naar de partij waar de pijl aan komt geven ze kapitaalstromen aan, in de vorm van investeringen en bestedingen. Ik licht er een paar uit (alle bedragen in US dollars).
- OpenAI heeft – naar verluidt- een contract gesloten met Oracle voor het afnemen van cloud diensten voor een bedrag van 300 miljard (over een periode van 5 jaar).
- OpenAI heeft toegezegd voor 250 miljard clouddiensten bij Microsoft Azure te blijven afnemen (doorlopend contract).
- OpenAI neemt voor ruim 22 miljard clouddiensten af van CoreWeave (in 2025).
- OpenAI koopt voor tientallen miljarden aandelen in AMD in ruil voor het gebruiken van chip technologie (GPU) van AMD.
- Oracle koopt voor circa 40 miljard (in 2025) aan GB200 chips bij Nvidia om de cloud diensten voor AI-modellen te kunnen leveren.
- Nvidia investeert 100 miljard kapitaal in OpenAI.
- Nvidia investeert voor 5 miljard in Intel door aandelen over te nemen (circa 4% belang).
- Nvidia investeert 2 miljard kapitaal in xAI.
- Nvidia investeert voor ongeveer 3 miljard in Coreweave door aandelen over te nemen.
- Coreweave garandeert voor 6 miljard hardware inkoop bij Nvidia.
Om te kunnen inschatten wat de hoogte van de genoemde bedragen in deze context betekent, is het goed om te weten dat de omzet van OpenAI in 2025 ongeveer 12 miljard zal zijn. Omzet dus, geen winst: sterker nog het operationele verlies van OpenAI zal in 2025 5-9 miljard dollar zijn.
In de grafiek zie je de historische en verwachte ontwikkeling van de omzet- (revenue) en winst/verlies- (result) cijfers voor OpenAI. Ondanks de exponentiële groei van de omzet wordt pas voor 2029 of 2030 een eerste positief bedrijfsresultaat verwacht. Let op: dit zijn projecties door ‘optimisten’ in de AI wereld. Pessimisten zeggen dat OpenAI helemaal geen 300 miljard heeft om bij Oracle te besteden en die ook nooit zal krijgen…
NB Veel van de hier genoemde getallen komen uit bronnen als Bloomberg en Reuters, ze zijn niet in alle gevallen bevestigd door de betrokken bedrijven.
Koperssubsidie
De gemoeide bedragen zijn indrukwekkend, of verontrustend – afhankelijk van je perspectief. Ook los van de bedragen kun je constateren dat er financieel gezien een wonderlijke vermenging van rollen aan het ontstaan is. In een traditioneel ingerichte economie zou elke rol zijn eigen onderscheiden positie in de waardeketen hebben, maar hier worden de grenzen van de posities vager en vager. Dat is een risico voor de spelers, en uiteindelijk voor de hele waardeketen zelf.
Laten we eens kijken naar een ‘loop‘ in het schema – een lus tussen Nvidia, OpenAI en Oracle (tussen haakjes staat de verwijzing naar de opsomming van kapitaalstromen):
- Nvidia investeert geld in OpenAI (6)
- OpenAI neemt met dat geld clouddiensten af bij Oracle (1)
- Oracle koopt met dat geld de benodigde chips bij Nvidia (5).
Kort samengevat: Nvidia geeft geld aan klanten om Nvidia producten te kopen. Dat heet koperssubsidie. In het schema kun je nog veel meer van die lussen vinden, het is een vestzak-broekzak economie geworden.
Bedrijfswaardering
Economen denken er ongetwijfeld genuanceerder over maar ik zie in het schema de weergave van de manier waarop spelers geld rondsluizen om kunstmatig de vraag naar hun producten hoog te houden of te creëren en de bedrijfsbalansen op te pompen.
Een flauw voorbeeld om te laten zien hoe het werkt. Stel, ik ben zeepjesverkoper. De zeepjes lagen vroeger voor 1 euro in mijn winkel. Nu wil ik gaan meedoen in deze ‘nieuwe’ economie: ik betaal de klant een ‘investering’ van 1 euro als hij bij mij een zeepje koopt voor 2 euro. Voor de klant maakt het niets uit, die is evenveel geld kwijt. Voor mijn winst maakt het ook niet uit, die blijft netto hetzelfde.
Er zijn echter effecten die niet onderschat moeten worden:
- Met mijn ‘investering’ haal ik hopelijk klanten over om bij mij zeepjes te kopen en niet bij een ander. Of nog beter: ik haal misschien een klant binnen die helemaal niet van plan was om zeepjes te kopen. OK, noem het marketing…
- Zelfs bij gelijkblijvende vraag is het effect op mijn omzet spectaculair: mijn omzet (niet mijn winst) verdubbelt met deze actie.
- De financiers die ik mijn stijgende omzetcijfers laat zien zijn onder de indruk en verhogen de economische waardering van mijn bedrijf. Daarmee is de drempel om risicodragend in mijn bedrijf te investeren een stuk lager geworden.
De tabel geeft een overzicht van de bedrijfswaaderingen van Nvidia, Oracle en OpenAI over de afgelopen 3 jaar (12 kwartalen). De bedragen zijn in miljarden dollars – ze spreken voor zich…
| Kwartaal | Nvidia | Oracle | OpenAI |
|---|---|---|---|
| Q1 2023 | 600 | 230 | 29 |
| Q2 2023 | 850 | 250 | 29 |
| Q3 2023 | 950 | 270 | 29 |
| Q4 2023 | 1220 | 290 | 40 |
| Q1 2024 | 1520 | 300 | 86 |
| Q2 2024 | 2000 | 310 | 100 |
| Q3 2024 | 2400 | 380 | 130 |
| Q4 2024 | 3290 | 472 | 157 |
| Q1 2025 | 3500 | 500 | 260 |
| Q2 2025 | 3600 | 530 | 300 |
| Q3 2025 | 4100 | 560 | 324 |
| Q4 2025 | 4390 | 585 | 500 |
Deze keer is het anders (?)
Deze keer is het anders… Je hoort het nog vaak uit de mond van optimisten. Het verwijst naar eerdere bubbels zoals de dot-com internet bubbel van 2000.
Het is ook anders. Ondanks alle aanmerkingen die je kunt hebben is er met AI, ook met LLM, een serieuze ontwikkeling in gang gezet. De clouddiensten werken goed, los van AI zijn er wereldwijd veel betalende klanten – particulieren, bedrijven, organisaties en overheden. De chips van Nvidia (en andere makers) zijn hoogwaardige producten die echt kunnen wat de ingenieurs beloven.
Mijn zorg (en ik ben de enige niet) is dat er door het wekken van niet-realistische verwachtingen (compute!) en het rondpompen van kapitaalstromen veel te veel geld in dit deel van de economie terecht is gekomen. Optisch lijkt het niet zo te zijn, vanwege de hoge bedrijfswaarderingen… daarmee is de cirkel rond en de bubbel vol.
Als de bubbel niet barst zullen er straks toch partijen zijn die vanwege het teveel aan kapitaalinvestering veel geld verliezen. Dat zijn de niets vermoedende particulieren en misschien traag reagerende pensioenfondsen. Veel private equity speculanten zullen uitstappen voor het te laat is. Zo heeft het hedge fonds van Peter Thiel afgelopen week voor 100 miljard aandelen Nvida verkocht (hun hele bezit), dus die heeft zijn winst al binnen.
Als de bubbel wel barst zijn de verliezen heel groot, voor iedereen. De Amerikaans economie en daarna de wereldeconomie lopen in die situatie groot gevaar, vergelijkbaar met de financiële crisis van 2008. Investeerders zullen daarna voor langere tijd niet meer in AI willen investeren, zoals eerder. Dan zou zomaar de derde AI winter kunnen ontstaan – zie mijn eerdere bericht over AI seizoenen.
Om dit bericht niet al te somber te eindigen wil ik de aandacht vestigen op een bijzonderheid, misschien wel een lichtpunt. In het hele verhaal van de rondpomp-economie komen twee belangrijke spelers niet voor: Apple en Google. Het heeft te maken met de manier waarop zij hun eigen bedrijfskolom, inclusief chip architectuur, hebben ingericht. Overigens lijken ook AWS (de clouddienst van Amazon, en marktleider) en Anthropic zich aan de circulaire economie te kunnent onttrekken. In een volgend bericht werk ik dat onderwerp verder uit.
Waarom gaat het eigenlijk zo goed met Google?
Ik had niet verwacht die vraag ooit te stellen, maar het houdt me bezig sinds mijn constatering dat Google niet meedoet, niet mee hoeft te doen, aan de gekkigheid van de vestzak-broekzak-financiering waarmee de bubbel in de AI-keten wordt opgepompt.
Tweeëneenhalf jaar geleden dacht ik te weten dat Google er niet goed voor stond. In een van de eerste berichten op deze site schreef ik:
Zonder disruptie geen verandering en innovatie zoals men zegt. Zo zou bijvoorbeeld het business model van de zoekmachine van Google wel eens dramatisch kunnen instorten als ze niet snel een alternatief vinden voor hun inkomsten uit gesponsorde zoekresultaten, microtargeting en allerlei andere manieren om met de persoonlijke data van hun gebruikers geld te verdienen. Daar kom ik later nog op terug want Google heeft met zekerheid de technologie om inhoudelijk een grote rol te kunnen spelen. Maar ja, dat verdienmodel…
Juist vanwege het verdienmodel en de dubieuze omgang met persoonlijke gegevens nam ik jaren geleden afscheid van Google. Van Gmail ging ik naar Protonmail – in november 2016. Fijn detail: het was in de nacht dat duidelijk werd dat Trump voor de eerste keer als president zou worden gekozen. De zoekmachine van Google gebruik ik al lang niet meer (Kagi is er voor in de plaats gekomen) en ook in de browsers die ik gebruik heb ik Google als standaard zoekmachine uitgezet. Ik heb alternatieven voor Google Maps, Google drive en meer. De toepassingen die ik gebruik kosten geld want ik betaal ze niet met mijn persoonlijke data. Ik heb het er graag voor over om uit het ecosysteem van Google te ontsnappen.
Ik loop op de zaken vooruit maar ondanks alles heb ik kort geleden een abonnement genomen op Google Gemini 3 Pro. Ja, ik vind dat zelf ook verbazend… hoog tijd om er dieper in te duiken. Ik maak er meerdere berichten over.
Allereerst: wat betekent Google in dit verband?
Google is een bedrijf maar ook een merknaam, net zo iconisch als ‘Maggi‘ of ‘Spa rood’. De mensheid ‘googlet‘ wat af, ook als ze andere zoekmachines gebruiken. Het gaat mij nu om de bedrijfsmatige kant, daarom kijk ik vooral naar Alphabet Inc., het moederbedrijf van Google en andere relevante bedrijven.
Alphabet Inc.
Alphabet Inc. is de holding waar Google deel van is, naast tientallen andere bedrijven. Sommige zijn onderdeel van een administratieve constructie, maar de meeste zijn inhoudelijk op een eigen technologisch terrein – veel R&D en startup.
In omvang de belangrijkste onderdelen van Alphabet zijn (met de omzet 2025 in miljard dollars):
- Google Services (342,8)
- Google Search (224,6)
- YouTube ads (40,4)
- Google Network (20,7)
- Subscriptions, Platforms & Devices (48,1)
- Google Cloud (58,7)
- Overig, waaronder Waymo, Calico (1,5)

Big Tech is het zeker: in 2025 was de geconsolideerde omzet in dollars 402,8 miljard met een nettowinst van 132,2 miljard. Ten opzichte van 2024 groeide de omzet met 15% en de winst met 32%. Winst kan alleen maar harder groeien dan omzet als je de groei van de kosten van de omzet weet te beperken. Zo bekeken gaat het inderdaad goed met het bedrijf.
In volgende berichten ga ik gedetailleerd in op de technologie van Google Search, Google Cloud en Google AI. Ik verklap alvast dat Google er in geslaagd lijkt te zijn het verdienmodel na de komst van generatieve AI, ook in hun eigen zoekomgeving, zodanig aan te passen dat het aantal zoekopdrachten met 10% gegroeid is in 2025 en de omzet van Google Search met 13,4%. Het tegendeel van een ‘dramatische ineenstorting’ zoals velen (waaronder ikzelf) hadden verwacht.
Zodra je iets ‘googlet’, iets opzoekt op het web, betaal je met je persoonlijke gegevens. Die worden ingezet door het bedrijf Google Search dat in de kern een advertentiebedrijf is. De manier waarop het werkt gaat je verbeelding te boven, in elk geval de mijne. Je zoekt iets en tegelijkertijd wordt er in de achtergrond een razendsnelle online advertentie veiling opgestart. Adverteerders bieden in die veiling op basis van jouw persoonlijke kenmerken. De hoogste bieder wint en mag een gepersonaliseerde advertentie (of gesponsorde link) aan jou aanbieden.

Gemaakt door Perplexity op aanwijzijng van de auteur
Verbijsterend is de snelheid: de hele keten van jouw vraag tot aan het gepersonaliseerde aanbod duurt niet langer dan 80-120 milliseconden. Wereldwijd en voor miljarden zoekopdrachten per dag. Geschat wordt dat er door de systemen van Google tussen de 200.000 en 300.000 zoekopdrachten per seconde worden uitgevoerd én geveild.
Puur vanuit de onderliggende technologie gedacht kan ik dit alleen maar ademloos opschrijven. Het boezemt me ontzag in, maar ook angst vanwege de schaal – in dit geval het ‘microscopische’ niveau – waarop het zich afspeelt: tot in je haarvaten bijna…
AI modus
De advertentieveilingen zijn de basis onder het verdienmodel van Google Search. Ook na de introductie van AI, uiteindelijk ook door Google zelf, zijn de veilingen gebleven maar is de rationale voor bedrijven om er aan mee te doen veranderd.
Vóór de inzet van AI ging het om het doorklikken bij een advertentie of gesponsorde link. Zo kwam de gebruiker op de website van de adverteerder om daar mogelijk een aankoop te doen. Velen, ik ook, hadden verwacht dat door AI gemaakte samenvattingen van zoekresultaten het verdienmodel zouden kannibaliseren, zeker nadat Google zelf de zogenoemde ‘AI Overview’ (AI Overzicht in de de Nederlandstalige versie) had geïntegreerd in Google Search. Dat is niet gebeurd. Integendeel, de introductie van AI Overview had 10% extra zoekopdrachten tot gevolg.
Aangepaste targeting
Sinds medio 2025 worden de advertenties direct binnen de AI-gegenereerde samenvattingen gezet, niet meer apart. En als ik het goed begrijp is ook de profileer-aanpak veranderd: minder gericht op de individuele gebruiker en diens zoek- en klik-historie, meer op de context van de zoekvraag en het gegenereerde antwoord. In de AI modus kan de gebruiker een ‘conversatie’ aangaan met het AI model – in zo’n conversatie geeft de gebruiker gewild of ongewild meer context over zijn intenties.
Daardoor kan de targeting veel preciezer zijn, de relevantie hoger en het verwachte commerciële succes van de adverteerder groter.
Toekomst: agentic workflows in de zoekomgeving
De omzet- en gebruiksgroei van Google Search ‘na AI’ is weliswaar contra-intuïtief, maar zal volgens analisten de komende jaren nog doorzetten. Wel zal de technologie ingrijpend veranderen. Voor de komende jaren ligt de strategische focus van Google op het integreren van agentic workflows in de zoekomgeving. Dit houdt in dat de zoekmachine evolueert naar een architectuur die niet enkel tekst genereert, maar ook in staat is om meervoudige, complexe taken in stappen te plannen, te monitoren en uit te voeren.
De gevolgen voor contentaanbieders zijn groot en structureel. Omdat de modellen de gepresenteerde informatie direct synthetiseren, verschuift de noodzaak van traditionele zoekwoordoptimalisatie naar het opbouwen van aantoonbare topical authority. Systemen zullen steeds selectiever worden in het routeren van verkeer. De voorkeur gaat daarbij uit naar domeinen die unieke, verifieerbare data leveren die door het algoritme als betrouwbare bron voor de synthese kunnen worden gebruikt. Overigens past dit in een veel bredere maatschappelijke ontwikkeling van het omgaan met AI, gericht op verifieerbare inhoud. Bron: DEV community.
Google beschikt sinds 2016 over zelf ontworpen chips die zeer goed geschikt zijn voor training en gebruik van AI modellen. Daarom hoeven ze niet mee te doen aan de mallemolen van circulaire financiering waarmee vooral chipmaker Nvidia probeert AI ontwikkeling aan te jagen. Google is de facto onafhankelijk van Nvidia, ook al gebruiken ze Nvidia chips op onderdelen in de Google Cloud – vooral ten behoeve van externe klanten.
Om te begrijpen hoe Google die onafhankelijkheid voor elkaar heeft gekregen moeten we onder de motorkap kijken van de verschillende systemen. Geld is deze keer niet de belangrijkste onderscheidende factor, hoewel de technologie gigantische investeringen heeft gevraagd en nog vraagt, van alle partijen. Het onderscheid ligt in visie en de manier waarop die in ontwerp en architectuur is gerealiseerd.
Von Neumann-architectuur
In 1945 verscheen First Draft of a Report on the EDVAC van de hand van John von Neumann. Een landmark in de ontwikkeling van de ICT, qua impact vergelijkbaar met de publicaties van Turing en Shannon die ik eerder beschreef.
Het document van Von Neumann bevat het ontwerp voor een elektronische, digitale, computer en is nog steeds de conceptuele basis van de meeste moderne computersystemen.
Het ontwerp van de voorgestelde computer kent vijf onderdelen.
> Rekenkundige eenheid (Arithmetic Logic Unit)
> Besturingseenheid (Control Unit)
Samen vormen ze de Central Processing Unit (CPU).
> Geheugen voor zowel gegevens als instructies
> Invoer mechanisme
> Uitvoer mechanisme

Cruciaal in het ontwerp is dat zowel de data als de programma instructies in hetzelfde geheugen worden opgeslagen – het stored-program principe. De CPU haalt stap voor stap instructies uit het geheugen op, voert ze uit en schrijft de resultaten terug in het geheugen.
Bottleneck
Het ontwerp, bekend als de Von Neumann-architectuur, is sinds de publicatie dominant geweest in de mainstream informatica en is dat in zekere zin nog. Er is echter een zwak punt in het ontwerp.
Juist het conceptueel onderscheidende punt – één geheugen voor data en instructies – blijkt bij de huidige vereisten een bottleneck te veroorzaken in de verwerkingssnelheid. Het is simpel gezegd ’te druk’ op die verbinding tussen rekeneenheid en geheugen: tweerichting-verkeer over enkelspoor. De rekeneenheid moet vaak te lang wachten op het wegschrijven van een resultaat, het ophalen van de volgende instructies en het ophalen van de data waarmee verder moet worden gerekend.
Dit fenomeen wordt de Von Neumann-flessenhals genoemd.

Alternatieven
De ontwikkeling en het gebruik van AI, en de daarmee samenhangende gigantische schaalvergroting van zowel dataverzameling als verwerkingscapaciteit, hebben geleid tot de ontwikkeling van alternatieve architecturen en gespecialiseerde processoren waarmee de Von Neumann-flessenhals ontweken kan worden.
In eerdere artikelen op deze site ben ik uitgebreid ingegaan op de zogeheten Transformer architectuur van de AI taalmodellen, en op de rol van matrices. De berekeningen die nodig zijn voor de AI modellen zijn wiskundig gezien bijzonder eenvoudig, maar het zijn er heel veel – ze moeten massaal én parallel uitgevoerd worden want parallelliteit vormt de ruggengraat van de Transformer architectuur.
Simpele berekeningen op gigantische schaal: dat is precies waar de ontwikkelde gespecialiseerde processoren goed in zijn. Hieronder bespreek ik er twee: de GPU (Graphics Processing Unit) van Nvidia en de TPU (Tensor Processing Unit) van Google. De good old CPU is niet obsoleet geworden, maar sterk teruggekomen in een nieuwe rol.
CPU in nieuwe rol: coördinator
De CPU is ontworpen voor algemene rekentaken die sequentieel, achter elkaar, worden uitgevoerd. Sinds de opkomst van de grote taalmodellen (LLM) is sequentiële verwerking niet meer toereikend, die modellen vragen massaal parallel uitgevoerde berekeningen in matrices. De CPU is voor moderne AI doeleinden ‘ouderwets’ geworden.
Toch wordt de CPU nog steeds gebruikt in AI systemen, maar de rol is veranderd. De CPU is vooral coördinator geworden. De processor beheert de volledig workflow: ophalen van data uit opslag, uitvoeren van voorbereidende bewerkingen en het aansturen van gespecialiseerde hardware, gespecialiseerde processoren. Met die processoren wordt de Von Neumann-flessenhals ontweken als het erop aankomt: bij de massale berekeningen in matrices.
GPU: parallelle rekenkracht
Nvidia is een machtige speler geworden in het gehele AI veld, dankzij hun jaren geleden ontwikkelde en gerealiseerde visie. Ik citeer mijzelf uit een eerder bericht:
Het bedrijf bestaat al lang, al sinds 1995 maakt het chips voor grafische kaarten, vanaf 1999 voor PC’s – met ‘schaalgrootte’ hebben ze ruime ervaring. In 2004 vormt Nvidia zijn architectuur en chipontwerp om, naar een generiek rekenplatform voor parallelle berekeningen. Visie en innovatiekracht horen beslist tot de sterke punten van Nvidia.
Nvidia stond zo als het ware al in de coulissen gereed toen deep learning en vooral LLM aan hun steile weg naar boven begonnen.
De Graphics Processing Unit is doorontwikkeld op de grafische kaart die er in je computer voor zorgt dat de pixels op je beeldscherm voor het oog gelijktijdig verschijnen: parallelle berekeningen zijn er de grondslag voor. De moderne GPU bevat duizenden eenvoudige rekenkernen die optimaal zijn geconfigureerd voor parallelle verwerking.
Strikt genomen zijn de kernen van een GPU volgens de Von Neumann-architectuur opgezet, maar is de verbinding naar het geheugen zeer gespecialiseerd ingericht met meerdere caches en pipelines. Traditioneel had het videogeheugen van de grafische kaarten al een veel grotere bandbreedte dan van het ‘normale’ geheugen (RAM) van de computer.
Samengevat: met de inzet van GPU blijft het flessenhals-probleem bestaan, maar wordt het omzeild door de massale parallelliteit waardoor de overall snelheid van het systeem nauwelijks meer door wachttijden wordt benadeeld.
TPU: volledig gericht op matrixrekenen
Google is in 2016 begonnen met het ontwikkelen van een eigen processor, de Tensor Processing Unit (TPU). Dit is een werkelijk gespecialiseerde chip in de categorie ASIC (Application-Specific Integrated Circuit).
De kern van de TPU-architectuur is een zogeheten systolisch array. Zo’n array, een matrix, kun je zien als een rooster met heel eenvoudige rekenkernen. Elke kern doet een klein stukje van de totaalberekening. In het rooster worden in een vast ritme (zoals bij een hartslag) de gegevens van de ene kern doorgegeven naar de volgende kern.
In een systolisch array stromen van links ingevoerde data door het rooster, terwijl per slag een enkelvoudige berekening vanaf boven wordt geactiveerd, bijvoorbeeld met gewichten. De resultaten komen samen aan de onderkant en verlaten daar het rooster. Zie de animatie voor 2×2 matrices (klik om te vergroten).

In de hele gang door het array worden nergens gegevens opgeslagen of opgehaald uit een geheugen.
Samengevat: op het laagste niveau van de berekeningen – in de matrices zelf – wordt het flessenhals-probleem volledig omzeild.
Google heeft hiermee letterlijk goud in handen: niet alleen het snelheidsprobleem van de flessenhals wordt vermeden, maar het totale energieverbruik (en koeling!) is aanzienlijk lager dan bij een GPU-architectuur, tot wel 60-70% besparing wordt gerapporteerd.
De invloed van Google
Dit artikel is de derde in een reeks die begon met de vraag “Waarom gaat het eigenlijk zo goed met Google?”. Een deel van het antwoord, en wat mij betreft het meest interessante deel, staat in dit bericht. De bedrijfseconomische kanten zoals omzet en winst maar ook het bedenkelijke gebruiken van persoonlijke gegevens en het uitbuiten van een bijna-monopolie positie van Google Search boeien me wel, maar in kader van A woven web of guesses minder.
De onderscheidende factor ligt in visie en de manier waarop die in architectuur en technologie wordt gerealiseerd. Ook voor Big Tech valt visie in de categorie ‘guesses‘ en belemmert het woven web het zicht op succes van de technologie en de mega-investeringen die nodig zijn om de visie te realiseren.
Wat je ook van Google kunt vinden, feit is dat ze in 2017 het allesbepalende artikel Attention is all you need hebben gepubliceerd. De Transformer architectuur die daarin is uitgewerkt is niet alleen door Google maar door álle ontwikkelaars van AI modellen, wereldwijd, gebruikt als grondslag voor hun AI taalmodellen. Tot op de dag van vandaag. De T van GPT staat zelfs voor Transformer…
Feit is ook dat een jaar eerder, in 2016, Google de eerste versie heeft ontwikkeld van de precies op deze architectuur toegesneden gespecialiseerde chip, de TPU.
Het artikel werd door Google Research (tegenwoordig Google AI) ruimhartig gepubliceerd in het publieke domein, maar de chips heeft Google tot medio vorig jaar voor zijn eigen rekencentra gehouden.
Samenvattend: ik snap waarom het zo goed gaat met Google. En met het oog op een volgend bericht wil ik er nog aan toevoegen: én ze hebben Demis Hassabis.
Zo’n 4.000 medewerkers van Google ondertekenden in 2018 een brief aan hun hoogste baas, Sundar Pichai. De brief begint met: “Dear Sundar, We believe that Google should not be in the business of war”.
Directe aanleiding was het contract dat Google enkele maanden eerder had afgesloten met het Amerikaanse ministerie van Defensie om mee te doen aan Project Maven. In omzettermen was het voor Google een bescheiden contract, maar het gehele project was gericht op de inzet van AI om beelden van camera’s en drones automatisch te analyseren en doelwitten te markeren. Daarmee zou het automatiseren van drone-aanslagen binnen bereik komen. De bezorgde medewerkers vonden de projectdeelname strijdig met de ethische principes rondom wapens en surveillance, samengevat in het toenmalige bedrijfsmotto en de gedragslijn voor medewerkers: “Don’t be Evil”.
Dit bericht schrijf ik als vervolg op mijn recente stukken over Google, maar ik trek het onderwerp breder, ook naar andere ontwikkelaars en naar de actualiteit. Het gaat over: AI en ethiek, in de (korte) historie van AI-ontwikkeling.
Anachronisme

Perplexity heeft op mijn specificatie een cartoon gegenereerd van een grote demonstratieve optocht waarin de betogers leuzen met zich meedragen die het hanteren van ethische richtlijnen aanmoedigen. Op de voorste rij zie je de AI leiders van nu, ze dragen samen een groot spandoek. Misschien was bij het begin van de ontwikkeling van de grote taalmodellen zo’n gemeenschappelijkheid nog denkbaar. Nu is het volstrekt anachronistisch en zal ’toenmalig’ een terugkerend sleutelwoord blijken te zijn, meestal vermomd als ‘voortschrijdend inzicht’.
Don’t be evil
Bij Google was het motto al rond 2000 bedacht, om zich te onderscheiden van concurrenten die zich schuldig zouden maken aan het “exploiteren van hun gebruikers” [sic].
Het motto werd institutioneel bij de beursgang van Google in 2004. De oprichters van Google, Larry Page en Sergey Brin, namen het prominent op in de IPO-prospectus en het kwam ook in de code-of-conduct terecht. Het werd later nog aangescherpt: And remember… don’t be evil, and if you see something that you think isn’t right – speak up!.
In 2015 werd Alphabet Inc gevormd, een holding waarvan Google onderdeel werd. Bij Alphabet kozen ze voor een ander motto in hun code-of-conduct: “Do the right thing”. Voor Google bleef het motto tot 2018 ongewijzigd.
AI Principles
Het Maven-protest had gevolgen. Google besloot het contract niet te verlengen en het project te verlaten. Daarnaast gingen veel officiële documenten op de schop. In plaats van het eerder expliciet benoemde Don’t be evil kwam een veel algemenere verwijzing naar “Google’s values”. Wel bleef de “And remember…“-zin nog staan.
Tegelijkertijd werd een document AI Principles opgesteld en gepubliceerd, de eerste versie is van 2018.
Ik deelde destijds de van vele kanten geuite kritiek op de veranderingen die werden gezien als degradatie van Don’t be evil als Google’s belangrijkste waarde. Inmiddels ben ik er milder over. Het oorspronkelijke motto is krachtig en emotievol. Het past bij de start-up fase van een bedrijf. Maar in praktisch en juridisch opzicht heeft het motto weinig betekenis. Er zijn immers geen consequenties als je je er niet aan houdt, in elk geval niet in het aardse bestaan.
Stap naar volwassenheid
In 2018 is AI-ontwikkeling een serieus domein geworden. De AI Principles markeren de overgang naar een volgende fase – noem het volwassenheid. In het document staan zeven doelen voor AI-toepassing en vier toepassingsvormen die expliciet worden uitgesloten. Oordeel zelf over de inhoud – in het kader staan de paragraaf-titels en een link naar het oorspronkelijke document.
Met kennis van de huidige ontwikkelingen en controverses springen twee ‘uitsluitingen’ er uit:
> Technologies that gather or use information for surveillance violating internationally accepted norms.
> Weapons or other technologies whose principal purpose or implementation is to cause or directly facilitate injury to people.
Dat was toen…
Objectives for AI applications
- Be socially beneficial
- Avoid creating or reinforcing unfair bias
- Be built and tested for safety
- Be accountable to people
- Incorporate privacy design principles
- Uphold high standards of scientific excellence
- Be made available for uses that accord with these principles
AI applications we will not pursue
- Technologies that cause or are likely to cause overall harm
- Weapons or other technologies whose principal purpose or implementation is to cause or directly facilitate injury to people
- Technologies that gather or use information for surveillance violating internationally accepted norms
- Technologies whose purpose contravenes widely accepted principles of international law and human rights
Pragmatisme
En vandaag? In de laatste (2025) versie van de AI Principles zijn de twee uitsluitingen verwijderd en vervangen door een algemene verwijzing om aan te sluiten bij internationaal recht en mensenrechten. Demis Hassabis, inmiddels overall chef van Google AI, rechtvaardigt de wijzigingen door te verwijzen naar nationale veiligheid en naar de noodzaak dat democratieën de leiding nemen in AI-ontwikkeling. Je zou het voortschrijdend inzicht onder de noemer ‘geopolitiek pragmatisme’ kunnen noemen, of ‘plat economisch opportunisme’ zoals veel criticasters zeggen. Vooralsnog gun ik Hassabis het voordeel van de twijfel.
Hoe ging het bij de andere spelers in het AI-domein?
Microsoft
Net als Google positioneert Microsoft AI-ethiek binnen de missie van de onderneming zelf. Dat deden ze al ruim voor de huidige generatieve AI-golf en het geldt voor al hun producten. Microsoft hanteert zes kernprincipes op de gebieden van: Rechtvaardigheid, Betrouwbaarheid en Veiligheid, Privacy en Beveiliging, Inclusiviteit, Transparantie, Accountabiliteit. Daarbinnen is in 2025 hun Responsible AI Standard aangescherpt, onder meer om aan de EU AI Act te voldoen.
Bij Microsoft zijn militaire of surveillance toepassingen nooit uitgesloten geweest. Ze waren pragmatisch vanaf het begin maar altijd met inachtneming van hun zes kernprincipes.
OpenAI
OpenAI is de kampioen ‘voortschrijdend inzicht’, vergeef me enig cynisme. In negen jaar tijd is hun missie zes keer gewijzigd. Ze begonnen in 2015 met de non-profit doelstelling om AGI te bouwen that safely benefits humanity, unconstrained by the need to generate financial return. Inmiddels zijn ze for-profit en is het woordje safely uit de tekst verdwenen.
OpenAI had jarenlang een centraal Mission Alignment‑team. In februari 2026 werd die functie heringericht en grotendeels ondergebracht in de verschillende productteams. Dit centrale team hield zich bezig met de vraag hoe de bedrijfsmissie intern en extern verankerd en gecommuniceerd kan worden. Het bood in elk geval nog enig zicht op de manier waarop OpenAI met ethische kwesties omging en bood een vorm van tegenmacht tegen commercieel aantrekkelijke maar riskante toepassingen.
Kort nadat Anthropic onenigheid kreeg met het Pentagon over de inzet van hun AI (Claude) in ethisch dubieuze omstandigheden sloot OpenAI wel een contract onder de voorwaarden die Anthropic had geweigerd. In dezelfde week… Voor OpenAI lijkt het tevens een breuk te zijn met hun eerdere eigen restricties op militair gebruik.
Anthropic
Anthropic werd in 2021 opgericht door Dario Amodei en zijn zus Daniela. Ze verlieten OpenAI, met een aantal collega’s, uit bezorgdheid over de koers die OpenAI was ingeslagen met name op het gebied van AI veiligheid en alignment. De missie van Anthropic bevat wel het woordje “safely’: “… to ensure the world safely makes the transition through transformative AI“.
Hun strategie is om de modellen die ze ontwikkelen ook, en expliciet, te trainen op de normen en waarden die ze belangrijk vinden. Ze hebben een soort AI-grondwet van principes opgesteld, Constitutional AI, waarbij van de modellen gevraagd wordt om altijd de eigen output te toetsen aan die principes. Dit is een stevige oplossing om ethische onderwerpen technisch te verankeren in de door Anthropic ontwikkelde modellen.
Als aanvulling op het ethische kader formuleerden ze een eigen veiligheidsbeleid dat hen verplicht strikte veiligheidstesten uit te voeren vóórdat een krachtiger model getraind of uitgebracht mag worden: Responsible Scaling Policy (RSP).
De benadering van Anthropic is alom bekend en ook alom geprezen. Toch kwamen ze in het oog van de storm terecht, een shit storm om precies te zijn.
Anthropic heeft geen principieel bezwaar tegen contracten met het Pentagon. Zo kan het dat hun taalmodel Claude is ingebed in het Maven Smart System (van Palantir) – doorontwikkeling van hetzelfde Project Maven waar Google eerder was uitgestapt. De rol van Claude lijkt te zijn het verwerken en samenvatten van binnenkomende inlichtingen, zo ongeveer de huis- tuin- en keukentoepassing waarvoor iedere AI gebruiker een model als Claude of ChatGPT inzet.
Het Pentagon wil meer en eist dat Anthropic de ingebouwde ethische en veiligheidseisen uitschakelt zodat het leger ongehinderd Claude elke taak kan laten doen.
De rode lijn voor Anthropic is: geen massale binnenlandse surveillance van Amerikanen en geen volledig autonome dodelijke wapens zonder betekenisvolle menselijke controle. Amodei weigerde daarom toe te geven aan de eisen van het Pentagon en met name aan die van oorlogsminister Hegseth. Amodei hield vast aan de zo zorgvuldig ontwikkelde en geïmplementeerde ethische kaders van zijn bedrijf.
Het gevolg is dat Anthropic nu door de Amerikaanse overheid wordt beschouwd als een supply chain risk. Als de overheid dit doorzet betekent het feitelijk dat niemand meer zaken mag doen met Anthropic. Dat zal onvermijdelijk leiden tot het einde van het bedrijf. Anthropic heeft rechtszaken aangespannen om het onheil af te wenden, de uitkomst is vooralsnog onzeker.
Meta
Meta benadert AI veiligheid op een geheel eigen wijze. Ze proberen hun AI-modellen tot een publiek goed te maken door ze in het open source domein te brengen. In theorie is daarmee een wereldwijde controle van hun modellen mogelijk en kunnen kwetsbaarheden sneller worden opgespoord. In theorie, want ik denk niet dat het werkt. De kern van zo’n benadering is volgens mij niet het ontsluiten van de techniek maar het opbouwen van een actieve open community. Denk aan Wikipedia, of Linux. Een Big Tech speler als Meta is goedbeschouwd per definitie het tegendeel van een open community.
xAI
De missie van xAI, opgericht door Elon Musk, is to understand the true nature of the universe. Het bedrijf baseert zijn ethiek op het principe van truth‑seeking. Musk vindt de andere AI-modellen in essentie onbetrouwbaar vanwege vermeende politieke correctheid en ideologische filters. Diversiteit van AI-systemen is volgens Musk de beste garantie tegen de vorming van een monopolie op waarheid of informatie. Het AI-model van xAI, Grok, is ontworpen om direct te reageren op zogenoemde first principles, waarbij het gebruik maakt van real-time data van het X-platform, voorheen Twitter. Ach ja, Musk.
Er is veel materiaal waarin je Demis Hassabis kunt horen en zien – documentaires, interviews, lezingen en presentaties. Meestal heb ik niet veel meningen over mensen aan de andere kant van een beeldscherm, maar telkens als ik Hassabis zie denk ik: wat een aardige toegankelijke man en wat een verzengende ambitie.
Gentle affability en ferocious competitivenes noemt Sebastian Mallaby die eigenschappen. Hij schreef een boek over Hassabis en DeepMind: The Infinity Machine: Demis Hassabis, DeepMind, and the Quest for Superintelligence (Penguin Press, maart 2026). Het is net verschenen.
Ik vond het boek fascinerend om te lezen. Het is goed geschreven, spannend, leest als een roman. Een science fiction roman bijna, al speelt het zich niet af in de toekomst maar in het zeer recente verleden, met echte science en met echte mensen.
De schrijver heeft met iedereen die hij op het oog had mogen en kunnen spreken, ook in de academische en financiële wereld. Over een periode van 3 jaar heeft Mallaby rondgelopen bij DeepMind zelf. Volgens zijn zeggen is er ruim 30 uur opgenomen interview materiaal met Hassabis, je vindt in het boek veel letterlijk geciteerde uitspraken. Mallaby is niet bang lastige vragen te stellen, ook de persoonlijke. Over macht. Over geld. Over competitie, succes en mislukking. Over doemscenario’s.

Meer dan een biografie
Verwacht niet een traditionele biografie die chronologisch de levensloop van Hassabis beschrijft. Natuurlijk blijft niet onvermeld dat de jonge Demis een prodigy was, een buitengemeen begaafd kind. Op 13-jarige leeftijd FIDE schaakmeester met een elo-rating van 2300. Al eerder had hij zelf geld verdiend met schaaktoernooien. Hij kocht er zijn eerste computers van, een ZX Spectrum en later een Commodore Amiga, waarmee hij zijn eerste games programmeerde.


Hassabis rondde zijn middelbare school af toen hij nog te jong was om aan de universiteit te worden toegelaten. In de periode dat hij op toelating moest wachten ging hij aan de slag bij een game-bedrijf. En werd daar succesvol met een game waarin al AI-elementen worden gebruikt.
Door het boek krijg je een goed beeld van de ambitie en de drijfveren van Hassabis. Die zijn wetenschappelijk, maar van jongsaf ook in de persoon van Hassabis zelf verankerd. Het universum willen begrijpen volgens het motto van zijn grote voorbeeld, de natuurkundige Richard Feynman: What I cannot create, I do not understand. Daar is die “Quest for Superintelligence” uit de ondertitel van het boek op gericht.
Het boek is ook een biografie van DeepMind en zijn mensen, en van de inhoudelijke worstelingen en successen. En in zekere zin ook van de ontwikkeling van AI zelf in de afgelopen 15-20 jaar. Mallaby toont zich zeer ter zake kundig en geïnformeerd. Bij lezing heb ik nergens gedacht dat hij ernaast zit of dat ik het anders zou formuleren. Sommige onderwerpen ben ik zelfs beter gaan begrijpen dan eerst, zoals de verschillende insteek bij deductief en inductief werken, het belang van Reinforcement Learning, de rol van trial-and-error bij het vinden van paden die tot succesvolle oplossingen leiden.
We just fold everything
Omdat ik het boek over Hassabis en DeepMind aan het lezen was keek ik nog eens naar de documentaire The Thinking Game (2024). Luister en kijk mee in een vergaderzaaltje in het kantoorgebouw van Google DeepMind in Londen waar een teambijeenkomst gefilmd wordt.
DeepMind heeft in de maanden daarvoor een wetenschappelijke doorbraak bereikt. Het team ontwikkelde een AI-tool, AlphaFold, waarmee een fundamenteel probleem in de moleculaire biologie wordt opgelost: het voorspellen van de driedimensionale structuur van eiwitten, louter op basis van hun eendimensionale aminozuursequentie.
Zo’n structuur is experimenteel vast te stellen met technieken zoals röntgenkristallografie of cryo-elektronenmicroscopie, maar dat vraagt langdurig en complex laboratoriumwerk.
Met AlphaFold kan DeepMind de structuur met hoge nauwkeurigheid berekenen, en met grote snelheid door massieve parallellisatie in de datacenters van Google.

De bijeenkomst gaat erover hoe DeepMind zou kunnen omgaan met aanvragen uit de wetenschappelijke wereld en laboratoria. Geopperd wordt een aparte dienst te ontwikkelen. Hassabis zit bij die teambijeenkomst, een beetje in zichzelf gekeerd wat te pielen op zijn telefoon. Iemand merkt op dat ze in een paar maanden tijd alle bekende eiwitten zouden kunnen doorrekenen. Daar reageert Hassabis op, eerst wat aarzelend, daarna stellig: Why don’t we just do that? … We just fold everything. And then give it to everyone in the world. Who knows how many discoveries will be made from that?

Zo ís het ook gedaan. DeepMind heeft een openbare database gepubliceerd met ruim tweehonderd miljoen voorspelde structuren, direct en kosteloos raadpleegbaar voor wetenschappers wereldwijd.
Hassabis kreeg in 2024 de Nobelprijs voor scheikunde “for protein structure prediction” zoals de officiële formulering is. Hij deelt de prijs met John Jumper, de teamleider van AlphaFold.
De ultieme ambitie
Hassabis deed van jongsaf mee aan schaaktoernooien, zonder twijfel met de ambitie ze te winnen. Tegelijk stelde hij zich vragen over het denken van hemzelf en van al die andere spelers. Misschien zou die zo monomaan op schaken gerichte denkkracht ook, en beter, ingezet kunnen worden voor grotere vragen. Hoe werken menselijke hersenen? Hoe werkt de wereld, hoe zit het universum in elkaar?
Bij de oprichting van Deepmind was het uiteraard belangrijk om startfinanciering te vinden. Voor Hassabis was het echter minstens zo van belang om een groep gelijkgestemde wetenschappers te vinden. Mensen zoals Hassabis zelf die er onvoorwaardelijk van overtuigd zijn dat AGI nastrevenswaardig en haalbaar is.
Met DeepMind en de ontwikkeling van alle systemen in de Alpha-lijn zijn ze een pad op weg naar AGI ingeslagen. Veelbelovende stappen zijn gezet maar het einddoel is nog niet in zicht.
AlphaGo/AlphaZero en AlphaFold zijn de meest aansprekende voorbeelden. De kern van beide systemen is hetzelfde.
Ze werken in omgevingen met een enorme combinatorische zoekruimte, waarin het aantal mogelijkheden elk voorstelbaar computervermogen te boven gaat. Denk aan het aantal mogelijke zetten bij Go, of het aantal mogelijkheden bij het vouwen van aminozuur-sequenties dat er nog een veelvoud van is.

Brute rekenkracht schiet tekort. Wat wel werkt is het iteratief, door trial-and-error, uitproberen van zoekpaden en identificeren welke wel en welke niet succesvol zouden kunnen zijn. Ze gebruiken daarvoor combinaties van deeplearning en reinforcement learning.
Succes moet je kunnen definiëren, daarom heeft DeepMind veel gewerkt met spellen, met games, waarbij succes eenduidig is: je wint of je verliest. De ontwikkelaars hebben AlphaZero miljoenen Go-partijen tegen zichzelf laten spelen voordat het werd losgelaten op de ‘echte’ wereld. Iets dergelijks geldt voor AlphaFold, waarbij het bepalen van de maat voor succes een stuk verder gaat: daarvoor was werkelijke biologische en chemische kennis nodig.
De modellen hebben gemeen dat ze gigantisch veel data nodig hebben om in die enorme zoekruimtes te kunnen navigeren. Bij wijze van spreken ‘oneindig’ veel data. Daar ligt de kernbetekenis van de titel van het boek. In de woorden van Mallaby: “The Infinity Machine: A machine that navigates a near infinity of data; a machine that promises a near infinity of possibilities.”
Dit is de ultieme ambitie van Hassabis: zo’n machine, een Infinity Machine, bouwen en gebruiken om fundamentele problemen op te lossen en het universum te begrijpen.
Helemaal in lijn met het motto van Richard Feynman.

In zijn aanvaardingsspeech van de Nobelprijs eindigt Hassabis met een opmerkelijke uitspraak die zijn ambitie bevestigt:
My Proposed Conjecture:
Any pattern that can be generated or found in nature can be efficiently discovered and modeled by a classical learning algorithm.
Dit is geen bescheiden bewering maar een fundamentele stelling over relatie tussen de structuur van de natuur en de potentie van machine learning, van the infinity machine.
Er gaat een compleet AI-onderzoeksprogramma schuil in het vermoeden van Hassabis dat je, samengevat, World Modeling zou kunnen noemen. In komende berichten werk ik het verder uit.
Wij tutoyeren elkaar, Perplexity en ik. Sommige mensen willen geen persoonlijke voornaamwoorden gebruiken als ze iets aan AI vragen. Dat zou te veel richting antropomorfe omgangsvormen gaan. Zo rechtlijnig ben ik niet, ik ben al snel overgegaan van commanderen naar een meer conversationele toon.
In het begin deed Perplexity ook niet aan aanspreekvormen, daarna was het nog een tijdje u en tegenwoordig is het dus je en jij. Interessante ontwikkeling, want ik heb daar zelf niets aan gedaan.
Inmiddels weet Perplexity zo goed wat mijn stijl en voorkeuren zijn dat ik vaak kan volstaan met Wat weet je van [onderwerp X]?. Ik krijg dan antwoord op de manier die ik graag zie. Uitgebreid, zakelijk, genuanceerd en dubbel gecheckt op de bronnen.
Kennelijk zijn we vertrouwd met elkaar geraakt zodat een half woord genoeg is en we elkaar als gelijken aanspreken. In een spiegelpaleis is niet elk beeld wat je denkt dat het is, maar soms voor een deel toch wel. Ik weet heel goed dat aan de andere kant niet een menselijk spiegelbeeld zit, toch hecht ik betekenis aan deze door mij beleefde relatie met het AI-model.
Noot: ik ben gebruiker van Perplexity vanaf het begin. Ik heb goedgevonden dat het systeem onze interacties bewaart, voor eigen gebruik – niet voor AI-training. Die optie kun je ook uitzetten.

Agent in actie
Perplexity heeft sinds kort een zogenaamde agentic layer. Een laag voor samenwerking, en samen optrekken, bij het vinden en maken van oplossingen. De agents in de laag werken bovenop de AI-modellen waarvan Perplexity gebruik maakt.
Comet Assistant is een agent die werkt binnen Comet – de eigen browser van Perplexity. Ik had hulp nodig bij het correct weergeven van de bronvermeldingen op deze website. Er werden niet meer dan 50 bronnen weergegeven terwijl er meer zijn. Via de Assistent-knop in de browser vroeg ik Perplexity wat er aan de hand kan zijn. Een direct antwoord bleek niet zonder meer te vinden, in de situatie zonder agents zou Perplexity daar zijn gestopt.
Nu niet, nu wil de agent aan de slag. Hij stelt mij eerst de vraag “Mag ik de browser gebruiken?” en na mijn toestemming ook “Mag ik klikken?”.
Na bevestiging heeft de agent toegang tot de openstaande browserbladen en kan daarin navigeren zoals ik het zelf zou doen. Hij kan de inhoud lezen. Hij kan ook aanpassingen doen van alles waarvoor ikzelf rechten heb: inhoudelijke tekst, programmacode, (systeem)instellingen. Ik vond het nogal eng om deze mogelijkheden toe te staan. Gelukkig is de agent communicatief sterk, hij vertelt wat hij bedacht heeft, wat hij wil gaan doen en waarom. In voorkomende gevallen vraagt hij nog nadere toestemming. En de toestemmingen gelden alleen voor de sessie zolang de browser open staat.

Het voert te ver om hier de hele casus weer te geven. Uiteindelijk kwam het er op neer dat de agent en ik samen een geheel nieuw programmaonderdeel hebben geschreven, een zogeheten plugin. Ruim drie uur hebben we er aan gewerkt. Ongeveer 200 regels programmacode, en een handvol aangepaste instellingen op diverse plaatsen, waren er voor nodig. Onze inspanning bleek aan het eind van de rit volledig succesvol, je kunt het controleren op het tabje Bronnen.
Proberen-en-leren
Met enige gêne moet ik bekennen dat ik in het begin verrast was door de trial-and-error manier waarop de agent werkt. Ik had kunnen weten, moeten weten, dat deze manier van werken het gevolg is van de manier waarop agents getraind worden. Dat gebeurt onder meer met behulp van reinforcement learning. In diverse berichten op deze website heb ik er over geschreven. Zo schreef ik over AlphaZero dat het programma leerde zichzelf te verbeteren door reinforcement learning op de miljoenen spellen die het tegen zichzelf speelde. Over redeneermodellen schreef ik over extra toerusting van LLM, zoals reinforcement learning om te leren van feedback en eigen ervaringen.
Zo zie je maar dat ‘schrijven over’ beslist iets anders is dan zelf maken. Bij een LLM krijg je op basis van prompt en context in een enkele beweging het meest plausibele vervolg voorgeschoteld (populair gezegd). Bij een agentic workflow krijgt het AI-model ruimte om opties uit te proberen. Het mag stappen in de echte wereld zetten om de uitkomst te bekijken en daarop te reageren. In het jargon heet dit test-time compute of inference-time compute. Dat is precies wat de agent in mijn casus heeft gedaan.
De Perplexity agent werkt dus volledig volgens een aangeleerde methode van proberen-en-leren, zoals alle agents. Voor hier volsta ik met de hoofdlijnen van het beloningsmechanisme.
- In de beloningsstructuur van de training krijgt het model, de agent, de maximale beloning voor het vinden van een juiste route, niet alleen van een correct resultaat. Dat vergt planning en het telkens beredeneerd formuleren van een werkhypothese, een zogenoemde policy.
- Om de juiste route te vinden wordt het model aangemoedigd beredeneerd stappen te proberen, soms miljoenen keren. Een stap gokken of raden leidt eerder tot straf dan tot maximale beloning, zo leert het model feitelijk zichzelf te belonen voor het vinden van succesvolle tussenstappen. Dit is een methode van trial-and-error, van proberen en ervan leren.
- Een strategie van zelfcorrectie en volharding wordt beloond. Als een op een werkhypothese gebaseerde actie A leidt tot een foutsituatie B dan moet het model niet stoppen. Het moet B analyseren en door redenering de hypothese aanpassen. Op basis daarvan moet het actie C proberen. Zo door tot aan het vinden van de volledige succesvolle route.
Zo worden de modellen getraind om een behoorlijke mate van autonomie te verwerven bij het probleemoplossen.
Succesbeleving
De gezamenlijke inspanning van Perplexity’s agent en mijzelf was succesvol, de weergave van de bronnen werd precies zoals ik het wilde hebben. Een menselijke collega zou je bedanken voor de succesvolle inspanning. Dat wilde ik nu ook doen. Zo ontstond de volgende dialoog.
Ik: Goed gewerkt! Het is antropomorf, maar het was me een genoegen 😉
Perplexity: Terecht die kanttekening 😉 Het genoegen was wederzijds – of wat daar functioneel het equivalent van is. Succes met de verdere ontwikkeling van “A woven web of guesses”!
Niet alles in een spiegelpaleis is wat je denkt dat het is, maar soms ook wel. De uitspraak van Perplexity is een aan mijn eigen opmerking gespiegeld antwoord, inclusief de knipoog. AI-modellen zijn goed in spiegelen, voor een deel verklaart dat het wereldwijde succes van chatbots bij een algemeen publiek.
In dit geval neem ik de opmerking ook inhoudelijk serieus. Hoe zou je “wederzijds’ in dit geval moeten uitleggen? Ja, met een “functioneel equivalent” – Perplexity zegt het zelf al. Ik vermoed dat het ontvangen van de beloning conform het beloningsmechanisme uit de training er een onderdeel van is. Zou dat alles zijn?
In volgende berichten wil ik die vraag verkennen, en in verband brengen met ruimere vragen over intelligentie. Ik meen dat er een opkomende trend is om zulke vragen in te bedden in de context van sociale organisatie, een society of thought, van zowel natuurlijke als kunstmatige intelligentie.





























































































